Official Software
Get notified when we add a new Alfa RomeoGiulietta Manual

We cover 60 Alfa Romeo vehicles, were you looking for one of these?

Alfa Romeo Alfa Romeo Spider Alfa Romeo Spider 2010 Owners Manual
Alfa Romeo - Brera - Workshop Manual - (1986)
Alfa Romeo - 156 - Workshop Manual - (2007)
Alfa Romeo - MiTo - Owners Manual - (2017) - (Polish)
Alfa Romeo - MiTo - Workshop Manual - (2008)
Alfa Romeo - 156 - Workshop Manual - (2005)
Alfa Romeo - 164 - Owners Manual - (1991)
Alfa Romeo - 156 - Workshop Manual - (2005)
Alfa Romeo - MiTo - Owners Manual - (2015) - (French)
Alfa Romeo - 159 - Workshop Manual - (2006)
Alfa - Auto - alfa-romeo-giulia-2014-kezelesi-utmutato-106344
Alfa Romeo - MiTo - Owners Manual - (2017) - (Polish)
Alfa Romeo - 124 Spider - Workshop Manual - 1983 - 1983
Alfa Romeo - MiTo - Workshop Manual - (2016)
Alfa Romeo - 147 - Workshop Manual - 2000 - 2010
Cars & Automotive Accessories - Alfa-Romeo - Giulia
Alfa Romeo - Giulia - Workshop Manual - 2017 - 2017
Alfa Romeo - Brera - Sales Brochure - 2002 - 2006
Sprint-Import L3-061 1000cc 1.0L Turbo VIN 2 FI (1987)
Alfa Romeo - MiTo - Workshop Manual - (2008)
Alfa Romeo - Brera - Workshop Manual - (1987)
Alfa Romeo Alfa Romeo Alfetta Alfa Romeo Alfetta Misc Documents Parts Catalogue
Alfa Romeo Alfa Romeo Junior Alfa Romeo Junior 2000 Workshop Manual
Alfa - Auto - alfa-romeo-giulia-2014-manual-del-propietario-106336
Alfa Romeo Alfa Romeo Alfasud Alfa Romeo Alfasud 1986 Workshop Manual
Alfa Romeo - Brera - Sales Brochure - 2010 - 2010
Gmc W Sprint Workshop Manual (Sprint-Caballero V8-305 5.0L (1982))
Alfa Romeo - 147 - Workshop Manual - 2000 - 2010
Alfa - Auto - alfa-romeo-giulia-2017-betriebsanleitung-106319
Alfa Romeo - 164 - Parts Catalogue - (2000)
Alfa Romeo - 146 - Workshop Manual - (1991)
Alfa Romeo - 147 - Workshop Manual - 2000 - 2010
Alfa Romeo - Brera - Miscellaneous Documents - 2005 - 2005
Alfa Romeo - 4C - Workshop Manual - (1991)
Alfa - Auto - alfa-romeo-giulia-2016-navod-k-obsluze-106313
Sprint L3-61 1.0L (1988)
Alfa Romeo - Giulia - Sales Brochure - 2013 - 2013 (French)
Alfa - Auto - alfa-romeo-giulia-2014-106342
Toys & Accessories - Lego - Juniors - POLICE TRUCK CHASE - 10735
Alfa Romeo - 90 - Workshop Manual - (1987)
Alfa Romeo - MiTo - Brochure - (2010)
Alfa Romeo - Mito - Brochure - (2012)
Alfa Romeo - 145 - Workshop Manual - (1991)
Toys & Accessories - Lego - Juniors - LOST TEMPLE - 10725
Alfa Romeo - 156 - Owners Manual - (2004)
Alfa Romeo - 147 - Workshop Manual - 2000 - 2010
Alfa Romeo - GT - Workshop Manual - (2007)
Alfa Romeo - Giulia - Owners Manual - 2018 - 2018
Alfa Romeo Alfa Romeo Crosswagon Alfa Romeo Crosswagon 2005 Misc Documents Owners Manual Supplement
Alfa Romeo - 145 - Repair Guide - (1997)
Alfa Romeo - 156 - Brochure - 1997 - 2007
Toys & Accessories - Mega - tmnt-junior - Leo Turtle Buggy, DMW43
Toys & Accessories - Mega - Marvel - RED Spider-Man 2-Go, 1986
Alfa Romeo - 8C - Workshop Manual - 2007 - 2009
Alfa Romeo - MiTo - Owners Manual - (2015) - (Swedish)
Alfa Romeo Alfa Romeo Giulia Alfa Romeo Giulia Misc Documents Parts Catalogue
Gmc W Sprint Workshop Manual (Sprint-Caballero V6-231 3.8L (1982))
Toys & Accessories - Mega - Spiderman 3 - Sandman Bank Heist, 2004
Alfa Romeo - MiTo - Brochure - (2008)
Alfa Romeo - Giulia - Parts Catalogue - 2016 - 2016
Summary of Content
Cop Alfa Giulietta NL QUAD 12/03/14 08.58 Pagina 1 NEDERLANDS Alfa Services INSTRUCTIEBOEKJE Cop Alfa Giulietta NL QUAD 12/03/14 08.58 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Wij hebben uw auto ontworpen en gebouwd en kennen er dan ook werkelijk elk detail en onderdeel van. In de erkende Alfa Romeo Service garages bieden rechtstreeks door ons opgeleide technici u kwaliteit en professionaliteit voor alle onderhoudswerken. De Alfa Romeo garages staan altijd tot uw beschikking voor het periodieke onderhoud, de seizoenscontroles en voor praktische adviezen door onze deskundigen. Met de Originele Alfa Romeo-onderdelen behoudt u steeds de betrouwbaarheid, het comfort en de prestaties van uw nieuwe wagen: daarvoor heeft u ook voor deze wagen gekozen. Vraag altijd om Originele Onderdelen voor de componenten in onze auto's; wij bevelen u deze aan omdat ze het resultaat zijn van ons engagement bij de research en de ontwikkeling van uiterst innovatieve technologieën. Vertrouw daarom op Originele Onderdelen omdat zij alleen specifiek door Alfa Romeo voor uw auto ontworpen zijn. VEILIGHEID: REMSYSTEEM ECOLOGIE: ROETFILTERS, ONDERHOUD AIRCONDITIONING COMFORT: WIELOPHANGING EN RUITENWISSERS PERFORMANCE: BOUGIES, INSPUITVENTIELEN EN ACCU'S LINEACCESSORI: STANGEN IMPERIAAL, VELGEN Beste klant, Wij feliciteren u en bedanken u dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u te helpen alle kenmerken van de auto te leren kennen en hem op de beste manier te gebruiken. Wij raden aan het aandachtig door te lezen voordat u voor de eerste keer gaat rijden. Dit boekje bevat informatie, adviezen en belangrijke waarschuwingen voor een juist gebruik van de auto, zodat u het maximum uit de technologische eigenschappen van uw Alfa Romeo kunt halen. Dit boekje geeft tevens een beschrijving van de speciale kenmerken, essentiële informatie over het correcte onderhoud van uw Alfa Romeo, alsmede tips voor veilig rijden. Wij vragen u de waarschuwingen en aanwijzingen aandachtig te lezen die in de tekst gemarkeerd zijn met de volgende symbolen: veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; milieubescherming. OPMERKING Deze symbolen zijn, indien nodig, aan het einde van elke paragraaf weergegeven en gevolgd door een getal. Dat getal heeft betrekking op de overeenkomstige waarschuwing aan het einde van het betreffende deel. In het bijgevoegde Garantieboekje vindt u ook een beschrijving van de Diensten die Alfa Romeo haar klanten biedt, het Garantiecertificaat en de details van de voorwaarden om de geldigheid ervan te behouden. Wij zijn ervan overtuigd dat u met behulp van deze middelen spoedig vertrouwd zult raken met uw nieuwe auto en de service van de mensen bij Alfa Romeo zult waarderen. Veel leesplezier en een goede reis gewenst! In dit instructieboek zijn alle versies van de Alfa Romeo Giulietta beschreven; neem alstublieft uitsluitend de informatie in beschouwing die betrekking heeft op het uitrustingsniveau, de motor en de versie van uw auto. De gegevens in deze publicatie zijn slechts indicatief. FCA Italy S.p.A. kan op elk moment de in deze publicatie beschreven specificaties van het automodel om technische of commerciële redenen wijzigen. Neem voor meer informatie contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. VERPLICHT LEZEN! TANKEN Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die aan de Europese specificatie EN228 voldoet. Dieselmotoren: tank uitsluitend dieselolie die aan de Europese norm EN590 voldoet. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en derhalve de garantie voor de veroorzaakte schade ongeldig maken. DE MOTOR STARTEN Benzinemotoren: controleer of de handrem is aangetrokken, zet de versnellingspook in de vrijstand, trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal in te trappen, draai de contactsleutel naar de stand AVV en laat hem los zodra de motor start. Dieselmotoren: Draai en uitgaan. Draai vervolgens de contactsleutel naar AVV en laat de contactsleutel naar de stand MAR en wacht tot de lampjes hem los zodra de motor gestart is. PARKEREN BOVEN BRANDBAAR MATERIAAL De katalysator ontwikkelt tijdens zijn werking zeer hoge temperaturen. Parkeer de auto dus niet boven gras, dennennaalden of ander ontvlambaar materiaal: brandgevaar. MILIEUBESCHERMING Het voertuig is uitgerust met een diagnosesysteem dat continu controles uitvoert op de componenten die verband houden met de uitlaatgasemissie, om een betere bescherming van het milieu te garanderen. ELEKTRISCHE ACCESSOIRES Als na aanschaf van de auto besloten wordt om elektrische accessoires toe te voegen (met het risico dat de accu langzaam ontlaadt), neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Zij kunnen het totale stroomverbruik berekenen en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik. CODE-CARD(voor bepaalde versies/markten) Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. Houd de elektronische code van de CODE-card altijd bij de hand in het geval dat u een noodstart moet verrichten. GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD Een correct onderhoud van de auto is van essentieel belang om de prestaties en de veiligheid van de auto, zijn milieuvriendelijkheid en lage bedrijfskosten gedurende langere tijd te garanderen. HET INSTRUCTIEBOEKJE BEVAT... ... belangrijke informatie, tips en waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en onderhoud van uw auto. Besteed speciale aandacht aan de symbolen (veiligheid van de inzittenden) (milieubescherming) (toestand van de auto). Deze pagina is opzettelijk blanco gelaten 4 GRAFISCHE INDEX . 1 KOPLAMPEN ❒ Soorten gloeilampen ...........................190 ❒ Buitenverlichting ................................. 37 ❒ Lamp vervangen .................................188 WIELEN ❒ Velgen en banden ...............................251 ❒ Bandenspanning .................................254 A0K0620 ❒ Bandenreparatie .................................179 BUITENSPIEGELS ❒ Afstelling ............................................. 21 ❒ Inklappen ............................................ 22 MOTORKAP ❒ Openen/sluiten ................................... 62 RUITENWISSERS ❒ Wisserblad vervangen .........................228 PORTIEREN ❒ Gecentraliseerd openen/sluiten ........... 54 5 GRAFISCHE INDEX . 2 ACHTERLICHTEN ❒ Soorten gloeilampen ...........................190 ❒ Lamp vervangen .................................192 BAGAGERUIMTE ❒ Openen/sluiten ................................... 59 . 6 A0K0621 ACHTERRUITWISSER ❒ Wisserblad vervangen .........................228 2 11 10 9 1 6 8 7 3 LUCHTUITSTROOMOPENINGEN ❒ Klimaatregelsysteem........................... 23 LINKERHENDEL ❒ Buitenverlichting INSTRUMENTENPANEEL ❒ Instrumentenpaneel en boordinstrumenten .............................101 ❒ Controlelampjes ..................................107 RECHTERHENDEL ❒ Ruiten reinigen .................................... 41 UConnect Radio/UConnect Radio Nav (voor bepaalde versies/markten) A0K0661 AIRBAG PASSAGIERSZIJDE ❒ Werking ..............................................152 ❒ Mistachterlichten ................................. 47 ❒ iTPMS systeem (voor bepaalde versies/markten) ................................. 76 DASHBOARDKASTJE ❒ Openen .............................................. 49 STUURWIEL VERWARMING/ KLIMAATREGELSYSTEEM ❒ Afstelling ............................................. 20 ❒ Frontairbag bestuurderszijde ...............152 ❒ Klimaatcomfort ................................... 24 ❒ Handbediende klimaatregeling ............ 25 ❒ Automatische dual-zone klimaatregeling .................................... 29 CRUISE CONTROL HENDEL (voor bepaalde versies/markten) BEDIENINGSKNOPPEN ❒ Werking .............................................. 43 ❒ Portiervergrendeling ............................ 47 ❒ Mistlampen ......................................... 47 7 GRAFISCHE INDEX . 4 STOELEN ❒ Afstelling ............................................. 17 ALFA DNA SYSTEEM ❒ Werking .............................................. 70 HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK ❒ Gebruik van de versnellingsbak/ transmissie .........................................162 8 A0K0662 ALARMKNIPPERLICHTEN ❒ Werking .............................................. 47 HANDREM ❒ Inschakelen ........................................162 WEGWIJS IN UW AUTO Grondige kennis van uw nieuwe auto begint hier. In dit boekje is op eenvoudige en rechtstreekse wijze beschreven hoe uw auto gemaakt is en hoe hij werkt. Daarom adviseren u het comfortabel zittend in uw auto te lezen, dan kunt u met eigen ogen zien wat hier beschreven is. SYMBOLEN .................................... ALFA ROMEO CODE SYSTEEM ..... DE SLEUTELS ................................ DIEFSTALALARM............................ CONTACTSLOT .............................. STOELEN........................................ HOOFDSTEUNEN........................... STUURWIEL ................................... ACHTERUITKIJKSPIEGELS ............ KLIMAATREGELING........................ KLIMAATCOMFORT........................ HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING......................... AUTOMATISCHE DUAL-ZONE KLIMAATREGELING........................ BUITENVERLICHTING .................... RUITEN REINIGEN.......................... CRUISE-CONTROL......................... PLAFONDVERLICHTING................. BEDIENINGSELEMENTEN .............. INTERIEURUITRUSTING ................. ELEKTRISCH SCHUIFDAK.............. PORTIEREN.................................... ELEKTRISCHE RUITBEDIENING..... BAGAGERUIMTE ............................ MOTORKAP.................................... IMPERIAAL/SKIDRAGER ................ 10 10 11 14 16 17 19 20 21 23 24 25 29 37 40 43 45 47 49 52 54 57 59 62 63 KOPLAMPEN.................................. ESC-SYSTEEM ............................... “ALFA DNA”-SYSTEEM (DYNAMISCHE CONTROLE VAN DE AUTO) ....................................... START&STOP SYSTEEM ................ ITPMS (INDIRECT TYRE PRESSURE MONITORING SYSTEM) ........................................ EOBD-SYSTEEM (EUROPEAN ON BOARD DIAGNOSIS) ...................... DUAL PINION STUURBEKRACHTIGING................ INBOUWVOORBEREIDING VOOR AUTORADIO ................................... OPTIONELE ACCESSORIES .......... PARKEERSENSOREN..................... TANKEN.......................................... MILIEUBESCHERMING................... 64 65 70 73 76 78 79 80 80 82 85 87 9 WEGWIJS IN UW AUTO SYMBOLEN Sommige onderdelen van de auto zijn voorzien van gekleurde plaatjes met daarop symbolen die de voorzorgsmaatregelen aangeven die in acht genomen moeten worden wanneer het betreffende onderdeel wordt gebruikt. Onder de motorkap is tevens een plaatje aangebracht, waarop de betekenis van deze symbolen wordt toegelicht. ALFA ROMEO CODE SYSTEEM IN HET KORT Dit is een elektronische startblokkering die de beveiliging tegen diefstalpogingen verbetert. Het systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer de contactsleutel wordt verwijderd. In elke sleutel zit een elektronisch apparaatje dat het uitgezonden signaal, afkomstig van een antenne die in het contactslot is ingebouwd, kan identificeren wanneer de motor gestart wordt. Het signaal, dat elke keer dat de auto wordt gestart wijzigt, is het "wachtwoord" waarmee de regeleenheid de sleutel herkent en het starten van de motor vrijgeeft. 1) Werking Elke keer dat de motor wordt gestart door de sleutel naar de stand MAR te draaien, stuurt de regeleenheid van het Alfa Romeo CODE systeem een herkenningscode naar de motorregeleenheid om de startblokkering uit te schakelen. 10 Deze code wordt alleen verzonden als de regeleenheid van het Alfa Romeo CODE systeem de door de sleutel verstuurde code herkent. Elke keer dat de contactsleutel naar STOP wordt gedraaid, schakelt het Alfa Romeo CODE-systeem de functies van de elektronische motorregeleenheid uit. Onregelmatige werking Als de code tijdens het starten niet correct wordt herkend, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden (bij sommige versies verschijnt er een bericht samen met een symbool op het display). Draai in dit geval de sleutel naar STOP en vervolgens naar MAR; als de motor geblokkeerd blijft, probeer dan nogmaals met een van de andere geleverde sleutels. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk als de motor nog steeds niet gestart kan worden. Inschakeling van waarschuwingslampje tijdens het rijden ❒ Als het waarschuwingslampje gaat branden (of als het symbool op het display verschijnt), betekent dit dat het systeem een zelfdiagnose uitvoert (bijv. bij een spanningsval). DE SLEUTELS CODE-CARD (voor bepaalde versies/markten) De CODE-card fig. 5 wordt samen met de sleutels geleverd en vermeldt: ❒ Als het waarschuwingslampje blijft branden (of het symbool op het display blijft staan), neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 6 A0K0545 SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING (voor bepaalde versies/markten) Werking 5 BELANGRIJK 1) De elektronische onderdelen in de sleutels kunnen beschadigen als de sleutel aan sterke schokken wordt blootgesteld. Om een correcte werking van de elektronische componenten in de sleutel te garanderen, mag deze nooit aan direct zonlicht blootgesteld worden. A0K0544 ❒ A - elektronische code; ❒ B - mechanische code. Bewaar deze codes op een veilige plaats, maar niet in de auto. De metalen baard A bedient: ❒ het contactslot; ❒ de portiersloten. Druk op knop B om de metalen baard 1) in/uit te klappen. SLEUTEL ZONDER AFSTANDSBEDIENING Werking De metalen baard A fig. 6 bedient: ❒ het contactslot; ❒ de portiersloten. 7 A0K0546 11 WEGWIJS IN UW AUTO Portieren en slot van bagageruimte ontgrendelen Druk kort op knop : ontgrendeling van de portieren, tijdgestuurde inschakeling binnenverlichting en dubbel knipperen van de richtingaanwijzers (voor bepaalde versies/markten). De portieren worden automatisch ontgrendeld wanneer de afsluiter van de brandstoftoevoer ingrijpt. Als bij vergrendeling van de portieren, een of meerdere portieren of de achterklep niet correct gesloten zijn, beginnen de led en de richtingaanwijzers snel te knipperen. Als een of meer portieren open zijn, worden ze niet vergrendeld. Dit wordt aangegeven door het snel knipperen van de richtingaanwijzers (voor bepaalde versies/markten). De portieren worden vergrendeld ook als de achterklep open staat. Wanneer de portieren van binnen de auto worden vergrendeld (door te drukken op de knop op het dashboard), blijft de led continu branden. Wanneer een snelheid van meer dan 20 km/h wordt bereikt, worden de portieren automatisch vergrendeld als deze specifieke functie is ingesteld (alleen bij versies met multifunctioneel herconfigureerbaar display). om de Druk op de knop bagageruimte op afstand te openen. De richtingaanwijzers knipperen twee maal om aan te geven dat de bagageruimte geopend is. Wanneer de portieren van buiten de auto worden vergrendeld (met de afstandsbediening), gaat led A fig. 8 enkele seconden branden en daarna knipperen (bewakingsfunctie). EXTRA AFSTANDSBEDIENINGEN AANVRAGEN Portieren en slot van bagageruimte vergrendelen Druk kort op knop : vergrendeling van de portieren, tijdgestuurde uitschakeling binnenverlichting en een maal knipperen van de richtingaanwijzers (voor bepaalde versies/markten). 8 12 A0K0588 Bagageruimte openen Het systeem kan maximaal 8 sleutels met ingebouwde afstandsbediening herkennen. Als een nieuwe afstandsbediening nodig mocht zijn, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk en neem de CODE-card (voor bepaalde versies/ markten), een identiteitsbewijs en de autodocumenten die de eigendom aantonen mee. BATTERIJ VAN DE SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN Procedure 1) ❒ druk op de knop A fig. 9 en klap de metalen baard B uit; draai de schroef C naar met een kleine schroevendraaier; ❒ trek de batterijhouder D naar buiten en vervang de batterij E met inachtneming van de juiste polariteit; plaats de batterijhouder D weer in de sleutel en draai schroef C naar . SAFE LOCK SYSTEEM (voor bepaalde versies/markten) Deze veiligheidsvoorziening verhindert de werking van de binnenhandgrepen en de toets voor vergrendeling/ ontgrendeling van de portieren. Wij adviseren om deze voorziening te activeren wanneer de auto geparkeerd wordt. Inschakeling van het systeem Het systeem wordt op alle portieren ingeschakeld door twee keer snel op de toets op de sleutel te drukken. Wanneer het systeem wordt ingeschakeld, gaan de richtingaanwijzers 3 maal knipperen en knippert de led op de knop fig. 8. Het systeem wordt niet ingeschakeld als een of meer portieren/deuren niet goed zijn gesloten. Het systeem uitschakelen 9 A0K0547 Het systeem wordt in de volgende gevallen automatisch uitgeschakeld: ❒ door de contactsleutel in het bestuurdersportier te steken en de sleutel rechtsom te draaien; ❒ door het indrukken van knop op de sleutel; ❒ door de contactsleutel naar de stand MAR te draaien. BELANGRIJK Als het safe lock systeem is ingeschakeld, dan is het niet meer mogelijk om de portieren vanuit het interieur te openen. Controleer daarom, voordat het voertuig wordt verlaten, of er niemand meer aan boord is. Wanneer de batterij van de afstandsbediening leeg is, kan het systeem alleen worden uitgeschakeld door de sleutel in een van beide portiersloten te steken en te draaien. BELANGRIJK 1) Druk knop B fig. 7 alleen in wanneer de sleutel ver genoeg van het lichaam (vooral de ogen) en van voorwerpen die snel beschadigen (bijvoorbeeld kleding) is verwijderd. Laat de sleutel niet onbeheerd achter, om te voorkomen dat mensen, met name kinderen, per ongeluk op de knop drukken. 13 WEGWIJS IN UW AUTO DIEFSTALALARM (voor bepaalde versies/markten) INSCHAKELING BELANGRIJK 1) Gebruikte batterijen kunnen schadelijk zijn voor het milieu als ze niet op de juiste wijze als afval verwerkt worden. Ze moeten overeenkomstig de wet in speciale bakken gedeponeerd worden. Ze kunnen ook ingeleverd worden bij het Alfa Romeo Servicenetwerk dat voor hun verwerking zal zorgen. Het alarm gaat onder de volgende omstandigheden af: ❒ wanneer een van de portieren, de laadruimte of de motorkap ongeoorloofd wordt geopend (omtrekbeveiliging); ❒ onjuiste bediening van het contactslot (contactsleutel in de stand MAR gedraaid); ❒ bij het loskoppelen van de accukabels; ❒ beweging in de inzittendenruimte (volumetrische beveiliging); ❒ abnormaal optillen/kantelen van de auto (voor bepaalde versies/ markten). De inschakeling van het alarm wordt aangegeven door een akoestisch en een visueel signaal (het knipperen van de richtingaanwijzers gedurende enkele seconden). De inschakelwijzen van het alarm kunnen variëren naargelang de markt. Er is een maximum aantal cycli voorzien voor de geluidssignalen en de alarmknipperlichten. Na verloop van dit aantal cycli, zal het bewakingssysteem weer normaal functioneren. BELANGRIJK De startblokkering wordt verzekerd door de Alfa Romeo CODE die deze functie automatisch inschakelt wanneer de sleutel uit het contactslot wordt genomen. BELANGRIJK De werking van het diefstalalarm is marktgebonden en kan dus per land verschillen. INSCHAKELING VAN HET ALARM Richt, bij gesloten portieren, motorkap en achterklep en met de sleutel in de stand STOP of verwijderd, de sleutel met afstandsbediening op het voertuig druk op de toets en laat de toets los. Behalve bij specifieke markten, laat het systeem een geluidssignaal horen en wordt de portiervergrendeling geactiveerd. 14 Voordat het alarm wordt ingeschakeld, wordt een zelfdiagnose uitgevoerd: als een storing wordt gevonden, dan weerklinkt nogmaals een geluidssignaal en/of gaat de led op het dashboard branden. Als na inschakeling van het alarm een tweede geluidssignaal weerklinkt en/of de led op het dashboard gaat branden, wacht dan ongeveer 4 seconden en zet het alarm uit door te drukken op de knop, controleer of alle portieren, de motorkap en de bagageruimte correct vergrendeld zijn en schakel het systeem opnieuw in door te drukken op de knop. Wanneer, zelfs bij goed gesloten portieren, motorkap en bagageruimte, het geluidssignaal klinkt, dan is er een storing in de werking van het systeem gevonden, neem in dat geval contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ZELF-INSCHAKELEND ALARM (voor bepaalde versies/markten) Als het alarm niet ingeschakeld werd met behulp van de afstandsbediening, als er ongeveer 30 seconden verstreken zijn nadat de contactsleutel op STOP werd gedraaid en een deur of de achterklep voor het laatst geopend en gesloten werd, wordt het alarm automatisch ingeschakeld. Dit wordt aangegeven door het knipperen van de led op knop A fig. 10 en de hiervoor beschreven aanwijzingen voor inschakeling. Om het alarm uit te schakelen op de toets met het op de afstandsbediening drukken. Het alarm wordt ook ingeschakeld als de deuren worden afgesloten met de metalen baard van de sleutel in het slot van het bestuurdersportier. Als het systeem zichzelf inschakelt, worden de deuren niet afgesloten. UITSCHAKELING VAN HET ALARM Druk op toets . De volgende handelingen worden verricht (uitgezonderd enkele markten): ❒ er worden twee geluidssignalen voortgebracht; ❒ de portieren worden ontgrendeld. BELANGRIJK Wanneer de portieren met de metalen baard van de sleutel centraal worden ontgrendeld, wordt het alarm niet uitgeschakeld. VOLUMETRISCHE BEVEILIGING EN HELLINGSHOEKDETECTIE Om de juiste werking van deze beveiligingsfuncties te verzekeren, sluit de zijruiten en het schuifdak compleet (voor bepaalde versies/markten). Om de functie uit te schakelen, op knop A fig. 10 drukken voordat het alarm geactiveerd wordt. Wanneer de functie is uitgeschakeld, wordt dit aangegeven door het, gedurende enkele seconden, knipperen van de led op de knop. Elke uitschakeling van de volumetrische beveiliging en de hellingshoekdetectie moet worden herhaald telkens het instrumentenpaneel wordt uitgeschakeld. ❒ de richtingaanwijzers knipperen twee maal kort; 15 WEGWIJS IN UW AUTO 10 A0K0548 BUITEN WERKING STELLEN VAN HET ALARM CONTACTSLOT STUURSLOT De sleutel kan naar 3 standen worden gedraaid: fig. 11: Inschakeling ❒ STOP: motor uit, sleutel kan verwijderd worden en stuur geblokkeerd. Sommige elektrische apparaten (bijv. autoradio, centrale portiervergrendeling, alarm enz.) kunnen blijven werken ❒ MAR: rijstand. Alle elektrische apparaten/systemen kunnen werken; Draai het stuur enigszins en draai de contactsleutel naar de stand MAR. 4) 5) BELANGRIJK 2) Als er geknoeid is aan het contactslot (bijv. een poging tot diefstal), laat het dan zo snel mogelijk door het Alfa Romeo Servicenetwerk controleren. 11 A0K0362 Het contactslot is voorzien van een beveiliging: als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet de sleutel teruggedraaid worden naar de stand STOP om opnieuw te kunnen starten. 2) 3) 16 Uitschakeling: ❒ AVV: motor starten. Om het diefstalalarm volledig buiten werking te stellen (bijv. als het voertuig lang niet wordt gebruikt), het voertuig afsluiten door de metalen baard van de sleutel met afstandsbediening in het slot om te draaien. BELANGRIJK Als de batterijen van de sleutel met afstandsbediening leeg zijn, of als er een storing in het systeem is vastgesteld, dan kan het alarm buiten werking worden gesteld door de sleutel in het contactslot te steken en hem in de stand MAR te draaien. Draai de sleutel naar de stand STOP, verwijder de sleutel en verdraai het stuurwiel tot het vergrendelt. 3) Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als de auto wordt verlaten, om onverhoeds gebruik van de bedieningselementen te voorkomen. Vergeet niet de handrem aan te trekken. Schakel de 1e versnelling in als de auto op een helling omhoog staat geparkeerd en de achteruitversnelling bij een helling omlaag. Laat kinderen nooit zonder toezicht in de auto achter. 4) Het is ten strengste verboden om aftermarket-werkzaamheden uit te voeren waarbij wijzigingen aan de stuurinrichting of de stuurkolom betrokken zijn (bijv.: installatie van een alarmsysteem). Zulke werkzaamheden kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar brengen waardoor het voertuig niet meer aan de typegoedkeuring voldoet. STOELEN Afstelling in de hoogte (voor bepaalde versies/markten) VOORSTOELEN Verplaats hendel B fig. 12 naar boven of naar beneden tot de gewenste hoogte is bereikt. Verstellen in lengterichting Trek hendel A fig. 12 omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren: in de rijstand moeten de armen op de rand van het stuurwiel rusten. BELANGRIJK Deze verstelling is alleen mogelijk als men op de bestuurdersstoel zit. Afstelling rugleuning 6) 7) Draai aan knop C fig. 12 tot de gewenste stand is bereikt. 5) Verwijder de sleutel nooit terwijl de auto rijdt. Het stuurwiel zal blokkeren zodra eraan gedraaid wordt. Dit geldt ook voor auto's die gesleept worden. 8) Stoelverwarming (voor bepaalde versies/markten) Draai de sleutel naar de stand MAR en druk op knop A fig. 13 om de functie in/uit te schakelen. Wanneer de functie ingeschakeld wordt, gaat de led op de knop branden. Elektrisch verstelbare lendensteun (voor bepaalde versies/markten) Draai de sleutel naar de stand MAR en druk op knop B fig. 13 om de functie in/uit te schakelen. 12 A0K0366 17 WEGWIJS IN UW AUTO Multifunctionele bediening A: B: Verstelling hoek rugleuning en lendensteun; Het opslaan en oproepen is mogelijk met de contactsleutel in de stand MAR en gedurende 3 minuten na het bestuurdersportier te hebben geopend of zolang het portier gesloten is, ook met de contactsleutel in de stand STOP. C: Geheugenknoppen stand bestuurdersstoel. De opslag van de stand wordt bevestigd door een geluidssignaal. ❒ hoogteverstelling van de stoel (verticale stoelverstelling); ❒ stoelverstelling in lengterichting; 13 A0K0213 BELANGRIJK De elektrische verstelling werkt alleen met de contactsleutel in de stand MAR en gedurende circa 1 minuut nadat de contactsleutel naar de stand STOP is gedraaid. De stoel kan versteld worden gedurende ongeveer 3 minuten na het portier te hebben geopend, of tot het portier gesloten is. Wanneer de functie ingeschakeld wordt, gaat de led op de knop branden. VOORSTOELEN MET ELEKTRISCHE VERSTELLING (voor bepaalde versies/markten) De bedieningselementen om de stoel te verstellen zijn fig. 14: De standen van de bestuurdersstoel in het geheugen opslaan Met de knoppen C kunnen drie verschillende standen van de bestuurdersstoel worden opgeslagen en opgeroepen. Ga als volgt te werk om een stoelstand op te slaan: gebruik de bedieningselementen om de stoel te verstellen en houd de knop enkele seconden ingedrukt wanneer de gewenste stand is bereikt die u wilt opslaan. Wanneer een nieuwe stoelstand wordt opgeslagen, wordt de stoelstand die voorheen met dezelfde knop werd opgeslagen automatisch overschreven. Het oproepen van een stoelstand is ook mogelijk gedurende ongeveer 3 minuten nadat de portieren zijn geopend en ongeveer 1 minuut nadat de contactsleutel naar de stand STOP is gedraaid. Druk kortstondig op de betreffende knop om een opgeslagen stand op te roepen. 14 18 A0K0214 STOELVERWARMING (voor bepaalde versies/markten) HOOFDSTEUNEN Draai de sleutel naar de stand MAR en draai aan draaischakelaar A fig. 15 om de functie in/uit te schakelen. VOOR BELANGRIJK 6) Alle instellingen mogen alleen bij stilstaande auto uitgevoerd worden. 15 A0K0215 De verwarming kan ingesteld worden op 3 verschillende niveaus (0 = stoelverwarming uit). 7) Controleer na het loslaten van de hendel of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven. Als de stoel niet goed op zijn plaats is vergrendeld zou dat kunnen leiden tot plotselinge verplaatsing van de stoel waardoor de bestuurder de controle over het voertuig verliest. Deze zijn in hoogte verstelbaar en worden automatisch in de gewenste stand vergrendeld. Ga voor de hoogteverstelling als volgt 9) te werk: ❒ omhoog verstellen: breng de hoofdsteun omhoog tot deze op zijn plaats vastklikt; ❒ omlaag verstellen: druk op knop A fig. 16 en breng de hoofdsteun omlaag. 8) Voor optimale bescherming moet de rugleuning rechtop gezet worden, moet men goed tegen de rugleuning aanzitten en moet de gordel goed aansluiten op de borst en het bekken. 16 A0K0624 Ga als volgt te werk om de hoofdsteunen te verwijderen: ❒ trek de hoofdsteunen tot hun maximumhoogte uit; ❒ druk op de knoppen A en B fig. 16 en verwijder de hoofdsteunen door ze omhoog te trekken. 19 WEGWIJS IN UW AUTO “Anti-Whiplash” voorziening STUURWIEL De hoofdsteunen zijn uitgerust met een “Anti-Whiplash” voorziening, die de afstand tussen hoofd en hoofdsteun bij een botsing achterop vermindert, waardoor het zweepslageffect wordt afgezwakt. Het stuurwiel kan axiaal en in verticale richting worden versteld. De hoofdsteun kan bewegen wanneer de leuning door het lichaam of de hand van de inzittende wordt ingedrukt: dit gedrag is normaal voor het systeem en mag niet als een storing worden beschouwd. ACHTER De achterbank is voorzien van twee in hoogte verstelbare hoofdsteunen (zie de vorige paragraaf voor de verstelling). Bij sommige versies is er ook een hoofdsteun voor de middelste zitplaats. Ga als volgt te werk om de hoofdsteunen te verwijderen: ❒ trek de hoofdsteunen tot hun maximumhoogte uit; ❒ druk op de knoppen A en B fig. 17 en verwijder de hoofdsteunen door ze omhoog te trekken. 20 Om het stuurwiel te verstellen: duw de hendel naar voren (stand 1 fig. 18) en verstel het stuurwiel. Trek na het verstellen hendel A naar het stuur (stand 2) om hem te vergrendelen. 17 10) 11) A0K0625 OPMERKING De "Quadrifoglio Verde" versies zijn uitgerust met een stuurwiel in de sportconfiguratie. BELANGRIJK 9) De hoofdsteunen moeten zodanig versteld worden dat het hoofd en niet de nek er tegenaan steunt. Alleen op deze manier oefenen ze hun beschermende werking uit. 18 A0K0700 BELANGRIJK 10) De afstelling van het stuurwiel mag uitsluitend gebeuren bij stilstaande auto en afgezette motor. 11) After-market werkzaamheden waarbij wijzigingen van de stuurinrichting of de stuurkolom betrokken zijn (bv. bij montage van een alarmsysteem) zijn ten strengste verboden. Dergelijke werkzaamheden kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar brengen waardoor de auto niet meer aan de typegoedkeuring voldoet. ACHTERUITKIJK SPIEGELS Elektronisch dimbare achteruitkijkspiegel (voor bepaalde versies/markten) BINNENSPIEGEL De elektrochromische binnenspiegel fig. 20 is voorzien van een afstelinrichting om verblinding door achterliggers automatisch te voorkomen. Deze functie is standaard ingesteld. De binnenspiegel kan in twee standen worden gezet: normaal of antiverblindingsstand. Verstellen De binnenspiegel moet vanaf de normale stand worden versteld, met de hendel A fig. 19 naar de voorruit gericht (dagstand). Om verblinding door achterliggers te voorkomen, kan de spiegel in de anti-verblindingsstand worden gezet door de hendel A naar de achterkant van de auto te verstellen. 20 A0K0550 Bij inschakeling van de achteruit, wordt de spiegel automatisch ingesteld op de dagstand. Bij inschakeling van de achteruit, wordt de spiegel automatisch ingesteld op de dagstand. 19 A0K0549 21 WEGWIJS IN UW AUTO BUITENSPIEGELS Elektrisch inklappen (voor bepaalde versies/markten) Elektrische verstelling De spiegels kunnen alleen worden versteld met de contactsleutel in de stand MAR. Om de spiegels in te klappen op knop C fig. 21drukken. Druk nogmaals op de knop om de buitenspiegels weer in de rijstand te zetten. Kies de gewenste spiegel met knop A 12): fig. 21 Handmatig inklappen Klap indien nodig de buitenspiegels in door ze van stand 1 in stand 2 te zettenfig. 22. 21 A0K0551 ❒ knop in stand 1: linker spiegel gekozen ❒ knop in stand 2: rechter spiegel gekozen. Hierna kan de gekozen spiegel worden versteld door knop B in de richting van de pijlen te bewegen. BELANGRIJK Zet na het afstellen de knop A in de stand 0 om onverwachtse bediening van de elektrische ruitbediening te voorkomen. 22 22 BELANGRIJK Rijd alleen met de buitenspiegels in stand 1. A0K0552 BELANGRIJK 12) De buitenspiegel is bolvormig; hierdoor wordt de afstandswaarneming enigszins vertekend. KLIMAATREGELING LUCHTROOSTER ACHTER (voor bepaalde versies/markten) LUCHTROOSTERS AAN ZIJKANT Gebruik het schuifje A fig. 26 om de luchtroosters in de gewenste stand te zetten. A fig. 23 - Verstelbare en richtbare luchtroosters aan zijkant: ❒ gebruik het schuifje B om het luchtrooster in de gewenste stand te zetten; ❒ draai het wieltje C naar links om de luchtopbrengst te regelen. 24 A0K0604 LUCHTROOSTERS BOVEN A fig. 25 - Verstelbare luchtroosters boven. Draai de wieltjes B naar rechts om de luchtopbrengst te regelen. 26 A0K0606 Draai wieltje B naar rechts om de luchtopbrengst te regelen. = Volledig gesloten = Volledig open 23 A0K0603 D - Vaste uitstroomopening aan zijkant. LUCHTROOSTERS IN HET MIDDEN Gebruik het schuifje A fig. 24 om de luchtroosters in de gewenste stand te zetten. 25 A0K0605 C - Vaste uitstroomopening boven. Draai de wieltjes B omlaag om de luchtopbrengst te regelen. 23 WEGWIJS IN UW AUTO KLIMAATCOMFORT UITSTROOMOPENINGEN/ROOSTERS 27 A0K0602 1. Bovenste vaste uitstroomopening – 2. Bovenste vaste uitstroomopeningen – 3. Vaste luchtrooster aan zijkant – 4. Verstelbare luchtroosters aan zijkant – 5. Verstelbare luchtroosters in het midden – 6. Onderste uitstroomopeningen voor achterstoelen – 7. Verstelbare luchtroosters voor achterstoelen (voor bepaalde versies/markten) – 8. Onderste luchtroosters voor voorstoelen 24 HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING . BEDIENINGSELEMENTEN 28 A0K0553 A - Draaiknop regeling luchttemperatuur: C - draaiknop inschakeling/regeling ventilatorsnelheid: E - draaiknop voor de luchtverdeling: ❒ blauwe gebied = koude lucht ❒ 0 = ventilator uitgeschakeld ❒ rode gebied = warme lucht ❒ 1-2-3-4-5-6 = ventilatorsnelheid ❒ snelle ontwaseming van voorruit en zijruiten B - aan/uit knop klimaatregeling; D - aan/uit knop achterruitverwarming; F - aan/uit knop luchtrecirculatie ❒ diverse instellingen zijn mogelijk 25 WEGWIJS IN UW AUTO KLIMAATREGELING (koeling) VERWARMING VAN HET INTERIEUR Ga als volgt te werk om te koelen: Ga als volgt te werk om het interieur snel te verwarmen: ❒ draai knop A naar het blauwe gebied; ❒ druk op knop F om de interne luchtrecirculatie in te schakelen (ronde led rond de knop aan); ❒ draai de knop E naar ; ❒ druk op knop B om de klimaatregeling in te schakelen en zet knop C ten minste op 1 (1e snelheid); voor een hogere ventilatorsnelheid, knop C op 6 (maximum ventilatorsnelheid) zetten. Koelregeling Ga als volgt te werk: ❒ draai knop A naar rechts om de temperatuur te verhogen; ❒ druk op de knop F om de interne luchtrecirculatie uit te schakelen (ronde led rond de knop uit); ❒ verstel de draaiknop C om de ventilatorsnelheid te verlagen. ❒ draai de knop A naar het rode gebied; ❒ druk op knop F om de interne luchtrecirculatie in te schakelen; ❒ draai de knop E naar ; ❒ zet de draaiknop C op 6 (maximum ventilatorsnelheid). Kies vervolgens een stand om de gewenste comfortsituatie te behouden en druk op knop F om de interne luchtrecirculatie uit te schakelen (ronde led rond de knop uit) en zodoende beslagen ruiten te voorkomen. BELANGRIJK Bij koude motor duurt het enkele minuten om een snelle verwarming van het interieur te bekomen. AUTOMATISCH ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN (MAX-DEF functie) Deze functie zorgt voor het automatisch ontwasemen/ontdooien van de: ruiten voor (voorruit en zijruiten), verwarmde sproeiers, verwarmde buitenspiegels. 26 Om de functie in te schakelen, zet de draaiknop E op het teken “Ontdooiing” die is aangegeven met . De handbediende klimaatregeling past zich automatisch aan de volgende instellingen aan: gaat oranje ❒ het teken ontdooiing i.p.v. rood branden (om aan te geven dat de functie is ingeschakeld); ❒ de achterruitverwarming (en alle ontdooisystemen van de auto) worden ingeschakeld. De ronde led knop gaat branden rond de om aan te geven dat de functie is ingeschakeld; ❒ de luchtstroom wordt ingesteld op de maximumsnelheid (6); ❒ de luchtcirculatie wordt geopend, indien eerder gesloten (de ronde led rond de betreffende knop is uit); ❒ het luchtmengsel wordt ingesteld op “maximum hitte”; ❒ de extra verwarming (voor bepaalde versies/markten) wordt ingeschakeld; ❒ de compressor wordt ingeschakeld (de ronde led brandt wanneer de AC-functie aan is). Ruiten ontwasemen De klimaatregeling is erg nuttig om het beslaan van de ruiten te voorkomen bij grote luchtvochtigheid. Wanneer het buiten uiterst vochtig is en/of bij regen en/of bij grote verschillen tussen de interieur- en de buitentemperatuur, is de volgende procedure aanbevolen om te voorkomen dat de ruiten beslaan: ❒ draai de knop A naar het rode gebied; ❒ druk op de knop F om de interne luchtrecirculatie uit te schakelen (ronde led rond de knop uit); met de ❒ draaiknop E op mogelijkheid om hem op stand (B) te zetten als de ruiten niet worden ontwasemd; BELANGRIJK Plak geen stickers op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging en mogelijk defect ervan te voorkomen. INTERNE LUCHTRECIRCULATIE Druk op knop F ( ) zodat de leds rond de knop gaan branden. Geadviseerd wordt de interne luchtrecirculatie in te schakelen in de file of in tunnels, om te voorkomen dat vervuilde lucht in het interieur komt. Gebruik de functie niet langdurig, vooral als er meerdere passagiers aan boord zijn, om beslagen ruiten te voorkomen. BELANGRIJK Met de interne luchtrecirculatie kan de gewenste toestand (verwarming of koeling, ❒ draai knop C naar de2e snelheid. afhankelijk van de keuze) sneller bereikt worden. Het wordt echter afgeraden ACHTERRUITVERWARMING/ de luchtrecirculatie in te schakelen op RUITONTWASEMING regenachtige of koude dagen om beslagen ruiten te voorkomen. Druk op knop D ( ) om de functie in/uit te schakelen. De functie wordt na ongeveer 20 minuten automatisch uitgeschakeld. Voor bepaalde versies/markten, druk knop om de verwarmde op de buitenspiegels en de verwarming voor de sproeiers in te schakelen (voor bepaalde versies/markten). REGELING LUCHTVERDELING Draai aan knop E om handmatig een van de vier luchtverdelingsinstellingen voor het interieur te selecteren: Luchtstroom naar de uitstroomopeningen van de voorruit en de voorste zijruiten om deze te ontwasemen of te ontdooien. Luchtstroom naar de uitstroomopeningen voor de beenruimten voor en achter. Deze luchtverdeling zorgt voor een snelle verwarming van het interieur. Luchtstroomverdeling tussen uitstroomopeningen voor en achter, roosters midden/zijkanten dashboard, uitstroomopening achter, uitstroomopeningen voor ontwasemen/ontdooien voorruit en voorste zijruiten. Luchtstroomverdeling naar roosters midden/zijkanten dashboard (lichaam passagier). 27 WEGWIJS IN UW AUTO Stand C: Luchtstroomverdeling tussen luchtroosters beenruimten (hetere lucht) en roosters midden/zijkanten dashboard en achterste luchtrooster (koelere lucht). Stand D: Automatisch ontwasemen/ontdooien inschakelen (zie beschrijving op de vorige pagina's). Er zijn nog 4 andere posities (zie onderstaande schema fig. 29): START&STOP 29 A0K0554 Stand A: Luchtstroomverdeling tussen luchtroosters midden/ zijkanten dashboard, luchtrooster achter en luchtroosters voor ontwasemen/ontdooien voorruit en voorste zijruiten. Deze instelling van de verdeling biedt een doeltreffende ventilatie van het interieur en voorkomt dat de ruiten beslaan. Stand B: Luchtstroom verdeeld over luchtroosters beenruimten en luchtroosters voor ontwasemen/ ontdooien voorruit/voorste zijruiten. Deze luchtverdeling zorgt voor een snelle verwarming van het interieur en voorkomt dat de ruiten beslaan. 28 Handbediende airconditioning Wanneer de Start&Stop-functie werkt (motor afgezet bij voertuigsnelheid nul), behoudt het systeem de luchtstroom die door de gebruiker is ingesteld. Onder deze omstandigheden, kan het koelen en verwarmen van het interieur niet worden verzekerd, doordat de compressor samen met de koelvloeistofpomp wordt uitgeschakeld. De Start&Stop-functie kan worden uitgeschakeld om de werking van de regeleenheid van het klimaatregelsysteem te verbeteren door op de betreffende knop op het dashboard te drukken. ONDERHOUD Schakel in de winter de airconditioning minstens eens per maand circa 10 minuten in. Laat vóór het begin van het zomerseizoen het systeem controleren door het Alfa Romeo Servicenetwerk. AUTOMATISCHE DUAL-ZONE KLIMAATREGELING (voor bepaalde versies/markten) . BEDIENINGSELEMENTEN 30 A0K0555 A - draaiknop regeling luchttemperatuur; C - aan/uit knop compressor van klimaatregeling; F - draaiknop regeling ventilatorsnelheid; B - aan/uit knop interne luchtrecirculatie; D - aan/uit knop achterruitverwarming ; G - LED-meter ventilatorsnelheid; E - aan/uit knop klimaatregeling; 29 WEGWIJS IN UW AUTO H - selectieknoppen voor handmatige luchtdistributie; De automatisch gecontroleerde parameters en functies zijn: I - aan/uit knop MAX-DEF functie (snel ontwasemen/ontdooien van de ruiten voor), achterruitverwarming en verwarmde buitenspiegels (voor bepaalde versies/markten); ❒ luchttemperatuur uit de luchtroosters aan bestuurderszijde/passagierszijde voor; L - draaiknop regeling luchttemperatuur passagierszijde; M - Knop voor inschakeling MONO functie (uitlijnen van de ingestelde temperaturen) bestuurderszijde/ passagierszijde; N - Knop voor inschakeling AUTO functie (automatische werking). BESCHRIJVING De automatische dual-zone klimaatregeling zorgt voor een aparte temperatuurregeling in twee zones: bestuurderszijde en passagierszijde. Het systeem zorgt voor het behoud van het comfort en compenseert eventuele schommelingen door de klimaatomstandigheden. Opmerking De referentietemperatuur is 22°C voor een optimale comfortregeling. 30 ❒ luchtverdeling naar de luchtroosters aan bestuurderszijde/passagierszijde voor; ❒ ventilatorsnelheid (traploze regeling van de luchtstroom); ❒ inschakeling van de compressor (voor koelen/ontvochtigen van de lucht); ❒ luchtrecirculatie. Al deze functies kunnen handmatig worden versteld door het systeem te gebruiken en door een of meer functies te kiezen en de betreffende parameters te wijzigen. Hierbij wordt echter de automatische regeling van de functies die handmatig zijn gewijzigd uitgeschakeld: het systeem grijpt alleen in om veiligheidsredenen. De handmatige instellingen hebben altijd voorrang boven de automatische instellingen en blijven opgeslagen tot de AUTO knop wordt ingedrukt, behalve in de gevallen dat het systeem om veiligheidsredenen ingrijpt. Als men handmatig een functie aanpast, blijven de andere functies automatisch geregeld. De hoeveelheid lucht die in het interieur wordt gevoerd houdt geen verband met de snelheid van de auto; deze wordt elektronisch geregeld door de ventilator. De temperatuur van de toegevoerde lucht wordt altijd automatisch geregeld op basis van de op het display ingestelde temperatuur (behalve wanneer het systeem is uitgeschakeld of onder bepaalde omstandigheden waarin de compressor is 2) uitgeschakeld). Het systeem biedt handmatige instelling van de volgende parameters en functies: ❒ luchttemperatuur aan bestuurderszijde/passagierszijde voor; ❒ ventilatorsnelheid (traploze regeling); ❒ luchtverdeling met 7 standen; ❒ inschakelen van de compressor; ❒ snel ontwasemen/ontdooien; ❒ luchtrecirculatie; ❒ achterruitverwarming; ❒ uitschakeling van het systeem. WERKWIJZEN KLIMAATREGELSYSTEEM Het systeem kan op verschillende manieren ingeschakeld worden: het verdient echter aanbeveling op de AUTO-knop te drukken en de draaiknoppen te gebruiken om de gewenste temperatuur in te stellen. Op die manier wordt de temperatuur, de hoeveelheid en de verdeling van de lucht in het interieur volledig automatisch door het systeem geregeld. Het systeem regelt ook de luchtrecirculatie en de inschakeling van de aircocompressor. Tijdens de automatische werking van het systeem, kan men op elk ogenblik de ingestelde temperatuur, de luchtdistributie en de ventilatorsnelheid wijzigen d.m.v. de betreffende knoppen: het systeem past automatisch de eigen instellingen aan aan de nieuwe instellingen. Wanneer tijdens de automatische werking (AUTO) de luchtdistributie en/of de luchtopbrengst gewijzigd worden en/of de inschakeling van de compressor en/of de recirculatie, dan verdwijnt de melding AUTO. Wanneer tijdens de volledige automatische werking (FULL AUTO) de luchtdistributie en/of de luchtopbrengst gewijzigd worden en/of de inschakeling van de compressor en/of de recirculatie, dan verdwijnt de melding FULL. Op die manier regelt het klimaatregelsysteem alle functies automatisch, uitgezonderd de functies die handmatig werden versteld. De ventilatorsnelheid is gelijk voor alle zones in de passagiersruimte. REGELING LUCHTTEMPERATUUR Draai de knop A of L naar rechts of naar links om de luchttemperatuur te regelen: knop A voor de zone linksvoor, knop L voor de zone rechtsvoor in het interieur. De ingestelde temperaturen worden op de displays weergegeven. Druk op de knop MONO om de temperatuur tussen de twee zones uit te lijnen. Draai aan de knop L om terug te keren naar gescheiden beheer van luchttemperaturen in de twee zones. Draai de knoppen helemaal naar rechts of links om respectievelijk de functie HI (maximaal verwarming) of LO (maximale koeling) in te schakelen. Draai aan de knop om deze functies uit te schakelen en om de gewenste temperatuur in te stellen. REGELING LUCHTVERDELING Door op een van de knoppen ( / / ) te drukken, kan handmatig een van de 7 instellingen voor de luchtverdeling worden gekozen: Luchtstroom naar de uitstroomopeningen van de voorruit en de voorste zijruiten om deze te ontwasemen of te ontdooien. Luchtstroom naar de uitstroomopeningen in het midden en aan de zijkant van het dashboard om de borst en het gelaat tijdens het warme seizoen te verkoelen. Luchtstroom naar de uitstroomopeningen voor de beenruimten voor en achter. Deze luchtverdeling zorgt voor een snelle verwarming van het interieur, waardoor onmiddellijk een behaaglijk gevoel wordt verkregen. 31 WEGWIJS IN UW AUTO Luchtstroomverdeling tussen uitstroomopeningen beenruimten (hetere lucht) en roosters midden/zijkanten dashboard (koelere lucht). Deze luchtdistributie is bijzonder nuttig in het voor- en het najaar en op zonnige dagen. Luchtstroom verdeeld over uitstroomopeningen beenruimten en uitstroomopeningen voor ontwasemen/ontdooien voorruit/voorste zijruiten. Deze luchtverdeling zorgt voor een snelle verwarming van het interieur en voorkomt dat de ruiten beslaan. Luchtstroomverdeling tussen de uitstroomopeningen voor ontwasemen/ontdooien voorruit en de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard. Zo kan de lucht op de voorruit worden gericht bij sterk zonlicht. Luchtstroomverdeling naar alle roosters van de auto. In de AUTO-modus wordt de luchtverdeling automatisch door het klimaatregelsysteem geregeld (de leds op de knoppen H zijn uit). Bij handmatige bediening wordt de ingestelde luchtverdeling aangegeven door de leds op de betreffende knoppen. Bij de gecombineerde functiemodus, wordt bij bediening van een knop de betreffende functie gelijktijdig met de reeds ingestelde functies geactiveerd. Als een knop wordt ingedrukt waarvan de functie reeds actief is, wordt de werking geannuleerd en gaat de betreffende led op de knop uit. Druk op de AUTO-knop om de automatische regeling van de luchtverdeling na een handmatige instelling te herstellen. REGELING VENTILATORSNELHEID Gebruik de knop F om de ventilatorsnelheid te verhogen/verlagen. De ventilatorsnelheid wordt aangegeven door het aangaan van de leds G op knop F. ❒ maximum ventilatorsnelheid = alle leds branden; ❒ minimum ventilatorsnelheid = één led brandt. 32 De ventilator kan alleen uitgeschakeld worden als de aircocompressor is uitgeschakeld met behulp van de knop C. BELANGRIJK Druk op de AUTO-knop om de automatische werking van de ventilatorsnelheid na een handmatige instelling te herstellen. AUTO-KNOP Druk op de AUTO-knop (de led op de knop gaat branden) om de automatische regeling van de volgende instellingen in beide zones in te schakelen: ❒ hoeveelheid en de verdeling van de lucht in het interieur; ❒ aircocompressor; ❒ luchtrecirculatie ❒ alle vorige handmatige instellingen worden gewist. Dit wordt aangegeven met een brandende led op de AUTO knop. Als minstens een van de automatisch door het systeem geregelde functies (luchtrecirculatie, luchtverdeling, ventilatorsnelheid of uitschakeling van de aircocompressor) met de hand gewijzigd wordt, gaat de led uit om aan te geven dat het klimaatregelsysteem niet meer automatisch alle functies regelt. BELANGRIJK Als het systeem de verlangde comfortsituatie in het interieur niet meer kan garanderen, dan gaat de ingestelde temperatuur enkele seconden op de display knipperen. Druk op de AUTO-knop om de automatische werking na een of meer handmatige instellingen te herstellen. MONO-KNOP Druk op de MONO-knop (led op de knop brandt) om de luchttemperatuur aan passagierszijde uit te lijnen met die aan de bestuurderszijde. Deze functie zorgt voor een eenvoudigere temperatuurregeling wanneer de bestuurder de enige inzittende is. Gebruik de draaiknop L om de luchttemperatuur aan passagierszijde in te stellen en terug te keren naar de gescheiden regeling van de luchttemperatuur. LUCHTRECIRCULATIE EN INSCHAKELING VAN DE AQS-FUNCTIE (Air Quality System) (voor bepaalde versies/markten) De luchtrecirculatie kan op de volgende manieren worden uitgevoerd: ❒ automatische inschakeling: tekst A op knop B brandt; ❒ geforceerde inschakeling (interne luchtrecirculatie altijd ingeschakeld): aangegeven door de led op de knop en opschrift A uit; ❒ geforceerde uitschakeling (luchtrecirculatie altijd uitgeschakeld, lucht van buitenaf toegevoerd): aangegeven door gedoofde led op knoppen A en de knoppen opschrift A op knop B uit. Geforceerde in-/uitschakeling kan in te gekozen worden door knop drukken. wordt ingedrukt Wanneer de knop (knop E uit), schakelt de klimaatregeling automatisch de interne luchtrecirculatie A brandt). Het in (led op knop blijft mogelijk om de recirculatie van de buitenlucht in te schakelen (led op de knop is uit) en andersom, door het indrukken van knop . De AQS-functie (Air Quality System) (voor bepaalde versies/markten) kan niet worden uitgeschakeld als de knop wordt ingedrukt (LED op knop E uit). Inschakeling AQSfunctie (Air Quality System) (voor bepaalde versies/markten) De AQS-functie schakelt automatisch de luchtrecirculatie in wanneer de buitenlucht vervuild is (bijv. in de file en in tunnels). BELANGRIJK Bij ingeschakelde AQS-functie, activeert het systeem na een vooringesteld tijdsinterval de onafgebroken werking van de interne luchtrecirculatie, gedurende circa 1 minuut de invoer van buitenlucht om de lucht in het interieur te verversen. Dit vindt ongeacht het verontreinigingsniveau van de buitenlucht plaats. 33 WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kan de verlangde comfortsituatie (verwarmen of koelen van het interieur) sneller worden bereikt. Het wordt echter afgeraden de luchtrecirculatie in te schakelen op regenachtige of koude dagen om beslagen ruiten te voorkomen, vooral als het aircosysteem niet is ingeschakeld. Bij lage buitentemperaturen wordt de recirculatie uitgezet (lucht wordt van buitenaf gevoerd) om beslagen ruiten te voorkomen. Wanneer de compressor wordt afgezet, wordt de luchtcirculatie uitgeschakeld om beslagen ruiten te voorkomen en wordt ook de AQS-functie uitgeschakeld (voor bepaalde versies/markten). In de automatische werking wordt de regeneratie automatisch geregeld naargelang de omgevingsomstandigheden. Druk, om de automatische regeling van de inschakeling van de compressor weer te herstellen, opnieuw op knop C of de AUTO-knop. BELANGRIJK Het wordt afgeraden de interne luchtcirculatie in te schakelen bij lage buitentemperaturen, aangezien de ruiten sneller kunnen beslaan. Bij uitgeschakelde compressor: AIRCOCOMPRESSOR Druk op de knop C om de aircocompressor in/uit te schakelen (de inschakeling wordt aangegeven door het knipperen van de led op knop). De uitschakeling van de aircocompressor blijft in het geheugen opgeslagen, ook na het afzetten van de motor. 34 In dit geval gaat de AUTO led uit, ook al kan het klimaatregelsysteem de gewenste temperatuur handhaven. Als de gewenste temperatuur niet kan worden gehandhaafd, zullen de temperaturen enkele seconden knipperen. ❒ als de buitentemperatuur hoger is dan wat is ingesteld voor het interieur, dan kan het systeem niet aan de gewenste instelling voldoen. Dit wordt aangegeven door het knipperen van de temperatuurwaarden op de display voor enkele seconden; ❒ kan de ventilatorsnelheid handmatig gereset worden. Bij ingeschakelde compressor en met draaiende motor, kan de handmatige ventilatie niet onder de minimum ventilatiesnelheid liggen (slechts een led brandt). BELANGRIJK Bij uitgeschakelde compressor, kan er geen lucht in het interieur worden gevoerd met een temperatuur die lager is dan de buitentemperatuur. Bovendien zouden, onder bepaalde omgevingsomstandigheden, de ruiten snel kunnen beslaan omdat de lucht niet ontvochtigd is. SNEL ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN VAN DE VOORRUIT (MAX-DEF functie) om het snel Druk op de knop ontwasemen/ontdooien van de voorruit en de voorste zijruiten in te schakelen (led op knop aan). De klimaatregeling voert de volgende taken uit: ❒ compressor aan (als de weersomstandigheden geschikt zijn); ❒ luchtrecirculatie uit; ❒ maximum luchttemperatuur (HI) in beide zones; ❒ aanpassing van de ventilatorsnelheid aan de koelvloeistoftemperatuur; ❒ luchtstroomverdeling naar de voorruit en de voorste zijruiten; ❒ achterruitverwarming aan. ❒ weergave van de ventilatorsnelheid (led G aan) BELANGRIJK De MAX-DEF functie blijft ongeveer 3 minuten ingeschakeld vanaf het ogenblik waarop de koelvloeistoftemperatuur warm genoeg is om de ruiten snel te kunnen ontwasemen. Wanneer de functie ingeschakeld is, brandt de led op de AUTO-knoppen. Wanneer deze functie is ingeschakeld, kunnen alleen de ventilatorsnelheid en het uitschakelen van de achterruitverwarming handmatig worden geregeld. of Wanneer op de knoppen B, C, AUTO wordt gedrukt, schakelt het systeem de MAX-DEF functie uit. ACHTERRUITVERWARMING/ RUITONTWASEMING Druk op de knop om de achterruitverwarming in te schakelen (led op knop brand). Deze functie schakelt na circa 20 minuten of bij het afzetten van de motor automatisch uit. De functie wordt niet automatisch opnieuw ingeschakeld wanneer de auto opnieuw wordt gestart. Vochtsensor (voor bepaalde versies/markten) Voor bepaalde versies/markten, druk op de knop om de verwarmde buitenspiegels en de verwarming voor de sproeiers in te schakelen (voor bepaalde versies/markten). Bij lage buitentemperaturen kan het gebeuren dat het systeem om veiligheidsredenen de compressor automatisch aanzet en de recirculatie uitzet. BELANGRIJK Plak geen stickers op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging en mogelijk defect ervan te voorkomen. UITSCHAKELING/ INSCHAKELING VAN DE KLIMAATREGELING Thermisch isolerende voorruit (voor bepaalde versies/markten) Sommige versies zijn voorzien van een thermisch isolerende voorruit die, wanneer de auto aan zonlicht wordt blootgesteld, de temperatuurtoename in het interieur beperkt, wat het comfort verbetert. De vochtsensor helpt te voorkomen dat de ruiten beslaan. Voor een complete werking, is het raadzaam de AUTO functie (led N aan) in te schakelen. Uitschakeling van de klimaatregeling Druk op de -knop (led op knop uit). Bij uitgeschakelde klimaatregeling: ❒ luchtrecirculatie aan, d.w.z. dat er geen lucht van buiten binnenkomt; ❒ de compressor is uitgeschakeld; ❒ de ventilator is uitgeschakeld; ❒ de achterruitverwarming kan worden in- of uitgeschakeld; ❒ de AQS-functie (Air Quality System) (voor bepaalde versies/markten) kan niet worden uitgeschakeld. 35 WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK De regeleenheid van het klimaatregelsysteem slaat de ingestelde temperatuurgegevens op voordat het systeem wordt uitgeschakeld en bewaart deze gegevens wanneer een knop van het systeem wordt ingedrukt (behalve voor knop D). Inschakeling van de klimaatregeling Druk op de AUTO knop om de klimaatregeling in volledig automatische modus in te schakelen. START&STOP Automatische klimaatregeling De automatische dual-zone klimaatregeling regelt de Start&Stopfunctie (motor wordt afgezet wanneer de voertuigsnelheid nul is) om een passend comfort in het interieur te garanderen. De Start&Stop functie wordt uitgeschakeld wanneer de buitentemperaturen uitzonderlijk hoog of laag zijn om een comfortabele temperatuur in het interieur te kunnen verzekeren. Tijdens deze overgangsfases wordt de motor niet afgezet, ook al is de voertuigsnelheid nul. 36 Wanneer de Start&Stop-functie werkt (motor afgezet bij voertuigsnelheid nul), zal de regeleenheid van het klimaatregelsysteem om inschakeling van de motor verzoeken als het comfort in het interieur snel verslechterd (of als de gebruiker om maximale koeling – LO – of snelle ontwaseming – MAX DEF – vraagt). Bij actieve Start&Stop-functie (motor afgezet bij voertuigsnelheid nul), zal de luchtstroomsnelheid (indien automatisch geregeld) verminderd worden om het comfort in het interieur zo lang mogelijk te handhaven. De regeleenheid van het klimaatregelsysteem zal proberen om het verslechterde comfort veroorzaakt door het afzetten van de motor zo lang mogelijk te regelen (door de compressor en de koelvloeistofpomp uit te schakelen), maar de werking van het klimaatregelsysteem kan verbeterd worden door de Start&Stop-functie met de speciale toets op het dashboard uit te schakelen. Opmerking Onder bijzonder extreme klimaatomstandigheden wordt aanbevolen het gebruik van de Start&Stop-functie te beperken om te voorkomen dat de compressor continu wordt in- en uitgeschakeld, waardoor de ramen snel beslaan en vochtophoping plaatsvindt, met een onaangename geur in het interieur als gevolg. Opmerking Bij actieve Start&Stopfunctie (motor afgezet bij voertuigsnelheid nul), wordt de automatische recirculatiefunctie met lucht van buitenaf uitgeschakeld om de kans op beslagen ruiten te verminderen (vermits de compressor is uitgeschakeld). EXTRA VERWARMING (voor bepaalde uitvoeringen/markten) Hiermee kan het interieur op koude dagen sneller worden verwarmd. De extra verwarming schakelt automatisch uit nadat de gewenste comfortsituatie is bereikt. BUITENVERLICHTING Automatische dual-zone klimaatregeling (voor bepaalde versies/markten) De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld afhankelijk van externe weersomstandigheden en met gestarte motor. Handmatige klimaatregeling De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld als knop A naar het rode gebied gedraaid wordt en de ventilator op minstens de 1e snelheid is ingesteld. BELANGRIJK De extra verwarming werkt alleen bij lage buitentemperatuur en motorkoelvloeistoftemperatuur. De extra verwarming wordt niet ingeschakeld als de accuspanning laag is. IN HET KORT BELANGRIJK 2) De klimaatregeling detecteert de temperatuur in het interieur met behulp van een sensor van de gemiddelde stralingstemperatuur die in een dekseltje onder de achteruitkijkspiegel is gemonteerd. Als het zichtveld van deze sensor belemmerd wordt door een voorwerp, dan kan de klimaatregeling minder efficiënt gaan werken. Met de linkerhendel fig. 31 worden de meeste buitenlichten bediend. De buitenverlichting kan alleen worden ingeschakeld met de contactsleutel in de stand MAR. Het instrumentenpaneel en de bedieningselementen op het dashboard en de middelste tunnel gaan tegelijk branden met de buitenverlichting. 31 A0K0556 37 WEGWIJS IN UW AUTO DAGVERLICHTING (DRL) "Daytime Running Lights" Met de contactsleutel op MAR en draaischakelaar A fig. 31 op gedraaid, gaat de dagverlichting automatisch aan. De andere lampen en de binnenverlichting blijven uit. BELANGRIJK De dagverlichting is een alternatief voor het dimlicht in landen waar dit tijdens het rijden overdag verplicht is, en is tevens toegestaan in landen waar dit niet verplicht is. BELANGRIJK De dagverlichting mag het dimlicht niet vervangen tijdens het rijden in het donker en in tunnels. Het gebruik van de dagrijlichten wordt geregeld door de wegenverkeerswetgeving van het land waar u rijdt. Neem de wettelijke voorschriften in acht. STADSLICHT EN DIMLICHT Draai, met de contactsleutel in de stand MAR, de draaischakelaar A fig. 31 . naar De dagverlichting wordt uitgeschakeld en het stadslicht en het dimlicht worden controlelampje ingeschakeld. Het op het instrumentenpaneel gaat branden. 38 PARKEERLICHTEN Deze lichten kunnen alleen worden ingeschakeld met de contactsleutel in de stand STOP of verwijderd, door draaischakelaar A fig. 31 eerst naar stand en vervolgens naar stand te draaien. Het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden. AUTOMATISCHE INSCHAKELING KOPLAMPEN (AUTOLIGHT) (Schemersensor) (voor bepaalde versies/markten) Deze op de voorruit geplaatste infrarood-ledsensor detecteert samen met de regensensor de verschillen in sterkte van het omgevingslicht op basis van de lichtgevoeligheid die in het Setup-menu is ingesteld: hoe hoger de gevoeligheid, des te minder buitenlicht er nodig is om de buitenverlichting in te schakelen. Inschakeling De schemersensor wordt ingeschakeld wanneer de ring A naar fig. 31 wordt gedraaid. Op deze manier gaan, afhankelijk van de sterkte van het buitenlicht, het stadslicht en het dimlicht automatisch branden. BELANGRIJK De schemersensor is niet in staat om mist te detecteren. In dat geval moet de verlichting handmatig ingeschakeld worden. Wanneer de lichten door de sensor worden ingeschakeld, kunnen ook de mistlampen (voor bepaalde versies/ markten) en de mistachterlichten ingeschakeld worden. Wanneer de lichten automatisch uitgeschakeld worden, worden ook de mistlampen en de mistachterlichten (indien ingeschakeld) uitgeschakeld. De volgende keer dat de lichten automatisch ingeschakeld worden, moeten de mistlampen handmatig ingeschakeld worden (indien nodig). Bij actieve sensor kunnen grootlichtsignalen worden gegeven, maar het grootlicht zelf kan niet ingeschakeld worden. Draai, om dit licht in te schakelen, de ring A naar en activeer het vaste dimlicht. Wanneer de lichten automatisch ingeschakeld zijn en vervolgens door de sensor uitgeschakeld worden, gaat eerst het dimlicht en na enkele seconden het stadslicht uit. Als de geactiveerde sensor slecht werkt, worden het stadslicht en het dimlicht ongeacht de sterkte van het omgevingslicht ingeschakeld en wordt de storing van de sensor op het display weergegeven. Het is ook mogelijk om de sensor uit te schakelen en deze lichten indien nodig handmatig in te schakelen. GROOTLICHT Om het grootlicht in te schakelen, moet , staan, draaischakelaar A fig. 31 op en de hendel naar het stuurwiel tot tegen de aanslag worden getrokken. Het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden. Wanneer de hendel weer naar het stuurwiel tot tegen de aanslag wordt getrokken, wordt het grootlicht uitgeschakeld, gaat het dimlicht weer branden en dooft het . waarschuwingslampje Het is niet mogelijk het grootlicht continu in te schakelen als de automatische inschakeling koplampen ingeschakeld is. GROOTLICHTSIGNAAL Trek hiervoor de hendel naar het stuurwiel (instabiele stand), ongeacht de stand van de draaischakelaar A fig. 31. Het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden. "FOLLOW ME HOME" SYSTEEM Met dit systeem kan de ruimte vóór de auto gedurende bepaalde tijd verlicht worden. Inschakeling MISTACHTERLICHTEN Zie voor het in- en uitschakelen van de mistachterlichten het hoofdstuk "Bedieningselementen". RICHTINGAANWIJZERS Zet de hendel in de (stabiele) stand: ❒ omhoog: schakelt de richtingaanwijzer rechts in; ❒ omlaag: schakelt de richtingaanwijzer links in. Controlelampje of instrumentenpaneel. knippert op het De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als het stuurwiel weer wordt rechtgezet. "Rijbaanwissel"-functie Zet, als u het verwisselen van rijbaan wilt aangeven, de linkerhendel korter dan een halve seconde naar de instabiele stand. De richtingaanwijzer aan de gekozen kant knippert vijf maal en wordt vervolgens automatisch uitgeschakeld. Trek, met de contactsleutel in de stand STOP of verwijderd, hendel A binnen 2 minuten na het uitzetten van de motor naar het stuurwiel. Elke keer als de hendel wordt bediend, blijft de verlichting 30 seconden langer branden, tot een maximum van 210 seconden; hierna wordt de verlichting automatisch uitgeschakeld. Bovendien gaat, elke keer als de hendel wordt bediend, het controlelampje op het instrumentenpaneel branden. Op het display worden de voor de functie ingestelde tijdsduur en de bijbehorende symbolen weergegeven. Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer de hendel bediend wordt en blijft branden tot de functie automatisch wordt uitgeschakeld. Telkens als de hendel wordt bediend, wordt uitsluitend de inschakeltijd van de verlichting verlengd. 39 WEGWIJS IN UW AUTO Uitschakeling Houd de hendel langer dan 2 seconden naar het stuurwiel getrokken. INSTAPVERLICHTING Deze functie verlicht de auto en de ruimte voor de auto wanneer de portieren ontgrendeld worden. Inschakeling Als de portieren van de geparkeerde auto ontgrendeld worden met de knop op de afstandsbediening (of de achterklep ontgrendeld wordt met ), gaan het dimlicht, het behulp van stadslicht en de kentekenverlichting branden. De lichten blijven ongeveer 25 seconden branden, tenzij de portieren en achterklep opnieuw vergrendeld worden met de afstandsbediening of de portieren of achterklep geopend en weer gesloten worden. In deze gevallen gaan de lichten na 5 seconden uit. De instapverlichting kan in het Setup-menu in-/uitgeschakeld worden (zie de paragraaf "Menuopties" in dit hoofdstuk). 40 AFS ADAPTIEVE LICHTEN (Adaptive Frontlight System) (voor bepaalde versies/markten) Dit is een systeem gecombineerd met de Xenon koplampen dat de lichtbundel op voortdurende en continue wijze richt en aanpast aan de rijomstandigheden in bochten. Het systeem richt de lichtbundel zodanig dat het wegdek zo goed mogelijk verlicht wordt, rekening houdende met de rijsnelheid, de draaihoek en de stuursnelheid. De adaptieve lichten worden automatisch ingeschakeld wanneer de auto wordt gestart. RUITEN REINIGEN IN HET KORT Met de rechterhendel wordt de ruitenwisser/-sproeier voor bediend. Werkt alleen met de contactsleutel in de stand MAR. RUITENWISSERS/ -SPROEIER Handeling 13) 14) De draaischakelaar A fig. 32 kan in de volgende standen worden gezet: Gebruik het Setup-menu voor het inschakelen/uitschakelen van de lichten (zie de paragraaf "Menuopties" in het hoofdstuk "Kennismaking met het bedieningspaneel"). 32 O ruitenwissers uit; wissen met interval (lage snelheid); A0K0557 AUTO inschakeling regensensor (voor bepaalde versies/markten) (de ruitenwissers passen de snelheid automatisch aan de intensiteit van de regen aan) wissen met interval; langzaam continu wissen; snel continu wissen. Hef de hendel op (onstabiele stand) om de tijdelijke snelle wisstand in te schakelen. Bij het loslaten keert de hendel terug naar de beginstand en wordt de werking van de ruitenwissers automatisch afgebroken. "Intelligente" wis-/ wasfunctie Trek de hendel naar het stuur (onstabiele stand) om de ruitensproeier in te schakelen. Houd de hendel langer dan een halve seconde ingetrokken om de ruitensproeier en -wisser automatisch met een enkele beweging te bedienen. Als de hendel wordt losgelaten, stoppen de ruitensproeiers onmiddellijk terwijl de ruitenwissers nog drie slagen maken. Na circa zes seconden volgt nog een extra reinigingsslag. REGENSENSOR (voor bepaalde versies/markten) Dit is een infrarode led-sensor die gemonteerd is op de voorruit fig. 33. De sensor heeft een regelbereik dat oplopend varieert van uitgeschakelde ruitenwissers (geen wisslagen) als de ruit droog is, tot ruitenwissers die ingeschakeld worden met de 2e continue snelheid (snel continu wissen) bij hevige regen. De gevoeligheid van de regensensor kan in het Setup-menu ingesteld worden (zie de paragraaf "Menuopties" in het hoofdstuk "Kennismaking met het bedieningspaneel"). 33 A0K0558 Deze sensor detecteert de aanwezigheid van regen en regelt het wissen van de voorruit aan de hand van de hoeveelheid water op de ruit. Inschakeling De sensor wordt geactiveerd wanneer de draaischakelaar A fig. 32 naar de "automatische" stand wordt gedraaid ("AUTO" regeling): de frequentie van de wisslagen wordt aangepast aan de hoeveelheid water op de voorruit. Als de motor wordt afgezet met de draaischakelaar A in de "automatische" stand, wordt er geen wiscyclus uitgevoerd wanneer de motor weer wordt gestart, ook al regent het. Dit voorkomt onverhoedse activering van de regensensor wanneer de motor wordt gestart (bijv. terwijl de voorruit met de hand wordt gewassen of als de ruitenwissers met ijs aan de voorruit vastzitten). Draai, om de automatische werking van de regensensor te herstellen, de draaischakelaar op de rechter hendel A fig. 32 van de "automatische" stand (AUTO) naar de stand O en weer terug naar de AUTO stand. 41 WEGWIJS IN UW AUTO Wanneer de regensensor weer geactiveerd wordt met een van de hierboven beschreven handelingen, wordt deze activering gemeld door één wisslag van de ruitenwissers, ongeacht de toestand van de voorruit. Als de gevoeligheid tijdens de werking van de regensensor wordt gewijzigd, wordt een wisslag uitgevoerd om deze wijziging te bevestigen. Als een storing in de regensensor optreedt terwijl deze actief is, werkt de ruitenwisser met een snelheid die overeenkomt met de gevoeligheidsinstelling van de regensensor, ongeacht of er wel of geen regen op de ruit aanwezig is (de storing van de sensor wordt op de display aangegeven). De sensor blijft werken en de ruitenwisser kan op continuwerking worden ingesteld (1e of 2e snelheid). De storingsmelding houdt aan zolang de sensor actief is. 42 ACHTERRUITWISSER/ SPROEIER (voor bepaalde versies/markten) Inschakeling Werkt alleen met de contactsleutel in de stand MAR. Zet de draaischakelaar B fig. 32 van stand O naar stand om de achterruitwisser als volgt in te schakelen: ❒ wissen met interval wanneer de ruitenwissers voor niet werken; ❒ synchroon wissen met de ruitenwissers voor (maar met de halve wisfrequentie); ❒ continu wissen met ingeschakelde achteruitrijversnelling en bediening. Bij ingeschakelde ruitenwissers voor en als in de achteruit is geschakeld, is de werking van de achterruitwisser continu. Door de hendel naar het dashboard te trekken (onstabiele stand), wordt de achterruitsproeier ingeschakeld. Als de hendel ten minste een halve seconde in deze stand wordt gehouden, dan wordt ook de achterruitwisser ingeschakeld. Door de hendel los te laten, wordt de automatische wis-/wasregeling ingeschakeld, net als voor de ruitenwissers voor. BELANGRIJK 13) Gebruik de ruitenwisser niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te verwijderen. In dergelijke omstandigheden wordt bij overbelasting van de ruitenwissers de beveiliging ingeschakeld, waardoor de ruitenwissers enkele seconden worden uitgeschakeld. Als de ruitenwissers niet meer werken (ookniet nadat de auto met de sleutel opnieuw gestart is), contact opnemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 14) Schakel de ruitenwisser niet in met van de ruit opgeheven wisserbladen. CRUISE-CONTROL Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen) kan de snelheid gewoon verhoogd worden door het gaspedaal in te trappen: als het gaspedaal vervolgens wordt losgelaten, keert de auto terug naar de eerder opgeslagen snelheid. (voor bepaalde versies/markten) IN HET KORT Dit is een elektronisch geregeld hulpsysteem waarmee de gewenste rijsnelheid gehandhaafd kan worden, zonder het gaspedaal in te hoeven trappen. Het systeem kan gebruikt worden bij een snelheid van meer dan 30 km/h op lange, droge en rechte wegen met weinig veranderingen in de rijomstandigheden (bijv. snelwegen). Het gebruik van de cruise-control wordt dus niet aanbevolen op buitenwegen met druk verkeer. Gebruik het systeem niet in de stad. INSCHAKELEN VAN HET SYSTEEM Zet de draaischakelaar A fig. 34 in de stand ON. Het systeem kan niet worden ingeschakeld als het voertuig in de 1e versnelling of in de achteruit staat. Het is raadzaam om het systeem in te schakelen vanaf de 5e versnelling of hoger. DE OPGESLAGEN SNELHEID OPROEPEN 34 A0K0559 Op afdalingen kan de snelheid bij ingeschakelde cruise-control iets hoger liggen dan de opgeslagen snelheid. Het lampje gaat branden en, bij sommige versies/markten, verschijnt er een bericht op het display om de inschakeling aan te geven. Als het systeem is uitgeschakeld door bijvoorbeeld het intrappen van het remof koppelingspedaal, kan de opgeslagen snelheid als volgt worden opgeroepen: ❒ geef geleidelijk gas totdat een snelheid in de buurt van de opgeslagen snelheid wordt bereikt; DE SNELHEID VAN DE AUTO OPSLAAN ❒ schakel de versnelling in die ingeschakeld was op het moment dat de snelheid werd opgeslagen; Ga als volgt te werk: ❒ druk op de RES-knop (B fig. 34). ❒ zet de draaischakelaar A fig. 34 op ON en trap het gaspedaal in om de gewenste snelheid te bereiken; DE OPGESLAGEN SNELHEID VERHOGEN ❒ beweeg de hendel ten minste één seconde omhoog (+) en laat deze vervolgens los: de snelheid wordt opgeslagen en het gaspedaal kan losgelaten worden. ❒ door het gaspedaal in te trappen en de nieuwe snelheid op te slaan Dit kan op twee manieren: of ❒ door de hendel omhoog (+) te zetten tot de nieuwe snelheid is bereikt, die automatisch wordt opgeslagen. 43 WEGWIJS IN UW AUTO Elke beweging van de hendel komt overeen met een verhoging van de snelheid van ongeveer 1 km/h; als de hendel omhoog wordt gehouden, dan neemt de snelheid traploos toe. DE OPGESLAGEN SNELHEID VERLAGEN Dit kan op twee manieren: ❒ door het systeem uit te schakelen en de nieuwe snelheid op te slaan of ❒ door de hendel omlaag (–) te bewegen tot de nieuwe snelheid is bereikt, die automatisch wordt opgeslagen. Elke beweging van de hendel komt overeen met een kleine verlaging van de snelheid van ongeveer 1 km/h; als de hendel omlaag wordt gehouden, dan neemt de snelheid traploos af. ❒ door het rem-, koppelings- of gaspedaal in te drukken; in het laatste geval wordt het systeem eigenlijk niet uitgeschakeld, maar wordt voorrang aan het acceleratieverzoek gegeven. Het systeem blijft actief, zonder de noodzaak om de RES-knop te bedienen om na het accelereren naar de vorige toestand terug te keren. Automatische uitschakeling Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch uit: ❒ als het ABS- of het ESC-systeem ingrijpt; ❒ bij een autosnelheid onder de ingestelde limiet; ❒ in geval van een systeemstoring. 15) 16) UITSCHAKELEN VAN HET SYSTEEM Het systeem kan op de volgende manieren worden uitgeschakeld: ❒ door de draaischakelaar A fig. 34 in de OFF-stand te zetten ❒ door de motor uit te schakelen; 44 BELANGRIJK 15) Als met actieve cruise-control wordt gereden, mag de versnellingspook nooit in de vrijstand worden gezet. 16) Draai bij een storing of defect van het systeem de draaischakelaar A naar OFF en neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. PLAFONDVERLICHTING BELANGRIJK Controleer alvorens de PLAFONDVERLICHTING VOOR Met de schakelaar A fig. 35 wordt de plafondverlichting in- en uitgeschakeld. auto te verlaten of beide schakelaars in de middelste stand staan: op deze manier zullen de lampjes van de plafondverlichting doven bij het sluiten van de portieren, en voorkomt men dat de accu ontlaadt. Als de schakelaar in de continu ingeschakelde stand is blijven staan, schakelt de plafondverlichting in ieder geval 15 minuten na het uitzetten van de motor automatisch uit. TIJDSCHAKELING PLAFONDVERLICHTING 35 A0K0805 Standen schakelaar A: ❒ middelste stand: de lampjes C en E gaan aan/uit bij het openen/sluiten van de portieren; ❒ links ingedrukt (stand OFF): de lampjes C en E blijven altijd gedoofd; ): de ❒ rechts ingedrukt (stand lampjes C en E blijven altijd ingeschakeld. De verlichting gaat geleidelijk aan/uit. Schakelaar B schakelt lampje C aan/uit. Schakelaar D schakelt lampje E aan/uit. De tijdregeling wordt onderbroken wanneer de sleutel in de stand MAR wordt gezet. Tijdregeling bij het uitstappen Als de sleutel uit het contactslot wordt verwijderd, gaan de plafondlampjes op de volgende manieren branden: ❒ binnen twee minuten nadat de motor is uitgezet, gaat de plafondverlichting ongeveer 10 seconden branden; ❒ ongeveer 3 minuten wanneer een portier worden geopend; Bij sommige versies zijn er om het in-/uitstappen in het donker en op slecht verlichte plaatsen te vergemakkelijken twee tijdregelingen voorzien. ❒ ongeveer 10 seconden wanneer een van de portieren wordt gesloten. Tijdregeling bij het instappen PLAFONDVERLICHTING ACHTER De plafondverlichting gaat op de volgende manieren branden: Druk op het lampenglas A fig. 36 om het licht in- en uit te schakelen. ❒ ongeveer 10 seconden wanneer de portieren worden ontgrendeld; De plafondverlichting achter blijft enkele seconden branden nadat de portieren zijn gesloten en gaat dan automatisch uit. De plafondverlichting gaat uit wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt gedraaid. ❒ ongeveer 3 minuten wanneer een portier worden geopend; ❒ ongeveer 10 seconden wanneer de portieren worden gesloten. De tijdregeling stopt automatisch wanneer de deuren worden vergrendeld. 45 WEGWIJS IN UW AUTO Til de klep A op om de lichtjes aan te zetten. BAGAGERUIMTEVERLICHTING Dit bevindt zich links in de achterklep fig. 38. 36 38 A0K0563 39 INSTAPVERLICHTING (voor bepaalde versies/markten) Op de achterkant van de zonnekleppen zijn twee plafondlichtjes B fig. 37 voorzien. Wanneer de achterklep wordt geopend, gaat de bagageruimteverlichting automatisch branden. Wanneer de achterklep wordt gesloten, gaat de verlichting automatisch uit. De stand van de sleutel in het contactslot beïnvloedt de werking van de bagageruimteverlichting niet. 46 Wanneer het dashboardkastje wordt geopend gaat deze verlichting automatisch branden, wanneer het kastje wordt gesloten gaat de verlichting uit. A0K0561 BELANGRIJK De verlichting gaat ook uit wanneer een portier een paar minuten open wordt gelaten. Open een ander portier of sluit en open hetzelfde portier om de plafondverlichting opnieuw aan te zetten. 37 DASHBOARD KASTVERLICHTING A0K0562 A0K0564 De stand van de sleutel in het contactslot beïnvloedt de werking van de verlichting niet. BEDIENINGS ELEMENTEN Druk opnieuw op de knop om de lichten uit te schakelen, of schakel het dimlicht of de mistlampen voor uit (voor bepaalde versies/markten). MISTLAMPEN VOOR (voor bepaalde versies/markten) ALARMKNIPPERLICHTEN Werking Druk op de knop fig. 41 om de lichten in/uit te schakelen. Werking Druk op schakelaar A fig. 40 om de lichten in/uit te schakelen. Bij brandende lichten, gaat het controlelampje op het instrumentenpaneel branden. CENTRALE PORTIERVERGRENDELING Werking Druk op de knop fig. 42 om alle portieren tegelijk te vergrendelen. 41 40 A0K0622 Bij ingeschakelde alarmknipperlichten gaan de controlelampjes en op het instrumentenpaneel branden en knippert de schakelaar A. Noodremmen Bij het remmen in noodsituaties gaan de alarmknipperlichten automatisch branden, evenals de controlelampjes en op het instrumentenpaneel. A0K0609 Bij brandende lichten, gaat het op het controlelampje instrumentenpaneel branden. MISTACHTERLICHTEN Werking fig. 41 om de Druk op de knop lichten in/uit te schakelen. De mistachterlichten gaan alleen branden als het dimlicht of de mistlampen voor zijn ingeschakeld. 42 A0K0588 De vergrendeling vindt onafhankelijk van de stand van de contactsleutel plaats. De lichten gaan automatisch uit wanneer het noodremmen ophoudt. 17) 47 WEGWIJS IN UW AUTO AFSLUITER VAN DE BRANDSTOFTOEVOER ❒ schakel de richtingaanwijzer rechts uit; Werking ❒ schakel de richtingaanwijzer links in; Deze grijpt bij een botsing in en veroorzaakt het volgende: ❒ onderbreking van de brandstoftoevoer met afzetten van de motor als gevolg; ❒ schakel de richtingaanwijzer rechts in; ❒ schakel de richtingaanwijzer rechts uit; ❒ automatische ontgrendeling van de portieren; ❒ schakel de richtingaanwijzer links in; ❒ inschakeling van de interieurverlichting. ❒ draai de contactsleutel naar de stand STOP; Wanneer het systeem wordt ingeschakeld, verschijnt er een melding op de display. Controleer de auto zorgvuldig op brandstoflekkage, bijvoorbeeld in de motorruimte, onder de auto of in de 18) buurt van de tank. Draai na een botsing de contactsleutel naar STOP om te voorkomen dat de accu leegloopt. Ga als volgt te werk om de correcte werking van de auto te herstellen: ❒ draai de contactsleutel naar de stand MAR; ❒ schakel de richtingaanwijzer rechts in; 48 ❒ schakel de richtingaanwijzer links uit; ❒ schakel de richtingaanwijzer links uit; ❒ draai de contactsleutel naar de stand MAR. BELANGRIJK 17) Het gebruik van alarmknipperlichten wordt geregeld door de wegenverkeerswetgeving van het land waar u rijdt: neem de wettelijke voorschriften in acht. 18) Als na een botsing een brandstoflucht wordt geroken of brandstoflekkage wordt geconstateerd, het systeem niet opnieuw inschakelen om het risico op brand te voorkomen. INTERIEURUITRUSTING ARMSTEUN VOOR (voor bepaalde versies/markten) OPBERGVAKKEN Bovenste opbergvak Deze bevindt zich tussen de voorstoelen. Druk hem omlaag om hem in de standaard gebruiksstand te brengen. Open het opbergvak A fig. 43 in het punt aangegeven met de pijl. In de armsteun voor bevindt zich een opbergvak. 19) 44 A0K0566 Bij sommige versies kunnen er opbergvakken zijn die verwarmd/ gekoeld worden via een uitstroomopening die verbonden is met de klimaatregeling (gebruik het wieltje A fig. 45 om de luchtopbrengst in het onderste opbergvak te regelen). 43 Voor toegang tot het opbergvak, klapt u de armsteun in de standaard gebruiksstand (helemaal omlaag) en tilt u het deksel met bekleding A fig. 46 op. A0K0565 Dashboardkastje passagierszijde Trek aan de handgreep A fig. 44 om het dashboardkastje te openen. 46 Wanneer het kastje geopend wordt, gaat er een lampje branden. Er is een documentenhouder in het dashboardkastje en een brillenhouder op de achterkant van de klep. 45 A0K0567 Bij versies met automatische dual-zone klimaatregeling, is de temperatuur van het opbergvak gelijk aan de ingestelde temperatuur voor de passagierszijde. A0K0568 Voor correct gebruik van de armsteun moet speciaal opgelet worden tijdens het openen van het deksel: ❒ het mag alleen geopend worden met de armsteun volledig naar beneden; 49 WEGWIJS IN UW AUTO ❒ om te voorkomen dat de inhoud van de armsteun eruit valt, is het openen van het deksel geblokkeerd in andere standen dan "volledig naar beneden". STOPCONTACTEN Deze bevinden zich op de tunnelconsole fig. 49 en aan de linkerkant van de bagageruimte fig. 50 (voor bepaalde versies/markten). Ze werken alleen met de contactsleutel in de stand MAR. OPMERKING Tijdens de kantelfase van de armsteun (volledige kanteling omhoog of omlaag), altijd controleren of het deksel met bekleding goed gesloten is. ARMSTEUN ACHTER (voor bepaalde versies/markten) Om armsteun A fig. 47 te gebruiken, hem omlaag klappen zoals getoond in de figuur. In de armsteun zitten twee beker- of blikjeshouders B. Trek voor gebruik hiervan aan het lipje C in de door de pijl aangegeven richting. 47 49 A0K0610 50 A0K0571 A0K0569 In de armsteun zit een opbergvak; til het klepje op om het vak te openen. SKILUIK (voor bepaalde versies/markten) Het skiluik kan gebruikt worden voor het vervoeren van lange voorwerpen, Klap, om dit luik te openen, de armsteun omlaag en druk op de voorziening A fig. 48 om de klep B omlaag te brengen. 50 48 A0K0570 Als een rokerskit is aangevraagd, dan is het stopcontact op de tunnelconsole vervangen door een aansteker (zie volgende paragraaf). BELANGRIJK Sluit geen apparaten met een hoger vermogen dan 180 W op het stopcontact aan. Beschadig het stopcontact niet door ongeschikte stekkers te gebruiken. AANSTEKER ASBAK De asbak bestaat uit een uitneembare kunststof houder met veersluiting die in de beker-/blikjeshouders op de tunnelconsole fig. 52geplaatst kan worden. 21) Deze bevindt zich op de tunnelconsole. Druk op de knop A fig. 51 om de aansteker in te schakelen. 52 A0K0572 Na enkele seconden keert de knop terug naar de beginstand en is de 20) aansteker gebruiksklaar. BELANGRIJK Controleer na gebruik altijd of de aansteker is uitgeschakeld. BELANGRIJK Sluit geen apparaten met een hoger vermogen dan 180 W op het stopcontact aan. Beschadig het stopcontact niet door ongeschikte stekkers te gebruiken. A0K0808 54 A0K0574 A0K0573 MUNTENBAKJE (voor bepaalde versies/markten) 51 53 Bij sommige versies is er een muntenbakje in de tunnelconsole aanwezig fig. 53. Til het klepje A fig. 54 op voor toegang tot het spiegeltje. ZONNEKLEPPEN Deze bevinden zich aan beide kanten van de achteruitkijkspiegel. Ze kunnen naar voren en opzij worden gedraaid. Op de achterkant van de zonnekleppen bevindt zich een spiegeltje met verlichting. Met dit licht kan het spiegeltje ook bij slechte zicht- en lichtomstandigheden worden gebruikt. 51 WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK Aan beide zijden van de zonneklep aan passagierszijde is een etiket aangebracht dat eraan herinnert dat de airbags verplicht uitgeschakeld moeten worden als een naar achteren gericht kinderzitje op de voorstoel wordt gemonteerd. Houd u altijd aan de aanwijzingen op de zonneklep (zie de paragraaf “Frontairbag” in hoofdstuk "Veiligheid"). BRANDBLUSSER (voor bepaalde versies/markten) Deze bevindt zich onder de voorste passagiersstoel fig. 55. ELEKTRISCH SCHUIFDAK (voor bepaalde versies/markten) BELANGRIJK 19) Rijd nooit met open dashboardkastje: bij een ongeval kunnen de inzittenden voorin hierdoor verwond raken. 20) De aansteker wordt bijzonder heet. Hanteer hem voorzichtig en zorg ervoor dat hij niet door kinderen wordt gebruikt: risico op brand en/of brandwonden. 21) Gebruik de asbak niet als prullenbak: papiertjes en dergelijke kunnen door peuken in brand raken. 55 A0K0575 OPMERKING Bij sommige versies bevindt deze zich aan de rechterkant van de bagageruimte, in een speciale houder. 52 Het elektrische schuifdak bestaat uit 2 glazen panelen, een vast paneel achter en een verstelbaar paneel voor. Deze panelen zijn voorzien van twee zonneschermen (voor en achter) en kunnen handmatig worden versteld. De zonneschermen kunnen bij gesloten schuifdak in alle standen worden versteld. BEDIENING Het schuifdak kan alleen bediend worden als de contactsleutel in de stand MAR staat. Met de knoppen A en B fig. 56 op de bekleding naast de voorste plafondverlichting kunnen de functies voor het openen/sluiten van het schuifdak bediend worden. Schuifdak openen Houd knop A fig. 56ingedrukt: het voorste glazen paneel gaat naar de "spoilerstand". Druk nogmaals en langer dan een halve seconde op de knop A om het schuifdak automatisch in een tussenstand te brengen ("Comfortstand"). Als de knop nogmaals langer dan een halve seconde wordt ingedrukt, wordt het schuifdak in de spoilerstand gebracht. Tenslotte, als nogmaals op de sluitknop B wordt gedrukt, wordt het schuifdak in de volledig gesloten stand gebracht. KNELBEVEILIGING 56 A0K0576 Als knop A fig. 56 nogmaals langer dan een halve seconde wordt ingedrukt, wordt het dak automatisch tot de eindaanslag gebracht. Het voorste glazen paneel kan in een tussenstand worden stopgezet door nogmaals op knop A te drukken. 3) 22) Het schuifdak sluiten Het schuifdak is uitgerust met een knelbeveiliging die tijdens het sluiten van het dak een eventueel obstakel kan herkennen; wanneer dit gebeurt, onderbreekt het systeem de beweging en keert de beweging van de voorste ruitpaneel onmiddellijk om. ZONNESCHERMEN Om de zonneschermen te openen, trek het handvat A fig. 57 in de richting van de pijl tot de gewenste stand wordt bekomen. Druk vanaf de compleet geopende stand langer dan een halve seconde op knop B fig. 56: als de knop langer dan een halve seconde wordt ingedrukt, wordt het glazen paneel automatisch in de tussenstand staan (“Comfort”stand). 57 Ga in omgekeerde volgorde te werk om de zonneschermen te sluiten. INITIALISATIEPROCEDURE Als de accu werd losgekoppeld of als een zekering is doorgebrand, dan moet de werking van het schuifdak opnieuw worden geïnitialiseerd. Ga als volgt te werk: ❒ houd knop B fig. 56 ingedrukt tot het schuifdak helemaal gesloten is. Laat daarna de knop los; ❒ druk op knop B en houd deze minstens 10 seconden ingedrukt en/of tot het glazen paneel vooruit vastklikt. Laat de knop vervolgens los; ❒ druk binnen 5 seconden na de vorige bediening opnieuw op knop B en houd deze ingedrukt: het voorste ruitpaneel zal een volledige cyclus openen en sluiten uitvoeren. Laat de knop pas na afloop van deze cyclus los. A0K0577 53 WEGWIJS IN UW AUTO ONDERHOUD/ NOODBEDIENING PORTIEREN In geval van nood of onderhoud, kan het schuifdak handmatig worden versteld wanneer er geen stroom aanwezig is (voorste ruitpaneel openen/sluiten) door de volgende werkzaamheden uit te voeren: CENTRALE PORTIERVERGRENDELING ❒ verwijder de beschermdop A fig. 58 op de binnenbekleding, tussen de twee zonneschermen; BELANGRIJK 3) Open het schuifdak niet als er sneeuw of ijs op ligt: risico op beschadiging. De portieren vergrendelen van buitenaf Druk bij gesloten portieren op de knop van de afstandsbediening (of op het dashboard fig. 59) of steek en draai de metalen baard (in de sleutel) in het slot van het bestuurdersportier. BELANGRIJK 58 A0K0578 ❒ neem de meegeleverde Allen sleutel B uit het dashboardkastje of uit de gereedschapshouder in de bagageruimte; ❒ steek de betreffende sleutel in de zitting C en draai hem rechtsom om het schuifdak te openen of linksom om het schuifdak te sluiten. 54 22) Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als de auto wordt verlaten om het risico op letsel te voorkomen als het schuifdak per ongeluk wordt bediend. Oneigenlijk gebruik van het schuifdak kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen altijd of iemand kan worden verwond door het bewegende schuifdak of door voorwerpen die door het mechanisme worden meegesleept of geraakt. 59 A0K0588 De portiervergrendeling werkt: ❒ als alle portieren gesloten zijn; ❒ als alle portieren gesloten zijn en de achterklep open is: De portieren ontgrendelen van buitenaf Druk op de knop van de afstandsbediening of steek en draai de metalen baard (in de sleutel) in het slot van de bestuurdersportier. KINDERSLOT Deze voorziening zorgt ervoor dat de achterportieren van binnenuit niet geopend kunnen worden. Het kinderslot A fig. 60 kan alleen bij geopende portieren worden ingeschakeld: De portieren ver-/ ontgrendelen van binnenuit Druk op de knop dashboard. BELANGRIJK De achterportieren kunnen niet van binnenuit worden geopend als het kinderslot is ingeschakeld. NOODVERGRENDELING PORTIEREN fig. 59 op het Voorportier aan passagierszijde De voorportier aan passagierszijde is voorzien van een vergrendelingssysteem wanneer er geen stroom aanwezig is. BELANGRIJK Bij ingeschakelde centrale portiervergrendeling, kan het portier aan passagierzijde worden ontgrendeld door aan de binnenste handgreep te trekken. Als aan de binnenste handgreep van het bestuurdersportier wordt getrokken, worden alle portieren ontgrendeld. Om de vergrendeling in te schakelen, steek de metalen baard van de sleutel in de opening A fig. 61 en trek hem omhoog. BELANGRIJK De achterportieren kunnen niet van binnenuit worden geopend als het kinderslot is ingeschakeld. Als er geen stroomtoevoer is (doorgebrande zekering, losgekoppelde accu, enz.) kunnen de portieren nog steeds met de hand worden vergrendeld. De voorziening blijft ook ingeschakeld wanneer de portieren centraal ontgrendeld worden. 4) 5) Achterportieren De achterportieren zijn voorzien van een noodsysteem waarmee de portieren kunnen worden vergrendeld wanneer er geen stroom aanwezig is. 60 A0K0579 ❒ stand 1 - kinderslot ingeschakeld (portier vergrendeld); ❒ stand 2 - kinderslot uitgeschakeld (portier kan van binnenuit worden geopend). In dit geval moet men als volgt te werk gaan: ❒ steek de metalen baard van de contactsleutel in de zitting B; ❒ draai de sleutel linksom en verwijder hem uit de zitting B. 55 WEGWIJS IN UW AUTO Initialisatie open-/ sluitmechanisme Als de accu is losgekoppeld of als een zekering is doorgebrand, dan moet het open-/sluitmechanisme als volgt opnieuw geïnitialiseerd worden: ❒ sluit alle portieren; 61 A0K0580 Ga als volgt te werk om het knopje van het slot weer in dezelfde stand te zetten (alleen wanneer de acculading hersteld is): ❒ druk op knop ❒ open het voorportier door de sleutel in het slot te steken; ❒ trek aan de binnenhandgreep van het portier. 56 ❒ druk op de knop van de sleutel of op de knop op het dashboard. van de sleutel; ❒ druk op de knop voor vergrendeling/ontgrendeling op het dashboard; 6) ❒ druk op de knop van de sleutel of op de knop op het dashboard; BELANGRIJK 4) Gebruik dit mechanisme altijd wanneer kinderen worden vervoerd. 5) Controleer na bediening van dit mechanisme op bij beide achterportieren of het daadwerkelijk is ingeschakeld door aan de handgreep aan de binnenzijde van de portieren te trekken. 6) Als bij ingeschakeld kinderslot en de eerder beschreven vergrendelingswijze de binnenhandgreep van een achterportier wordt bediend, lukt het niet om het portier te openen en komt alleen het knopje van de sloten omhoog. Om het portier te openen, moet de buitenste handgreep worden bediend. Bij inschakeling van de noodvergrendeling wordt de knop van de centrale portiervergrendeling niet buiten werking gesteld. ELEKTRISCHE RUITBEDIENING Ruit openen Druk op de toetsen om de gewenste ruit te openen. Deze werkt met de contactsleutel in de stand MAR en gedurende circa 3 minuten nadat de contactsleutel naar de stand STOP is gedraaid of verwijderd is als een van de voorportieren geopend is. Wanneer een van de twee knoppen kort wordt ingedrukt, beweegt de ruit in "stappen"; als de knop ingedrukt wordt gehouden, wordt de "continue automatische" werking geactiveerd. Als opnieuw op de bedieningsknop wordt gedrukt, stopt de ruit in de gewenste positie. Als de knop enkele seconden ingedrukt wordt gehouden, gaat de ruit automatisch open of dicht (alleen met de contactsleutel in de stand MAR). De bedieningsknoppen bevinden zich op de portierpanelen fig. 62 (vanaf het paneel van het bestuurdersportier kunnen alle ruiten bediend worden). Er is een knelbeveiliging aanwezig die tijdens het sluiten van de voor- en achterruiten werkt. 23) Ruit sluiten BEDIENINGSELEMENTEN 62 Bestuurdersportier fig.62 ❒ A: openen/sluiten zijruit linksvoor; "continue automatische" werking tijdens openen/sluiten ruit; ❒ B: openen/sluiten zijruit rechtsvoor; "continue automatische" werking tijdens openen/sluiten ruit; ❒ C: inschakeling/uitschakeling bediening achterste zijruiten; A0K0581 ❒ D: openen/sluiten zijruit linksachter (bij bepaalde versies/markten); "continue automatische" werking tijdens openen/sluiten ruit; ❒ E: openen/sluiten zijruit rechtsachter (bij bepaalde versies/markten); "continue automatische" werking tijdens openen/sluiten ruit; Trek de knoppen omhoog om de gewenste ruit te sluiten. Bij het sluiten van de ruit wordt dezelfde werkingslogica als bij het openen gebruikt. Voorportier aan passagierszijde en achterportieren (bij bepaalde versies/markten) Op het portierpaneel aan passagierzijde en bij sommige versies op de achterportieren, zijn knoppen F fig. 62 aanwezig om de betreffende ruiten te bedienen. 57 WEGWIJS IN UW AUTO Knelbeveiliging De auto is uitgerust met een knelbeveiliging die tijdens het sluiten van de zijruiten voor en achter actief is. Dit veiligheidssysteem detecteert de aanwezigheid van een obstakel tijdens het sluiten van de ruit en grijpt in door de slag van de ruit te stoppen en, afhankelijk van de positie van de ruit, om te keren. Deze voorziening is ook nuttig als de ruiten per ongeluk worden bediend door kinderen aan boord. De knelbeveiliging is zowel tijdens de handmatige als de automatische bediening van de ruit actief. Wanneer de knelbeveiliging geactiveerd wordt, wordt de beweging van de ruit onmiddellijk gestopt en omgekeerd. Tijdens de omkering van de beweging kan de ruit op geen enkele manier bediend worden. BELANGRIJK Als de knelbeveiliging binnen één minuut 5 keer achter elkaar ingrijpt of defect is, wordt het automatische sluiten van de ruit geblokkeerd, en alleen in stappen van een halve seconde toegestaan; hierbij moet de knop losgelaten worden voor de volgende manoeuvre. Om de correcte werking van het systeem te herstellen, moet de betreffende ruit geopend worden. 58 BELANGRIJK Als de contactsleutel in de stand STOP staat of verwijderd is, dan kunnen de ruiten nog ongeveer 3 minuten worden bediend. Het systeem wordt echter uitgeschakeld als een van de portieren wordt geopend. BELANGRIJK Daar waar de knelbeveiliging aanwezig is, zorgt bediening van de knop op de afstandsbediening langer dan 2 seconden voor het openen van de ruiten zolang de knop ingedrukt wordt gehouden. Als de knop langer dan 2 seconden ingedrukt wordt gehouden, worden de ruiten gesloten. BELANGRIJK 7) Het systeem voldoet aan de 2000/4/EG richtlijn inzake de bescherming van de inzittenden die uit het inzittendencompartiment leunen. BELANGRIJK 23) Oneigenlijk gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen van de ruit altijd of de passagiers niet kunnen worden verwond door de bewegende ruit of door voorwerpen die door de ruit worden meegesleept of geraakt. Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als de auto wordt verlaten om te voorkomen dat onverwachtse bediening van de elektrische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers. Initialisatie elektrische ruitbediening Als de accu werd losgekoppeld of als de zekering van de knelbeveiliging is doorgebrand, moet het systeem opnieuw worden geïnitialiseerd. Initialisatieprocedure: ❒ sluit de ruit volledig om handmatig te initialiseren; ❒ houd, nadat de ruit de eindaanslag heeft bereikt, de knop "naar boven" minstens 1 seconde ingedrukt. Voor bepaalde versies/markten, na een stroomonderbreking van de regeleenheden (accu vervangen of losgekoppeld of zekeringen van de regeleenheden voor elektrische ruitbediening vervangen), moet de automatische ruitbediening opnieuw geïnitialiseerd worden. De initialisatieprocedure moet met gesloten portieren uitgevoerd worden, zoals hieronder beschreven: ❒ open de ruit van het bestuurdersportier volledig en houd de bedieningstoets minstens drie seconden ingedrukt nadat de (onderste) eindaanslag bereikt is; ❒ sluit de ruit van het bestuurdersportier helemaal en houd, nadat de ruit het einde van de opwaartse slag heeft bereikt, de bedieningsknop minstens 3 seconden ingedrukt; BAGAGERUIMTE De ontgrendeling van de bagageruimte gebeurt elektrisch en is uitgeschakeld wanneer de auto rijdt. OPENEN Indien ontgrendeld, kan de bagageruimte van buitenaf geopend worden met het elektrische embleem fig. 63 tot de klik van het ontgrendelen wordt gehoord of met behulp van de knop op de afstandsbediening. ❒ ga vervolgens op dezelfde wijze te werk zoals beschreven onder punten 1 en 2 voor de ruit van het passagiersportier; ❒ controleer na afronding van de initialisatieprocedure of de automatische ruitbediening goed werkt. 63 A0K0068 Wanneer de achterklep wordt geopend, knipperen de richtingaanwijzers twee keer en gaat de bagageruimteverlichting branden. Wanneer de achterklep wordt gesloten, gaat de verlichting automatisch uit. De verlichting gaat ook uit wanneer de bagageruimte een paar minuten open wordt gelaten. 59 WEGWIJS IN UW AUTO BAGAGERUIMTE UITBREIDEN Achterklep van binnenuit openen in geval van nood De bagageruimte kan gedeeltelijk (1/3 of 2/3) of volledig worden uitgebreid door de achterbank te scheiden. On de achterklep in geval van nood te openen: verwijder de achterste hoofdsteunen, klap de zittingen volledig om (zie de paragraaf "Bagageruimte uitbreiden") en druk op hendel A fig. 64. 65 A0K0584 BELANGRIJK Controleer of u in het bezit van de sleutels bent voordat de achterklep wordt gesloten. De achterklep wordt namelijk automatisch vergrendeld. 64 A0K0583 SLUITEN Laat de achterklep zakken en druk in de buurt van het slot totdat het vastklikt. Op de binnenkant van de achterklep zijn hendels A fig. 65 voorzien waarmee de achterklep makkelijk kan worden gesloten. INITIALISATIE BAGAGERUIMTE BELANGRIJK Als de accu is losgekoppeld of een zekering is doorgebrand, dan moet de vergrendeling van de achterklep opnieuw worden geïnitialiseerd. Ga hiervoor als volgt te werk: Zie voor het uitbreiden van de bagageruimte de beschrijvingen in de paragrafen “Hoedenplank verwijderen” en “Achterbank neerklappen”. Hoedenplank verwijderen Ga als volgt te werk: ❒ maak de uiteinden van de twee trekkoorden A fig. 66 van de hoedenplank los door de oogjes C uit de steunpennen te verwijderen; ❒ maak de pennen A fig. 67 buiten de hoedenplank vrij en verwijder de hoedenplank B door hem naar buiten te trekken; ❒ sluit alle portieren en de achterklep; ❒ Druk op knop van de sleutel; ❒ Druk op knop van de sleutel. 67 60 A0K0585 Achterbank neerklappen Ga als volgt te werk: ❒ zet de hoofdsteunen helemaal omhoog, druk op beide knoppen A en B fig. 68 aan de zijkanten van de twee steunen, en verwijder de hoofdsteunen door ze omhoog te trekken; 69 A0K0628 Achterbank terugklappen Plaats de veiligheidsgordels opzij en controleer of ze goed uitgetrokken en niet verdraaid zijn. 66 A0K0586 ❒ na verwijdering kan de hoedenplank dwars in de bagageruimte of tussen de leuningen van de voorstoelen en de omgeklapte zittingen van de achterbank worden geplaatst (bij volledig uitgebreide bagageruimte). 68 A0K0625 ❒ plaats de veiligheidsgordels opzij en controleer of ze goed gestrekt en niet verdraaid zijn; ❒ gebruik de hendel A fig. 69 om het linker of het rechter gedeelte van de rugleuning vrij te maken en breng de rugleuning op het zitkussen (wanneer de hendel A is opgetild, is een rode streep B zichtbaar). Zet de eerder neergeklapte rugleuning omhoog tot de klik van het vergrendelmechanisme wordt gehoord. Controleer visueel of de rode streep op de hendel A fig. 69 niet meer zichtbaar is. Deze rode streep geeft aan dat de rugleuning niet is vergrendeld. Monteer tenslotte de hoofdsteunen in hun zittingen. 61 WEGWIJS IN UW AUTO LADING VASTZETTEN BAGAGEHAKEN MOTORKAP In de bagageruimte zijn twee bevestigingen A fig. 70 (voor bepaalde versies/markten) voor kabels aanwezig waarmee de vervoerde lading stevig vastgezet kan worden. Er zijn tevens twee van deze bevestigingen op de achterste dwarsbalk B aanwezig. In de bagageruimte zijn ook bagagehaken aanwezig. OPENEN 24) 25) Ga als volgt te werk: BAGAGENET (voor bepaalde versies/markten) Dit is nuttig voor een correcte schikking van de lading en/of voor het vervoeren van lichte materialen. Het bagagenet is beschikbaar in het Alfa Romeo Lineaccessori-assortiment. ❒ trek de hendel A fig. 71 in de richting van de pijl; ❒ verplaats de hendel B in de richting van de pijl en til de motorkap op. BELANGRIJK 24) Een zware lading die niet is vastgezet kan ernstig letsel bij passagiers tijdens een ongeval veroorzaken. 70 62 A0K0589 BELANGRIJK Aan elke bevestiging mag een lading van maximaal 100 kg worden vastgezet. 25) Als in een gebied wordt gereden waar weinig tankstations aanwezig zijn en men benzine in een tankje wil meenemen, moet dit overeenkomstig de geldende voorschriften en in een goedgekeurd tankje gebeuren dat op passende wijze met de bevestigingen is verankerd. Maar hoe dan ook zal het risico op brand bij een ongeval toenemen. 71 A0K0607 BELANGRIJK Het openen van de motorkap wordt vergemakkelijkt door twee gasveren aan de zijkanten. Kom nooit aan deze gasveren en begeleid de motorkap tijdens het openen. BELANGRIJK Verzeker u ervan, voordat u de motorkap opent, dat de armen van de ruitenwissers tegen de ruit liggen en dat de ruitenwisser niet werkt. IMPERIAAL/ SKIDRAGER SLUITEN Laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm van de motorruimte zakken en laat hem dan vallen. Controleer of de motorkap volledig gesloten is en niet alleen met de beveiliging is vergrendeld door te proberen hem op te tillen. Als de motorkap niet perfect gesloten is, probeer dan niet erop te drukken maar open hem opnieuw en herhaal de 26) 27) handeling. BELANGRIJK BELANGRIJK Controleer altijd of de motorkap goed vergrendeld is om te voorkomen dat deze tijdens het rijden open gaat. 26) Voor de rijveiligheid moet de motorkap tijdens het rijden altijd perfect gesloten zijn. Controleer dus altijd of de motorkap goed gesloten en vergrendeld is. Mocht men tijdens het rijden merken dat de motorkap niet goed vergrendeld is, stop dan onmiddellijk en sluit de motorkap op de correcte manier. Het volgende plaatje is in de motorruimte aangebracht fig. 72: 27) Verricht deze handelingen uitsluitend bij stilstaande auto. De bevestigingspunten A zijn aangegeven in de figuur en zijn alleen bereikbaar met geopende portieren. 28) 29) 8) 9) 73 A0K0590 In het Alfa Romeo Lineaccessori assortiment is speciaal voor deze auto een imperiaal/skidrager opgenomen. 72 A0K2012 63 WEGWIJS IN UW AUTO KOPLAMPEN LICHTBUNDEL AFSTELLEN BELANGRIJK 28) Controleer na enkele kilometers rijden of de schroeven van de bevestigingen nog goed zijn vastgedraaid. 29) Verdeel de lading gelijkmatig en houd bij het rijden rekening met een verhoogde zijwindgevoeligheid. BELANGRIJK 8) Overschrijd nooit de maximum toegestane belastingen (zie hoofdstuk“Technische gegevens). 9) Houd u aan de van toepassing zijnde wetten met betrekking tot de maximale afmetingen. Een goede afstelling van de koplampen is belangrijk voor het comfort en de veiligheid van de bestuurder en alle overige weggebruikers. Dit wordt bovendien geregeld door specifieke voorschriften van de wegenverkeerswetgeving. De koplampen moeten op de juiste wijze gericht zijn om de beste zichtcondities voor alle bestuurders te garanderen. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk voor controle en eventuele afstelling van de koplampen. HOOGTEREGELING KOPLAMPEN De hoogteregeling werkt met de contactsleutel in de stand MAR en ingeschakelde dimlichten. Koplampverstelling knoppen of fig. 74. Druk op de De ingestelde stand wordt op de display getoond. Stand 0 : een of twee personen op de voorstoelen. Stand 1 : 4 personen. 64 74 A0K0541 Stand 2 : 4 personen + bagage in bagageruimte. Stand 3 : bestuurder + maximum toegestane lading volledig in de bagageruimte opgeborgen. BELANGRIJK Controleer de afstelling van de koplampen telkens als het gewicht van de vervoerde lading verandert. BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met Bixenon koplampen, wordt de hoogte elektronisch geregeld, en en knoppen niet derhalve zijn de aanwezig. MISTLAMPEN AFSTELLEN (voor bepaalde versies/markten) Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk voor controle en eventuele afstelling van de koplampen. KOPLAMPAFSTELLING IN HET BUITENLAND De dimlichten zijn afgesteld voor gebruik in het land waar de auto oorspronkelijk is gekocht. Als gereden wordt in landen waar op de andere weghelft wordt gereden, moeten, om verblinding van tegenliggers te voorkomen, delen van de koplamp worden afgedekt overeenkomstig de wegenverkeerswetgeving van het betreffende land. ESC-SYSTEEM IN HET KORT ❒ Onderstuur: treedt op wanneer de auto minder draait dan overeenkomstig de hoek van het stuurwiel zou moeten. Het ESC-systeem verbetert de richtingscontrole en stabiliteit van de auto onder diverse rijomstandigheden. Het ESC-systeem omvat ook de volgende subsystemen: Het ESC-systeem corrigeert het onderstuur en overstuur van de auto door de remkracht naar de juiste wielen te sturen. Ook het door de motor geleverde koppel kan verminderd worden om de controle over de auto te behouden. ❒ CBC 30) 31) 32) 33) 34) ❒ EBD ❒ ABS ❒ ASR ❒ HILL HOLDER ❒ HBA ❒ MSR ❒ DST ❒ “ELECTRONIC Q2” (“E-Q2”) Het ESC-systeem maakt gebruikt van de in de auto gemonteerde sensoren om de baan te bepalen die de bestuurder wil volgen en vergelijkt deze met de werkelijke baan van de auto. Wanneer de werkelijke baan afwijkt van de gewenste baan, grijpt het ESC-systeem in om het overstuur of onderstuur van de auto te corrigeren. ❒ "PRE-FILL" (RAB - Ready Alert Brake) INSCHAKELING VAN HET SYSTEEM Het ESC-systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer de motor wordt gestart; het kan niet worden uitgeschakeld. ❒ Overstuur: treedt op wanneer de auto meer draait dan overeenkomstig de hoek van het stuurwiel zou moeten. 65 WEGWIJS IN UW AUTO INGREEP VAN HET SYSTEEM Dit wordt aangegeven door het op het knipperen van het lampje instrumentenpaneel, om de bestuurder te waarschuwen dat de stabiliteit en de grip van de auto kritiek zijn. EBD-SYSTEEM Het EBD-systeem maakt deel uit van het ESC-systeem en grijpt in tijdens het remmen door de remkracht op optimale wijze over voor- en achterwielen te verdelen. Dit garandeert meer remstabiliteit aan de auto, door het plotselinge blokkeren van de achterwielen en de daaruit volgende instabiliteit van de auto te voorkomen. ABS Dit systeem, dat deel uitmaakt van het remsysteem, voorkomt het blokkeren of slippen van een of meerdere wielen op alle soorten wegdek en ongeacht de kracht van de remwerking, zodat de auto ook tijdens paniekremmen onder controle gehouden kan worden en de remweg wordt geoptimaliseerd. 66 Het systeem grijpt in tijdens het remmen wanneer de wielen dreigen te blokkeren tijdens paniekremmen of onder slechte adhesiecondities, waarbij blokkering vaker kan voorkomen. Het systeem verhoogt tevens de controleerbaarheid en stabiliteit van de auto wanneer op oppervlakken met verschillende grip voor de wielen aan rechter- en linkerzijde of in bochten wordt geremd. Ingreep van het systeem Een licht pulseren van het rempedaal en geluid duiden op het ingrijpen van het ABS: dit zijn volledig normale verschijnselen. 35) 36) 37) 38) 39) 40) 41) CBC-SYSTEEM (Cornering Brake Control) Dit systeem grijpt in wanneer in bochten geremd wordt, waarbij de verdeling van de remkracht over de vier wielen wordt geoptimaliseerd: het systeem voorkomt dat de wielen in de binnenbocht (minder beïnvloed door het gewicht van de auto) blokkeren, waardoor betere stabiliteit en richting wordt gegarandeerd. ASR-SYSTEEM (Anti-Slip Regulation) 42) 43) 44) Dit systeem maakt deel uit van het ESC-systeem en grijpt automatisch in als één of beide aangedreven wielen slippen, grip verliezen op natte wegen (aquaplaning) en tijdens het optrekken op glad, besneeuwd of met ijzel bedekt wegdek, enz. Afhankelijk van de slipcondities, kunnen twee verschillende regelsystemen worden geactiveerd: ❒ als beide aangedreven wielen doorslippen, grijpt het ASR-systeem in door het door de motor doorgegeven vermogen te reduceren; ❒ als slechts één aangedreven wiel doorslipt, grijpt het ook automatisch in door het doorslippende wiel af te remmen. Ingreep van het systeem Dit wordt aangegeven door het op het knipperen van het lampje instrumentenpaneel, om de bestuurder te waarschuwen dat de stabiliteit en de grip van de auto kritiek zijn. HILL HOLDER-SYSTEEM Dit systeem is een onderdeel van het ESC-systeem en assisteert de bestuurder bij het wegrijden op hellingen in de volgende gevallen: ❒ op een helling: als de auto stilstaat op een afdalende weg van meer dan 5% met draaiende motor, ingetrapte rempedaal en de versnellingsbak in de vrijstand of met ingeschakelde versnelling (andere dan achteruit). ❒ op een afdaling: als de auto stilstaat op een weg met een hellingsgraad van meer dan 5% met draaiende motor, ingetrapt rempedaal en ingeschakelde achteruitversnelling. Tijdens het wegrijden houdt de regeleenheid van het ESC-systeem de wielen geremd, totdat het nodige motorkoppel is bereikt om te kunnen wegrijden, of in ieder geval maximaal 2 seconden, zodat de bestuurder de tijd heeft om de rechtervoet van het rempedaal naar het gaspedaal te verplaatsen. Als na twee seconden niet wordt weggereden, wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en wordt de remdruk geleidelijk gereduceerd. Tijdens deze fase kan een typisch mechanisch remgeluid gehoord worden, wat aangeeft dat de auto zich begint te verplaatsen. BELANGRIJK Het Hill Holder-systeem is geen parkeerrem; laat de auto dus nooit achter zonder de handrem te hebben aangetrokken, de motor te hebben uitgeschakeld en de eerste versnelling te hebben ingeschakeld, zodat de geparkeerde auto in veilige omstandigheden verkeert (lees ook de paragraaf "Parkeren" in het hoofdstuk "Starten en rijden"). BELANGRIJK Er kunnen situaties op kleine hellingen (minder dan 8%) voorkomen waarin, bij beladen auto, het Hill Holder-systeem niet in werking treedt en de auto zich iets naar achteren verplaatst, waardoor het risico op een botsing met een ander voertuig of voorwerp toeneemt. De bestuurder is in elk geval verantwoordelijk voor een veilige rijstijl. HBA-SYSTEEM (Hydraulic Brake Assist) 45) 46) 47) Het HBA-systeem is ontworpen om het remvermogen van de auto tijdens noodremmen te verbeteren. Het systeem detecteert het noodremmen door de snelheid en de kracht waarmee het rempedaal wordt ingetrapt te controleren en past vervolgens de optimale remdruk toe. Dit kan de remweg verkorten en dus vormt het HBA-systeem een aanvulling op het ABS. Er wordt maximale assistentie van het HBA-systeem verkregen als het rempedaal zeer snel wordt ingetrapt. Tevens moet het rempedaal continu, dus niet intermitterend, ingetrapt worden tijdens het remmen, om zo veel mogelijk uit het systeem te halen. Verminder niet de druk op het rempedaal zolang geremd moet worden. Het HBA-systeem wordt uitgeschakeld wanneer het rempedaal wordt losgelaten. 67 WEGWIJS IN UW AUTO MSR-SYSTEEM (Motor Schleppmoment Regelung) Dit systeem is een onderdeel van het ABS-systeem dat bij bruusk terugschakelen ingrijpt door het motorkoppel te regelen, zodat overmatige aandrijving op de aangedreven wielen wordt voorkomen, wat vooral bij slechte gripcondities tot verlies van stabiliteit van de auto kan leiden. DST-SYSTEEM (Dynamic Steering Torque) Deze functie integreert Dual Pinion stuurbekrachtiging in de werking van het ESC. Bij bijzondere manoeuvres regelt het ESC-systeem de stuurinrichting door een stuurkoppel te activeren om de bestuurder zo goed mogelijk bij te staan. Het systeem werkt op gecoördineerde wijze in op de remmen en de stuurinrichting om de wielophanging en het veiligheidsniveau van de auto in zijn geheel te verbeteren. De stuurinrichting zorgt voor extra koppel op het stuurwiel. 68 “ELECTRONIC Q2”-SYSTEEM (“E-Q2”) Het "Electronic Q2"-systeem grijpt in bij acceleratie in bochten door het binnenwiel af te remmen en hierdoor de aandrijving van het buitenwiel te verbeteren (die meer van het autogewicht draagt): het koppel wordt op die manier op optimale wijze over de aangedreven wielen verdeeld, afhankelijk van de rijomstandigheden en het wegdek, waardoor een bijzonder effectieve, sportieve rijstijl wordt bereikt. "PRE-FILL"-SYSTEEM (RAB - Ready Alert Brake) (alleen bij ingeschakelde "Dynamic"functie) Deze functie wordt automatisch ingeschakeld wanneer het gaspedaal snel wordt losgelaten, door de slag van het remblok (zowel voor als achter) te verminderen. Dit heeft als doel om het remsysteem voor te bereiden en zijn reactievermogen te verbeteren, waardoor de remafstand bij het volgende remmen afneemt. BELANGRIJK 30) Het ESC kan niet de door het wegdek geboden grip boven de limieten van de natuurkundige wetten laten toenemen. 31) Het ESC kan geen ongelukken voorkomen, waaronder ongelukken wegens overmatige snelheid in bochten, rijden op wegdek met weinig grip of aquaplaning. 32) De capaciteiten van het ESC mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden uitgetest, waardoor de persoonlijke veiligheid en die van anderen in gevaar komt. 33) Voor een goede werking van het ASR moeten de banden van alle wielen van hetzelfde merk zijn, in perfecte conditie verkeren en vooral van het voorgeschreven type en maat zijn. 34) De prestaties van het ESC- en het ASR-systeem mogen de bestuurder nooit aanmoedigen om onnodige risico's te nemen. Uw rijstijl moet altijd aangepast zijn aan de wegcondities, het zicht en het verkeer. De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor de verkeersveiligheid. 35) Wanneer het ABS wordt ingeschakeld, is een trilling aan het rempedaal voelbaar. Verlaag de remdruk niet en houd het rempedaal goed ingetrapt; zo zorgt het systeem voor de kortste remweg op basis van de wegcondities. 36) Een inrijperiode van circa 500 km is vereist om het beste uit het remsysteem te halen: vermijd tijdens deze periode bruusk, herhaaldelijk of langdurig remmen. 37) Als het ABS-systeem ingrijpt, dan betekent dit dat de limiet van de grip van de banden op het wegdek is bereikt: verlaag de snelheid en pas deze aan de beschikbare grip aan. 39) Het ABS kan geen ongelukken voorkomen, waaronder ongelukken wegens overmatige snelheid in bochten, rijden op wegdek met weinig grip of aquaplaning. 44) De capaciteiten van het ASR-systeem mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden uitgetest, waardoor de persoonlijke veiligheid en die van anderen in gevaar komt. 40) De capaciteiten van het ABS mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden uitgetest, waardoor de persoonlijke veiligheid en die van anderen in gevaar komt. 45) Het HBA-systeem kan niet de door het wegdek geboden grip boven de limieten van de natuurkundige wetten laten toenemen. 41) Voor een goede werking van het ABS moeten de banden van alle wielen van hetzelfde merk zijn, in perfecte conditie verkeren en vooral van het voorgeschreven type en maat zijn. 42) Het ASR-systeem kan niet de door het wegdek geboden grip boven de limieten van de natuurkundige wetten laten toenemen. 43) Het ASR-systeem kan geen ongelukken voorkomen, waaronder ongelukken wegens overmatige snelheid in bochten, rijden op wegdek met weinig grip of aquaplaning. 46) Het HBA-systeem kan geen ongelukken voorkomen, waaronder ongelukken wegens overmatige snelheid in bochten, rijden op wegdek met weinig grip of aquaplaning. 47) De capaciteiten van het HBA-systeem mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden uitgetest, waardoor de veiligheid van de bestuurder, de overige inzittenden van de auto en andere weggebruikers in gevaar komt. 38) Het ABS kan niet de door het wegdek geboden grip boven de limieten van de natuurkundige wetten laten toenemen. 69 WEGWIJS IN UW AUTO “Alfa DNA”-SYSTEEM (Dynamische controle van de auto) Wanneer de hendel A fig. 75 in de stand “d” wordt gebracht, wordt de “Dynamic” modus ingeschakeld en wordt dit aangegeven door het variëren van de felheid (knipperen) van de verlichting het instrumentenpaneel. Dit systeem wordt bediend met de hendel A fig. 75 (op de tunnelconsole) waarmee drie verschillende rijmodussen naargelang de rijstijl en wegcondities kunnen worden gekozen: RIJMODUSSEN De hendel A beschikt over een stabiele stand. Met andere woorden, de hendel blijft altijd in de middelste stand. De gekozen rijmodus wordt aangegeven met een brandende led op het paneel en wordt op het herconfigureerbaar multifunctioneel display as volgt aangegeven: ❒ Dynamische modus fig. 76 (displayweergave beschikbaar voor bepaalde versies/markten) 75 “Natural” Wanneer de modus “Natural” is gekozen, worden er geen meldingen en symbolen op de display weergegeven. ESC en ASR systemen: de activeringsdrempels zijn ingesteld voor comfort en veiligheid onder normale grip- en rijomstandigheden. Stuurwielafstelling: functies ingesteld voor comfort onder normale gebruiksomstandigheden. ❒ n = Natural (modus voor rijden onder normale omstandigheden); ❒ a = All Weather (modus voor rijden onder omstandigheden van weinig grip, zoals regen en sneeuw). 70 A0K0592 "ELECTRONIC Q2" systeem: het systeem is gekalibreerd om een maximaal rijcomfort te verzekeren. A0K0612 ❒ d = Dynamic (sportieve rijmodus); Het systeem grijpt ook in op de dynamische controle van de auto (motor, sturing, VDC-systeem, instrumentenpaneel). 77 76 ❒ All Weather Modus fig. 77 A0K0591 DST: standaard remregeling gecombineerd met ABS/ESC. Standaard regeling van zijdelingse versnelling. Overstuurcompensatie: met een lichte impuls op het stuurwiel wordt de bestuurder geadviseerd om de geschiktste manoeuvre uit te voeren. Motor: standaard respons. Motor:snellere respons + Overboost voor maximalisatie van het koppelniveau (voor bepaalde versies/markten). INSCHAKELING/ UITSCHAKELING “Dynamic” MODUS BELANGRIJK Voor bepaalde versies/markten geldt dat de overschakeling naar de modus “Dynamic” automatisch wordt onderdrukt na enkele kilometers te hebben gereden om ervoor te zorgen dat de mechanische onderdelen van de versnellingsbak goed stabiliseren. Als voor deze limiet toch wordt getracht dit systeem in te schakelen, dan verschijnt een speciaal bericht op het display om aan te geven dat dit verzoek niet kan worden ingewilligd. Inschakeling Breng hendel A fig. 75 omhoog (ter hoogte van de letter “d”) en houd hem 0,5 seconde in deze stand tot de betreffende led brandt of tot het woord “Dynamic” op het display verschijnt (zie fig. 78). Nog het loslaten keert de hendel A terug naar de middelste stand. 78 A0K1510 ESC en ASR: activeringsdrempels voor een aangenamere, sportievere rijstijl, waarbij stabiliteit van het voertuig wordt verzekerd. "ELECTRONIC Q2" systeem: het systeem is gekalibreerd om de tractie te verhogen bij acceleratie in bochten, voor een maximale wendbaarheid van het voertuig. Stuurwielafstelling: gebruikt de sportfunctie. DST: standaard remregeling gecombineerd met ABS/ESC. Standaard regeling van zijdelingse versnelling. Compenseert overstuur afhankelijk van de ESC/ASR activeringsdrempels: met een lichte impuls op het stuurwiel wordt de bestuurder geadviseerd de geschiktste manoeuvre uit te voeren. RAB: voorinstelling van de remblokken (voor en achter) gevolgd door het snel loslaten van het gaspedaal om de remtijd te reduceren, de remweg te verkorten en het gevoel van het rempedaal te verbeteren. Wanneer de Dynamic modus wordt ingeschakeld, verandert ook de lichtintensiteit van het instrumentenpaneel die eerst afneemt, vervolgens toeneemt en tenslotte weer terugkeert naar de vooringestelde waarde. Uitschakeling Om de “Dynamic” modus uit te schakelen en terug te keren naar “Natural”, moet dezelfde beweging van de hendel binnen dezelfde tijd herhaald worden. In dit geval gaat de led van de “Natural” modus branden en wordt het opschrift “Natural on” op het display weergegeven (zie fig. 79). 71 WEGWIJS IN UW AUTO 79 A0K1059 INSCHAKELING/ UITSCHAKELING “All Weather” MODUS Inschakeling Breng de hendel A fig. 75 omlaag (nabij de letter “a”) en houd hem in deze stand gedurende 0,5 seconden tot de betreffende leds branden of tot het opschrift “All Weather” op de display verschijnt (zie fig. 80). ESC en ASR systemen: de activeringsdrempels zijn ingesteld om een maximale veiligheid bij lage gripcondities te verzekeren. Bij montage van sneeuwkettingen is raadzaam om de "All Weather" modus in te schakelen. BELANGRIJK ❒ Direct schakelen van de “Dynamic” naar de “All Weather” modus en omgekeerd is niet mogelijk. Om de andere modus in te schakelen moet eerst worden teruggekeerd naar de “Natural” modus. "ELECTRONIC Q2" systeem: het system is uitgeschakeld. ❒ De rijmodus die ingeschakeld was voordat de motor werd uitgeschakeld, wordt gehandhaafd als de motor weer gestart wordt. Stuurwielafstelling: maximum comfort. DST: hogere remregeling gecombineerd met ABS/ESC. Standaard regeling van zijdelingse versnelling. Compenseert overstuur afhankelijk van de ESC/ASR activeringsdrempels: met een lichte impuls op het stuurwiel wordt de bestuurder geadviseerd de geschiktste manoeuvre uit te voeren. Motor: standaard respons. Uitschakeling Om de “All Weather” modus uit te schakelen en terug te keren naar de “Natural” modus, ga op dezelfde wijze te werk als voor de “Dynamic” modus, maar beweeg de hendel A fig. 75 naar “a”. 80 72 A0K1511 ❒ Bij een storing in het systeem of een defect van de hendel A, kunnen geen rijmodi worden gekozen. Het display toont dan een waarschuwingsmelding. START&STOP SYSTEEM Het symbool fig. 81 verschijnt op de display als de motor wordt afgezet. (voor bepaalde versies/markten) IN HET KORT Het Start&Stop-systeem zet automatisch de motor af wanneer de auto stilstaat en start de motor zodra de bestuurder weer wil gaan rijden. Dit verhoogt de efficiency van de auto dankzij een reductie van het brandstofverbruik, de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen en geluidsoverlast. 82 81 A0K0163 De motor opnieuw starten Trap het koppelingspedaal in om de motor opnieuw te starten. WERKING Uitschakelmodus van de motor Bij stilstaande auto, wordt de motor afgezet als de versnellingspook in de vrijstand staat en het koppelingspedaal niet is ingetrapt. OPMERKING De motor kan alleen automatisch worden afgezet bij een snelheid van meer dan 10 km/h, om herhaaldelijk afzetten van de motor te voorkomen wanneer erg traag wordt gereden. HET SYSTEEM HANDMATIG INSCHAKELEN/ UITSCHAKELEN op de Druk op de knop tunnelconsole fig. 82 om het systeem handmatig in of uit te schakelen. A0K0613 Inschakeling Start&Stop systeem Er verschijnt een bericht op het display wanneer het Start&Stopsysteem wordt ingeschakeld. In deze toestand is de gedoofd. led op de knop Start&Stop systeem uitschakelen ❒ Versies met multifunctionele display: er wordt een melding getoond wanneer het Start&Stop-systeem wordt uitgeschakeld. ❒ Versies met herconfigureerbare multifunctionele display: het symbool en een melding worden getoond wanneer het Start&Stop-systeem wordt uitgeschakeld. gaat branden De led op de knop wanneer het systeem wordt uitgeschakeld. 73 WEGWIJS IN UW AUTO OMSTANDIGHEDEN WAARBIJ DE MOTOR NIET WORDT AFGEZET OMSTANDIGHEDEN WAARBIJ DE MOTOR HERSTART Bij ingeschakeld systeem wordt, omwille van comforteisen, emissieregeling en veiligheidsredenen, de motor niet afgezet onder de 10): volgende omstandigheden ❒ nog koude motor; Bij ingeschakeld systeem wordt, om redenen van comfort, emissiecontrole en veiligheid, de motor niet afgezet onder de volgende omstandigheden: ❒ buitengewoon lage buitentemperatuur; ❒ onvoldoende acculading; ❒ bezig met regeneratie van het roetfilter (DPF) (alleen bij dieselmotoren); ❒ bestuurdersportier niet gesloten; ❒ veiligheidsgordel van de bestuurder niet omgelegd; ❒ ingeschakelde achteruit (bijv. bij het parkeren); ❒ bij versies met dual zone automatische klimaatregeling (voor bepaalde versies/markten), wanneer een comfortabele temperatuur in het interieur moet worden bereikt of bij ingeschakelde MAX-DEF functie; ❒ tijdens de inrijperiode, als het systeem wordt geïnitialiseerd. 74 ❒ onvoldoende acculading; ❒ onvoldoende onderdruk in het remsysteem (bijvoorbeeld na meermaals intrappen van het rempedaal); ❒ auto in beweging (bijvoorbeeld als bergaf wordt gereden); ❒ als de motor langer dan circa 3 minuten is afgezet door het Start&Stop-systeem; ❒ bij versies met dual zone automatische klimaatregeling (voor bepaalde versies/markten), wanneer een comfortabele temperatuur in het interieur moet worden bereikt of bij ingeschakelde MAX-DEF functie. Wanneer een versnelling is ingeschakeld, kan de motor alleen automatisch worden gestart door het koppelingspedaal helemaal in te trappen. De start wordt aan de bestuurder gemeld met een bericht en, voor bepaalde versies/markten, gaat het symbool op de display knipperen. Opmerkingen Als de bestuurder het koppelingspedaal niet intrapt, kan de motor, 3 minuten na het afzetten, alleen m.b.v. de contactsleutel worden gestart. Als de motor onbedoeld is afgeslagen, bijvoorbeeld door het koppelingspedaal te snel los te laten met ingeschakelde versnelling, en het Start&Stop-systeem is actief, dan kan men de motor herstarten door het koppelingspedaal helemaal in te trappen of door de versnellingspook in de vrijstand te schakelen. VEILIGHEIDSINSTELLINGEN Als het Start&Stop-systeem de motor heeft afgezet en de bestuurder maakt zijn veiligheidsgordel los en opent het bestuurdersportier of het passagiersportier, dan kan men de motor alleen herstarten m.b.v. de contactsleutel. De bestuurder wordt op de hoogte gebracht door een geluidssignaal, het knipperen van het symbool op de display en bij sommige versies verschijnt ook een melding op de display. "ENERGY SAVING" FUNCTIE (voor bepaalde versies/markten) Als de bestuurder, na een automatische start van de motor, gedurende 3 minuten geen enkele handeling uitvoert, dan schakelt het Start&Stop-systeem de motor definitief uit om brandstof te kunnen besparen. In dergelijke gevallen kan men de motor alleen herstarten m.b.v. de contactsleutel. OPMERKING De motor kan in elk geval draaiende worden gehouden door het Start&Stop-systeem uit te schakelen. LANGDURIGE STILSTAND VAN DE AUTO STARTEN MET HULPACCU Als de auto enige tijd niet gebruikt wordt (of als de accu wordt vervangen), moet speciale aandacht besteed worden aan het loskoppelen van de stroomvoorziening van de accu. Wanneer men met een hulpaccu moet starten, mag de minkabel (–) van de hulpaccu nooit worden aangesloten op de minpool A fig. 84 van de accu in de auto. Sluit de minkabel aan op een massapunt op de motor of op de 49) versnellingsbak. Ga als volgt te werk: koppel de stekker A fig. 83 (door bediening van knop B) van de accusensor C op de minklem D van de accu los. Deze sensor mag nooit van de accu losgemaakt worden, behalve bij vervanging van de accu. 48) ONREGELMATIGE WERKING Indien zich een storing voordoet, wordt het Start&Stopsysteem uitgeschakeld. De bestuurder wordt op de hoogte gebracht van de storing door het knipperende symbool (uitvoeringen met multifunctioneel display) of symbool (uitvoeringen met herconfigureerbaar multifunctioneel display). Voor bepaalde uitvoeringen/markten, indien aanwezig, wordt er ook een bericht weergegeven. Neem in dit geval contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 83 84 A0K0755 85 A0K0614 A0K0594 BELANGRIJK Wacht, nadat de contactsleutel naar STOP is gedraaid en het bestuurdersportier is gesloten, minstens een minuut voordat u de elektrische voeding van de accu loskoppelt en vervolgens weer aansluit. 75 WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJK 10) Als u de voorkeur geeft aan klimaatcomfort, kan het Start&Stop systeem uitgeschakeld worden om een voordurende werking van het aircosysteem toe te staan. BELANGRIJK 48) Wendt u zich voor vervanging van de accu altijd tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. Vervang de accu door een exemplaar van hetzelfde type (HEAVY DUTY) en met identieke specificaties. 76 49) Controleer alvorens de motorkap te openen of de motor is afgezet en de contactsleutel in de stand STOP staat. Volg de instructies op die zijn aangegeven op het plaatje op de voorste traverse (fig. 85). Wij adviseren om de contactsleutel uit het contactslot te nemen als er andere mensen in de auto achterblijven. Alle inzittenden moeten uit de auto stappen nadat de contactsleutel is uitgenomen of naar de STOP-stand is gedraaid. Controleer bij het tanken of de motor is afgezet en of de contactsleutel in de stand STOP staat. iTPMS (indirect Tyre Pressure Monitoring System) (voor bepaalde versies/markten) BESCHRIJVING De auto kan uitgerust zijn met het iTPMS (indirect Tyre Pressure Monitoring System) dat via de wielsnelheidsensoren de toestand van de bandenspanning controleert. Het systeem waarschuwt de bestuurder als een of meer banden leeg zijn met een vast brand en een waarschuwingslampje waarschuwingsbericht op het display. Als slechts een band leeg is, kan het systeem zijn positie aangeven: het wordt echter aanbevolen om de spanning van alle vier de banden te controleren. Deze aanduiding wordt ook weergegeven nadat de motor wordt afgezet en weer gestart wordt, zolang de resetprocedure niet wordt uitgevoerd. RESETPROCEDURE Het iTPMS-systeem heeft een "inleerfase" nodig (met een duur die afhangt van de rijstijl en de wegcondities:bij optimale omstandigheden wordt gereden op een rechte weg bij 80 km/h voor minstens 20 minuten) die begint wanneer de resetprocedure wordt uitgevoerd. Druk, voor het uitvoeren van de RESET bij stilstaande auto en contactsleutel op MAR, 2 seconden op de knop fig. 86 op het dashboard; na de RESET toont het display een speciaal bericht dat aangeeft dat het "inleren" is gestart. De resetprocedure moet worden uitgevoerd: ❒ elke keer dat de bandenspanning wordt gewijzigd; ❒ wanneer ook maar een wiel verwisseld wordt; ❒ wanneer de banden worden gedraaid of omgewisseld; ❒ wanneer het noodreservewiel wordt gemonteerd. Pomp, voordat de RESET wordt uitgevoerd, de banden met de juiste bandenspanning op, vermeld in de bandenspanningstabel (zie de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens"). Als de RESET niet wordt uitgevoerd in alle bovenstaande gevallen, kan het verkeerde waarschuwingslampje aanduidingen over een of meer banden geven. 86 A0K0608 WERKINGSCONDITIES 50) 51) 52) 53) 54) 55) Het systeem is actief bij snelheden van meer dan 15 km/h. Onder speciale omstandigheden (bijv. auto asymmetrisch beladen aan één kant, trekken van een aanhanger, beschadigde of versleten band, montage van het noodreservewiel, gebruik van de snelle bandenreparatieset "Fix&Go", gebruik van sneeuwkettingen, verschillende banden op de assen gemonteerd) kan het systeem onjuiste indicaties geven of tijdelijk uitgeschakeld zijn. Als het systeem tijdelijk uitgeschakeld is, knippert het waarschuwingslampje ongeveer 75 seconden en blijft daarna vast branden; tegelijkertijd wordt op het display een speciaal bericht weergegeven. Deze aanduiding wordt ook aangegeven na het afzetten en opnieuw starten van de motor, als de correcte werkingscondities niet hersteld worden. In enkele situaties zoals sportief rijden, bijzondere omstandigheden van het wegdek (bijv. ijs, sneeuw, onverharde wegen) kan de signalering vertraagd worden of gedeeltelijk blijken voor wat betreft het gelijktijdig verlies van spanning van meerdere banden. 77 WEGWIJS IN UW AUTO BELANGRIJKE INFORMATIE BELANGRIJK 50) Als het systeem een spanningsafname van een bepaalde band aangeeft, wordt geadviseerd om de spanning van alle vier de banden te controleren. 51) Het iTPMS ontslaat de bestuurder niet van de verplichting om de bandenspanning elke maand te controleren en mag niet beschouwd worden als een systeem dat het onderhoud of de veiligheid vervangt. 52) De bandenspanning moet bij koude banden gecontroleerd worden. Als de bandenspanning om welke reden dan ook bij warme banden moet worden gecontroleerd, dan mag de spanning niet worden verlaagd, ook wanneer de gemeten waarde hoger is dan de voorgeschreven spanningswaarde. Controleer de bandenspanning nadien nogmaals bij koude banden. 78 53) Het iTPMS-systeem waarschuwt niet bij een plotselinge afname van de bandenspanning (bijvoorbeeld bij een klapband). Breng in dergelijke gevallen de auto tot stilstand en voorkom bruuske stuurbewegingen. 54) Het systeem waarschuwt alleen dat de bandenspanning laag is: het is niet in staat om de banden op te blazen. 55) Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik, verlaagt de duur van het loopvlak en kan het vermogen om de auto op veilige manier te besturen beïnvloeden. EOBD-SYSTEEM (European On Board Diagnosis) (voor bepaalde versies/markten) Werking Het EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) voert een voortdurende diagnose uit op autocomponenten die met emissies verband houden. Bovendien waarschuwt het systeem de bestuurder door het inschakelen van op een waarschuwingslampje het instrumentenpaneel (en het verschijnen van een bericht op het display) wanneer deze componenten niet langer in uitstekende staat verkeren (zie paragraaf "Lampjes en berichten" in het hoofdstuk "Kennismaking met het instrumentenpaneel"). Het doel van het EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) is: ❒ de werking van het systeem controleren; ❒ signaleren wanneer de emissiewaarden stijgen; ❒ de noodzaak voor het vervangen van beschadigde onderdelen aangeven. De auto beschikt ook over een stekker waarmee, na aansluiting van speciale apparatuur, de door de regeleenheid opgeslagen storingscodes en de specifieke parameters voor diagnose en werking van de motor kunnen worden uitgelezen. Deze controle kan ook door de verkeerspolitie worden verricht. BELANGRIJK Na de storing te hebben verholpen moet het Alfa Romeo Servicenetwerk, om het systeem volledig te controleren, tests uitvoeren en zo nodig tests op de weg die ook een lange afstandsrit kunnen vereisen. DUAL PINION STUURBEKR ACHTIGING Werking Dit systeem werkt alleen als de contactsleutel in de stand MAR-ON staat en bij draaiende motor. De stuurinrichting zorgt ervoor dat de benodigde kracht voor het verdraaien van het stuurwiel wordt aangepast aan de rijomstandigheden. Met de DNA-standen van de “Alfa DNA Systeem” hendel kunnen verschillende soorten stuurbekrachtiging worden gekozen (zie de paragraaf “Alfa 56) DNA-Systeem”). BELANGRIJK 56) After-market werkzaamheden waarbij wijzigingen van de stuurinrichting of de stuurkolom betrokken zijn (bv. bij montage van een alarmsysteem) zijn ten strengste verboden. Dergelijke werkzaamheden kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar brengen waardoor de auto niet meer aan de typegoedkeuring voldoet. BELANGRIJK Na loskoppeling van de accu moet de stuurbekrachtiging geïnitialiseerd worden. Het lampje gaat branden om dit aan te geven. Ga hiervoor als volgt te werk: draai het stuurwiel van het ene uiteinde naar het andere of rijd circa honderd meter op een rechtlijnig stuk weg. 79 WEGWIJS IN UW AUTO INBOUWVOORBEREIDING VOOR AUTORADIO (voor bepaalde versies/markten) Als er bij de auto geen Uconnect™ 5" Radio of Uconnect™ 6.5" Radio Nav is aangevraagd, wordt de auto geleverd met een dubbel opbergvak in het dashboard fig. 87. De autoradio moet in het hiervoor bestemde vak A fig. 87 gemonteerd worden; toegang tot dit vak wordt verkregen door te drukken op de twee borglipjes in het vak zelf; de voedingskabels kunnen hier gevonden 57) worden. BELANGRIJK 57) Neem voor verbinding van de radio met de inbouwvoorbereiding contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om elk probleem te voorkomen dat de veiligheid van de auto in gevaar brengt. 87 A0K0665 De inbouwvoorbereiding voor een autoradio bestaat uit: ❒ voedingskabels autoradio, speakers voor en achter en een antenne; ❒ vak voor autoradio; ❒ antenne op dak. 80 OPTIONELE ACCESSORIES Als men na aanschaf van het voertuig accessoires wil monteren die constante elektrische voeding nodig hebben (radio, diefstalalarm, satellietbewaking via GPS enz.) of veel stroom verbruiken, dient men contact op te nemen met het gespecialiseerde personeel van het Alfa Romeo Servicenetwerk. Zij kunnen de meest geschikte apparatuur uit het assortiment Lineaccessori Alfa Romeo aanbevelen en controleren of de elektrische installatie berekend is op de vereiste belasting en of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. 58) MONTAGE VAN ELEKTRISCHE/ ELEKTRONISCHE SYSTEMEN Elektrische/elektronische systemen die na aanschaf van de auto door de aftersales-service worden gemonteerd, moeten van het volgende merkteken zijn voorzien:fig. 88 88 DISPOSITIVI-ELETTRONICI Fiat Group Automobiles S.p.A. autoriseert de montage van zend-/ ontvangstapparatuur op voorwaarde dat deze door een gespecialiseerd bedrijf op vakkundige wijze en overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant wordt uitgevoerd. RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBIELE TELEFOONS BELANGRIJK In geval van montage van systemen waarbij de kenmerken van de auto worden gewijzigd, kan het kentekenbewijs door de bevoegde instanties ingenomen worden. Dit kan ook de ongeldigheid van de garantie met zich meebrengen voor defecten veroorzaakt door voornoemde wijziging of die direct of indirect hierop terug te voeren zijn. BELANGRIJK Het gebruik van deze apparaten in de auto (zonder buitenantenne) kan storingen in de elektronische systemen van de auto veroorzaken. Dit kan de veiligheid van de auto in gevaar brengen en een potentieel gevaar voor de gezondheid van de passagiers opleveren. Fiat Group Automobiles S.p.A. wijst elke aansprakelijkheid af voor schade die het gevolg is van montage van accessoires die niet door Fiat Group Automobiles S.p.A. zijn geleverd of aanbevolen en die niet conform de verschafte aanwijzingen zijn gemonteerd. Radiozendapparatuur (autotelefoons, CB-zenders, radioamateurs e.d.) mag alleen in het voertuig worden gebruikt met een aparte antenne die op het dak is gemonteerd. Voor wat betreft het gebruik van mobiele telefoons (GSM, GPRS, UMTS) met het officiële EU-keurmerk, wordt verwezen naar de gebruiksaanwijzingen van de fabrikant van de mobiele telefoon. BELANGRIJK 58) Let op bij het monteren van aanvullende spoilers of nietstandaard lichtmetalen velgen: daardoor kan de ventilatie van de remmen namelijk beperkt worden, wat invloed heeft op de efficiëntie van de remmen bij bruusk, herhaaldelijk remmen of op lange afdalingen. Let erop dat de slag van de pedalen nergens door wordt belemmerd (matten, enz.). 81 WEGWIJS IN UW AUTO PARKEERSENSOREN (voor bepaalde versies/markten) Deze sensoren bevinden zich in de voorbumper fig. 89 en de achterbumper fig. 90 en detecteren de aanwezigheid van obstakels achter het voertuig en waarschuwen de bestuurder met een geluidssignaal. INSCHAKELING Versie met sensoren achter Bij de versie met sensoren achter wordt het systeem automatisch ingeschakeld wanneer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Versie met sensoren voor en achter Bij de versie met sensoren voor en achter, wordt het systeem ingeschakeld wanneer de achteruitversnelling wordt fig. 91 ingeschakeld of de knop wordt ingedrukt. 89 82 A0K0060 Het systeem kan ook ingeschakeld worden door op de knop op de tunnelconsole te drukken: in de knop gaat een led branden wanneer het systeem ingeschakeld is. Elke keer dat de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, knippert de led even om aan te geven op de knop dat het systeem een diagnose uitvoert. Het aangaan van de led duidt niet op een storing. De sensoren worden uitgeschakeld te door opnieuw op de knop drukken of wanneer een snelheid van 15 km/h wordt overschreden: de led in de knop is uit wanneer het systeem niet actief is. A0K0360 91 90 Wanneer de achteruit wordt uitgeschakeld, blijven de sensoren voor en achter geactiveerd totdat een snelheid van circa 15 km/h wordt overschreden, om voltooiing van de parkeermanoeuvre toe te staan. A0K0361 "Geluidssterkte waarschuwingen" van het "Set-up menu" (zie de paragraaf "Menuopties" in het hoofdstuk "Kennismaking met het bedieningspaneel"). AANWIJZINGEN OP DE DISPLAY (Voor bepaalde versies/markten) Versie met sensoren achter Wanneer de sensor is ingeschakeld, wordt het volgende schermbeeld op de "Herconfigureerbare multifunctionele display" (voor bepaalde versies/ markten) weergegeven fig. 92. 93 A0K0814 Wanneer er meerdere obstakels zijn, wordt het dichtstbijzijnde obstakel weergegeven. Bij de versie met sensoren voor en achter, wordt het dichtstbijzijnde obstakel in de zone voor en achter de auto weergegeven. GELUIDSSIGNAAL 92 A0K0059 Versie met sensoren voor en achter Wanneer de sensoren worden ingeschakeld, verschijnt het scherm van fig. 93 op het herconfigureerbare multifunctionele display. Informatie over de aanwezigheid en de afstand van obstakels wordt gegeven door middel van een zoemer (het volume van het geluidssignaal kan niet worden ingesteld) en een aanduiding op het display. De informatie over de aanwezigheid en afstand van een obstakel ten opzichte van de auto wordt gegeven door middel van geluidssignalen uit zoemers die in het interieur zijn gemonteerd: ❒ bij de versies met sensoren achter, meldt een zoemer in de dashboardzone de aanwezigheid van obstakels achter de auto. Het volume van het geluidssignaal kan worden ingesteld via de optie ❒ bij de versies met sensoren voor en achter, meldt een zoemer voorin de aanwezigheid van obstakels vóór de auto en een zoemer achterin de aanwezigheid van obstakels achter de auto. Dit informeert de bestuurder over de plaats (voor/achter) van de obstakels. Afhankelijk van de plaats van het obstakel (voor of achter) wordt het geluid door de bijbehorende zoemers (voor of achter) geproduceerd. Het obstakel dat zich het dichtst bij de auto bevindt wordt gesignaleerd. Zodra de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, wordt automatisch een geluidsmelding ingeschakeld wanneer er zich een obstakel achter de auto binnen het meetbereik bevindt. 83 WEGWIJS IN UW AUTO Het geluidssignaal: ❒ neem toe naarmate de afstand tussen de auto en het obstakel afneemt; ❒ wordt ononderbroken wanneer de afstand tussen de auto en het obstakel minder dan 30 cm bedraagt en stopt onmiddellijk als de afstand toeneemt; ❒ blijft constant als de afstand ongewijzigd blijft; als deze situatie de zijsensoren betreft, zal de zoemer na circa 3 seconden stoppen om bijvoorbeeld signalen te voorkomen tijdens manoeuvres langs muren. WERKING MET AANHANGER De werking van de parkeersensoren wordt automatisch uitgeschakeld zodra de elektrische stekker van de aanhanger in het stopcontact van de trekhaak van de auto wordt gestoken. 11) De sensoren worden automatisch ingeschakeld zodra de stekker van de aanhangerkabel verwijderd wordt. 59) 60) 84 ALGEMENE WAARSCHUWINGEN Let tijdens parkeermanoeuvres in bijzondere mate op obstakels die zich boven of onder de sensoren kunnen bevinden. Onder bepaalde omstandigheden kunnen voorwerpen achter de auto niet gedetecteerd worden en kunnen zo schade aan de auto veroorzaken of zelf beschadigd raken. De volgende omstandigheden kunnen de werking van de parkeersensoren beïnvloeden: ❒ verminderde gevoeligheid van de sensoren en afname van de prestaties van het systeem kunnen te wijten zijn aan de aanwezigheid van ijs, sneeuw, modder, dikke verf op de sensoren; ❒ de sensor kan een onbestaand voorwerp (echogeluid) wegens mechanische geluiden detecteren, bijvoorbeeld tijdens het wassen van de auto, in geval van regen, sterke wind, hagel; ❒ De door de sensoren verzonden signalen kunnen ook gewijzigd worden door ultrasoonsystemen (bijv. pneumatisch remsysteem of pneumatische hamers) in de buurt van de auto. ❒ de prestaties van het parkeerhulpsysteem kunnen ook beïnvloed worden door de positie van de sensoren. Als bijvoorbeeld de geometrie gewijzigd wordt (door slijtage van de schokdempers, wielophanging), de auto te veel beladen is, of speciale afstellingen worden uitgevoerd die de auto lager zetten; ❒ De detectie van obstakels in het hoge gedeelte van de auto kan niet gegarandeerd zijn, aangezien het systeem obstakels detecteert die de auto in het lage gedeelte kunnen raken. BELANGRIJK 11) Voor een correcte werking van het systeem mogen de sensoren nooit bevuild zijn met modder, vuil, sneeuw of ijs. Zorg ervoor dat ze tijdens het reinigen niet gekrast of beschadigd worden. Vermijd het gebruik van droge, ruwe of harde doeken. De sensoren moeten met schoon water worden gewassen, waaraan eventueel autoshampoo is toegevoegd. Wanneer speciale reinigingsapparaten worden gebruikt, zoals stoomreinigers of hogedrukreinigers, reinig dan de sensoren zeer snel en houd de straal op minstens 10 cm afstand. uitsluitend tot het Alfa Romeo Servicenetwerk te richten. Het verkeerd opbrengen van de lak kan de werking van de parkeersensoren negatief beïnvloeden. 60) De verantwoordelijkheid voor het parkeren en andere gevaarlijke manoeuvres ligt echter altijd bij de bestuurder. Controleer tijdens deze manoeuvres altijd of er geen mensen (vooral kinderen) of dieren in het manoeuvregebied aanwezig zijn. De parkeersensoren dienen als hulp voor de bestuurder, die echter nooit zijn aandacht mag laten verslappen tijdens potentieel gevaarlijke manoeuvres, ook al worden ze met lage snelheden verricht. TANKEN Zet de motor af alvorens te tanken. BENZINEMOTOREN Tank uitsluitend loodvrije 95 RON benzine die aan de Europese norm EN228 voldoet. Het octaangetal (R.O.N) moet ten minste 95 bedragen. Om beschadiging aan de katalysator te voorkomen, de tank nooit bijvullen, niet in noodgevallen en evenmin met een minimale hoeveelheid, met loodhoudende benzine. DIESELMOTOREN Tank uitsluitend dieselolie die aan de Europese norm EN590 voldoet. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en derhalve de garantie voor de veroorzaakte schade ongeldig maken. Werking bij lage temperaturen BELANGRIJK 59) Voor het overspuiten van de bumpers of eventueel bijwerken van de laklaag in de zone van de sensoren, dient men zich Bij zeer lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de dieselolie onvoldoende worden wegens de vorming van paraffine met een slechte werking van het brandstoftoevoersysteem als gevolg. 85 WEGWIJS IN UW AUTO Om deze problemen te voorkomen, zijn afhankelijk van het seizoen verschillende soorten dieselolie beschikbaar: zomerdiesel, winterdiesel en arctische diesel (koude landen, bergen). Als diesel wordt getankt met specificaties die niet geschikt zijn voor de gebruikstemperatuur, wordt geadviseerd om TUTELA DIESEL ART additief in de op de verpakking aangegeven verhoudingen met de brandstof te mengen. Schenk het additief vóór de brandstof in de tank. TANKDOP De tankdop wordt samen met de centrale vergrendeling ontgrendeld en wordt automatisch vergrendeld wanneer de centrale vergrendeling wordt ingeschakeld. In geval van nood, trek aan de riem A fig. 95 op de rechterzijde van de achterklep om de vuldop te openen. Openen Druk op de klep A fig. 94 om hem te ontgrendelen en toegang te krijgen tot de tankvuldop B. Druk vervolgens op de tankvuldop B en draai hem 61) linksom. Als de auto gedurende een lange periode in de bergen of in koude zones wordt gebruikt of geparkeerd, wordt geadviseerd om met de plaatselijk beschikbare brandstof te tanken. In dit geval wordt tevens geadviseerd om de tank meer dan 50% gevuld te houden. 86 Klep openen in geval van nood 95 A0K0599 Als u aan het touwtje trekt, wordt het klepje ontgrendeld: daarna moet op het klepje geduwd worden om het te openen. Sluiten TANKEN 94 Om de tank volledig te vullen, kan men twee keer bijvullen nadat het tankpistool is afgeslagen. Meer bijvullen kan storingen in het brandstoftoevoersysteem veroorzaken. De dop is voorzien van een koordje C dat aan de klep vastzit, om verlies van de dop te voorkomen. Haak tijdens het tanken de dop aan voorziening D. A0K0598 Maak dop B los van voorziening D en steek hem in zijn zitting. Draai de dop rechtsom tot een of meer klikgeluiden hoorbaar zijn. Sluit tenslotte klep A en controleer of hij goed gesloten is. De hermetische afsluiting kan een lichte toename van de druk in de tank veroorzaken. Een eventueel ontluchtingsgeluid wanneer de dop wordt losgedraaid is dus volkomen normaal. BELANGRIJK MILIEUBESCHERMING Benzinemotoren hebben de volgende emissiereductiesystemen: katalysator, lambda sensoren en brandstofverdampingsregelsysteem Dieselmotoren hebben de volgende emissiereductiesystemen: oxidatiekatalysator, katalysator, uitlaatgasrecirculatie (EGR) en dieselroetfilter (DPF). 62) 61) Breng geen open vuur of brandende sigaretten in de buurt van de vulopening van de tank: brandgevaar. Kom niet te dicht met uw gezicht bij de vulopening, om geen schadelijke dampen in te ademen. DIESELROETFILTER (DPF) (Dieselroetfilter) (voor bepaalde versies/markten) Het dieselroetfilter is een mechanisch filter in het uitlaatsysteem dat roetdeeltjes in de uitlaatgassen van dieselmotoren opvangt. Het dieselroetfilter is nodig om praktisch alle roetdeeltjes op te vangen overeenkomstig de huidige en toekomstige regelgeving en normen. Aangezien dit filter roetdeeltjes opvangt, moet het regelmatig geregenereerd (gereinigd) worden om de roetdeeltjes te kunnen verbranden. De regeneratie wordt automatisch geregeld door de elektronische motorregeleenheid afhankelijk van de toestand van het roetfilter en de gebruiksomstandigheden van het voertuig. Tijdens de regeneratie kan er een beperkte toename van de stationaire motorsnelheid optreden, kan de ventilator geactiveerd worden, kunnen de rookgassen iets toenemen en kunnen er hoge uitlaattemperaturen optreden. Dit is normaal en heeft geen negatieve invloed op de normale rijeigenschappen van het voertuig of op het milieu. Raadpleeg, als het betreffende bericht wordt weergegeven, de paragraaf "Lampjes en berichten" in het hoofdstuk "Kennismaking met het instrumentenpaneel". Tijdens normale rijomstandigheden registreert de elektronische regeleenheid een reeks gegevens (bijv. reistijd, type route, temperaturen, etc.) en berekent vervolgens hoeveel roetdeeltjes door het filter zijn opgevangen. 87 WEGWIJS IN UW AUTO 88 BELANGRIJK 62) Onder normale gebruiksomstandigheden worden de katalysator en het dieselroetfilter (DPF) zeer heet. Parkeer de auto dus niet boven licht ontvlambaar materiaal (bijv. gras, droge bladeren, dennennaalden enz.): brandgevaar. KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL In dit deel van het instructieboek vindt u alle informatie die u nodig hebt om het instrumentenpaneel goed te begrijpen, te interpreteren en te gebruiken. DISPLAY ......................................... 90 MENUOPTIES ................................. 93 INSTRUMENTENPANEEL ...............101 TRIP COMPUTER ...........................103 LAMPJES EN BERICHTEN .............107 - LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU/ HANDREM AANGETROKKEN ............. 108 - STORING EBD .................................. 108 - STORING AIRBAG ............................ 109 - VEILIGHEIDSGORDELS NIET VASTGEMAAKT .................................. 109 - STORING DYNAMO.......................... 109 - MOTOROLIEDRUK TE LAAG ............ 111 -UITGEWERKTE MOTOROLIE (voor bepaalde versies/markten) .................. 112 - TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR ....... 114 - STORING ALFA TCT ......................... 115 -PORTIEREN NIET GOED GESLOTEN ......................................... 115 -SNELHEIDSLIMIET OVERSCHREDEN ............................... 116 - STORING DUAL PINION STUURBEKRACHTIGING .................... 116 - STORING ALFA ROMEO CODE SYSTEEM/STORING ALARM .............. 117 - BRANDSTOFRESERVE/BEPERKTE ACTIERADIUS ..................................... 117 - ALGEMENE STORING ...................... 118 - ALGEMENE STORING ...................... 119 -MISTACHTERLICHTEN ...................... 120 - STORING ABS .................................. 121 -REMBLOKSLIJTAGE ......................... 121 - PASSAGIERSAIRBAG UITGESCHAKELD ............................... 121 - STORING INSPUIT-/EOBD-SYSTEEM ................. 122 - STORING VOORGLOEIBOUGIES/ VOORGLOEISYSTEEM (dieselmotoren) .................................... 123 -WATER IN DIESELFILTER (dieselversies) ..................................... 123 - REINIGING DPF (roetfilter) bezig (alleen dieselversies met DPF).............. 125 - iTPMS-SYSTEEM.............................. 127 - ELEKTRONISCHE STABILITEITSREGELING (ESC) ........... 129 - ELEKTRONISCHE STABILITEITSREGELING (ESC) ........... 130 - CRUISE CONTROL (voor bepaalde uitvoeringen/markten) ......................... 131 - STADSLICHT .................................... 131 - FOLLOW ME HOME ......................... 131 - DIMLICHT ......................................... 131 - MISTLAMPEN VOOR ........................ 132 - LINKER RICHTINGAANWIJZER ....... 132 - RECHTER RICHTINGAANWIJZER ... 132 - GROOTLICHT ................................... 132 -AFSLUITER VAN DE BRANDSTOFTOEVOER ..................... 133 - MOGELIJKE IJSVORMING OP WEGDEK............................................. 133 - STORING REMLICHTEN ................... 133 - STORING SCHEMERSENSOR.......... 133 - STORING REGENSENSOR............... 134 - STORING PARKEERSENSOR ........... 134 -INSCHAKELING/UITSCHAKELING START&STOP-SYSTEEM (voor bepaalde versies/markten) .................. 135 -STORING START&STOP.................... 135 - WEERGAVE VAN GEKOZEN RIJMODUS (“Alfa DNA”-systeem) ........ 136 89 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL DISPLAY De auto kan uitgerust zijn met een multifunctionele/herconfigureerbare display die tijdens het rijden nuttige informatie op basis van wat eerder is ingesteld aan de bestuurder toont. Bij verwijderde contactsleutel, schakelt de display in en toont enkele seconden de tijd en de totaalstand van de kilometerteller (in km of mijlen) wanneer een portier wordt geopend/gesloten. "STANDAARD" SCHERM MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY De volgende informatie wordt op de display getoond fig. 96 : "STANDAARD" SCHERM HERCONFIGUREERBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY A Tijd B Reisteller (in km of mijlen) C Kilometerteller (afgelegde afstand in km of mijlen) D Aanwijzingen autotoestand (bijv. open portieren, eventuele ijsvorming op de weg, etc.)/Aanduiding Start&Stop-functie (voor bepaalde versies/markten)/Gear Shift Indicator (voor bepaalde versies/markten) E Stand hoogteregeling koplampen (alleen bij ingeschakeld dimlicht). F Buitentemperatuur Bij sommige versies toont de display bij het kiezen van de rijmodus “DYNAMIC” (zie de paragraaf “Alfa DNA-systeem” in dit hoofdstuk) de turbinedruk fig. 98. De volgende informatie wordt op de display getoond fig. 97 : 96 98 A0K2010 A Datum B Kilometerteller (afgelegde afstand in km of mijlen) 90 C De rijmodus die is gekozen met het "Alfa DNA"-systeem (dynamische controle van de auto) (bij bepaalde versies/markten): d = Dynamic; n = Natural; a = All Weather D Tijd (altijd weergegeven, ook bij verwijderde contactsleutel en gesloten portieren) E Aanduiding Start&Stop-functie (voor bepaalde versies/markten) F Buitentemperatuur G Gear Shift Indicator (voor bepaalde versies/markten) H Stand hoogteregeling koplampen (alleen bij ingeschakeld dimlicht). 97 A0K0600 A0K0539 GEAR SHIFT INDICATOR De "GSI" (Gear Shift Indicator) adviseert de bestuurder een andere versnelling in te schakelen via een speciale melding op de display fig. 99. 99 A0K0540 Via de GSI wordt de bestuurder gewaarschuwd dat een andere versnelling brandstofbesparing kan opleveren. Daarom is het voor een zuinig brandstofverbruik raadzaam om de rijmodus "Natural" of "All Weather" te selecteren, en om de aanwijzingen van de Gear Shift Indicator op te volgen wanneer de verkeersomstandigheden dit toelaten. Wanneer het pictogram SHIFT UP ( SHIFT) op de display wordt getoond, geeft de GSI het advies om een hogere versnelling in te schakelen, terwijl wanneer het pictogram SHIFT DOWN ( SHIFT) wordt getoond, de bestuurder wordt geadviseerd een lagere versnelling in te schakelen. Opmerking De aanduiding op het instrumentenpaneel blijft branden zolang de bestuurder niet schakelt of zolang de rijomstandigheden niet terugkeren naar een situatie waarin schakelen niet nodig is om het verbruik te optimaliseren. WELCOME MOVEMENT Bij sommige versies gebeurt het volgende wanneer de sleutel in de stand MAR-ON wordt gezet: ❒ snelle beweging (op en neer) van de wijzers van de snelheidsmeter en de toerenteller; ❒ verlichting van grafische symbolen/ display; ❒ weergave van een grafische animatie van het autoprofiel. Wijzerbewegingen ❒ Als de sleutel uit het contactslot wordt verwijderd terwijl de wijzers bewegen, keren ze onmiddellijk naar hun beginstand terug. ❒ Nadat de wijzers de maximum schaalwaarden hebben bereikt, keren ze terug naar de door de auto aangegeven waarde. ❒ De beweging van de wijzers stopt wanneer de motor is gestart. Verlichting van grafische symbolen/ display Enkele seconden nadat de sleutel is ingebracht, worden de meters, de grafische symbolen en de display achter elkaar verlicht. Weergave van een grafische animatie Wanneer de sleutel uit het contactslot wordt verwijderd (bij gesloten portieren), blijft de display branden en wordt een grafische animatie weergegeven. De displayverlichting wordt geleidelijk aan gedimd en tenslotte volledig uitgeschakeld. 91 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL BEDIENINGSKNOPPEN fig. 100: om het weergegeven scherm en de betreffende opties naar boven te doorlopen of om de weergegeven waarde te verhogen. SETUP-MENU Het menu bestaat uit een serie opties die gekozen kunnen worden met de toetsen en waarna verschillende keuze- en instellingsmogelijkheden (Setup) worden geboden. Sommige opties hebben een submenu. Het menu wordt geactiveerd door de kort in te drukken. knop SET/ 100 A0K0541 : kort indrukken om het menu SET/ te openen en/of naar het volgende scherm te gaan of de keuze te bevestigen. Lang indrukken om naar het standaardscherm terug te keren. : om het weergegeven menu en de betreffende opties naar beneden te doorlopen of om de weergegeven waarde te verlagen. en BELANGRIJK De knoppen activeren verschillende functies, afhankelijk van de volgende situaties: ❒ zorgen binnen het menu voor het naar beneden en naar boven doorlopen van de opties; 92 ❒ zorgen tijdens instellingen voor het verhogen en verlagen van de waarden. Het menu bestaat uit de volgende opties: ❒ MENU ❒ VERLICHTING ❒ PIEP SNELHEID ❒ SENSOR KOPLAMPEN (voor bepaalde uitvoeringen/markten) ❒ REGENSENSOR (voor bepaalde versies/markten) ❒ ACTIVERING TRIP B ❒ STEL UUR (tijd) IN ❒ STEL DATUM IN ❒ EERSTE PAGINA (voor bepaalde versies/markten) ❒ AUTOCLOSE ❒ MEETEENHEID ❒ TAAL ❒ GELUIDSSTERKTE WAARSCHUWINGEN (zoemervolume) ❒ PIEP VEILIGHEIDSGORDELS/ CONTROLEZOEMER ❒ SERVICE ❒ AIRBAG/PASSAGIERSAIRBAG ❒ "DAYTIME RUNNING LIGHTS" ❒ ADAPTIEVE LICHTEN (voor bepaalde uitvoeringen/markten) ❒ INSTAPVERLICHTING ❒ MENU VERLATEN Opmerking Bij auto's met radionavigatiesystemen (voor bepaalde versies/markten) worden sommige menuopties op de display van het navigatiesysteem weergegeven. Een optie in het hoofdmenu zonder een submenu kiezen: knop om ❒ druk kort op de SET/ de instelling van het hoofdmenu die gewijzigd moet worden te selecteren; of ❒ druk op de toetsen (deze telkens indrukken) om de nieuwe instelling te selecteren; ❒ druk kort op de SET/ knop om de nieuwe instelling op te slaan en terug te gaan naar de eerder geselecteerde optie in het hoofdmenu. Een optie in het hoofdmenu met een submenu kiezen: ❒ druk kort op de SET/ knop om de eerste optie uit het submenu weer te geven; of ❒ druk op de toetsen (deze telkens indrukken) om de opties van het submenu te doorlopen; MENUOPTIES Ga als volgt te werk om de lichtsterkte te regelen: BELANGRIJK Bij het uconnect™ 5" radiosysteem (voor bepaalde versies/markten), of het uconnect™ 6.5" Radio Nav systeem (voor bepaalde versies/markten), worden sommige menuopties weergegeven en beheerd via het systeem en niet via het instrumentenpaneel (zie de betreffende supplementen). ❒ druk kort op knop SET/ . Het eerder ingestelde niveau knippert op het display; Menu Met deze functie kan toegang tot het Setupmenu worden verkregen. knop om ❒ druk kort op de SET/ de getoonde submenu-optie te selecteren en het betreffende setup-menu te openen; of om de Druk op de toets verschillende Menuopties te selecteren. lang ingedrukt Houd de toets SET/ om naar het standaardscherm terug te keren. of ❒ druk op de toetsen (deze telkens indrukken) om de nieuwe instelling voor deze submenu-optie te selecteren; Verlichting (regeling interieurverlichting) (alleen bij ingeschakeld stadslicht) knop om ❒ druk kort op de SET/ de nieuwe instelling op te slaan en terug te gaan naar de eerder geselecteerde optie in het submenu. Deze functie wordt gebruikt om de lichtsterkte van het instrumentenpaneel, de bedieningsknoppen van het uconnect™ systeem (voor bepaalde versies/markten) en de bedieningsknoppen van de automatische klimaatregeling (voor bepaalde versies/markten) (op 8 niveaus) te regelen. of om ❒ druk op de toets de gewenste lichtsterkte te regelen; knop om ❒ druk kort op de SET/ terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Opmerking Bij versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display kan de regeling zowel bij uitgeschakelde lichten ("Overdag" lichtsterkteniveau) als bij ingeschakelde lichten ("Nacht" lichtsterkteniveau) worden gedaan. Piep snelheid (Snelheidslimiet) Deze functie wordt gebruikt om de snelheidslimiet van de auto (km/h of mph) in te stellen; de bestuurder wordt gewaarschuwd wanneer deze limiet wordt overschreden. 93 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 94 Ga als volgt te werk om de snelheidslimiet in te stellen: Ga als volgt te werk om de instelling te annuleren: ❒ druk kort op de knop SET/ : op de display verschijnt het opschrift "Piep snelheid"; ❒ druk kortstondig op de SET/ knop, op het display knippert "On"; of om ❒ druk op de toets de in- ("On) of uitschakeling ("Off") van de snelheidsbegrenzing te selecteren; ❒ als de functie is ingeschakeld, druk of om de dan op gewenste snelheidslimiet te selecteren en druk vervolgens op SET/ om te bevestigen. BELANGRIJK De waarde kan ingesteld worden tussen 30 en 200 km/h of tussen 20 en 125 mph, afhankelijk van de eerder ingestelde eenheid. Zie de paragraaf “Meeteenheid instellen" die hierna wordt beschreven. Elke druk / verhoogt of op de toets verlaagt de waarde 5 eenheden. Houd / ingedrukt om de toets de waarde automatisch snel te verhogen/verlagen. Wanneer de gewenste waarde wordt bereikt, kan de instelling afgerond worden door de toets een paar keer kort in te drukken. knop om Druk kort op de SET/ terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. : "Off" ❒ druk op de knop knippert op het display; knop om ❒ druk kort op de SET/ terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Sensor koplampen (Gevoeligheid schemersensor/ automatische inschakeling koplampen instellen) (voor bepaalde versies/markten) Deze functie wordt gebruikt om de koplampen in of uit te schakelen in functie van de sterkte van het buitenlicht. De gevoeligheid van de schemersensor kan worden ingesteld op 3 niveaus (niveau 1 = minimum gevoeligheid, niveau 2 = gemiddelde gevoeligheid, niveau 3 = maximum gevoeligheid). Hoe hoger de gevoeligheid, des te minder buitenlicht er nodig is om de buitenverlichting in te schakelen (bijv. bij een lichtgevoeligheid van niveau 3 zullen de koplampen bij zonsondergang vroeger aangaan dan bij de niveaus 1 en 2). Ga als volgt te werk om de gewenste lichtgevoeligheid in te stellen: knop, op het ❒ druk op de SET/ display verschijnt het eerder ingestelde niveau; ❒ druk op te maken; of om uw keuze knop om ❒ druk kort op de SET/ terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Regensensor (Afstelling gevoeligheid regensensor) (voor bepaalde versies/markten) Met deze functie kan de gevoeligheid van de regensensor op 4 niveaus worden ingesteld. Ga als volgt te werk om het gewenste gevoeligheidsniveau in te stellen: ❒ druk kortstondig op de SET/ knop, op het display begint het eerder ingestelde gevoeligheidsniveau te knipperen; of ❒ druk op de toets de instelling uit te voeren; om knop om ❒ druk kort op de SET/ terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Tijd instellen (Klok instellen) Met deze functie kan de klok ingesteld worden via twee submenu’s: "Tijd" en "Formaat". Ga als volgt te werk om in te stellen: ❒ druk kort op de SET/ knop en de twee submenu's ("Uur" en "Formaat") worden weergegeven; of ❒ druk op de toets tussen de submenu's om te schakelen; om Activering trip B/gegevens (Trip B inschakelen) ❒ druk na selectie van het te wijzigen ; submenu kort op SET/ Met deze optie kan de weergave van Trip B (dagteller) ingeschakeld (On) of uitgeschakeld (Off) worden. Zie voor meer informatie "Trip computer". ❒ als het submenu "Tijd" is gekozen en er wordt kort op de knop SET/ gedrukt, dan knipperen de uren op de display. Ga als volgt te werk om deze functie inen uit te schakelen: of ❒ druk op de toets de instelling uit te voeren; ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om "On" of "Off" op het display te doen knipperen in functie van wat eerder is ingesteld; ❒ druk kortstondig op de SET/ knop, op het display knippert "minuten"; ❒ druk op te maken; of om uw keuze of ❒ druk op de toets de instelling uit te voeren; om om BELANGRIJK Met elke druk op de toets of wordt de waarde één eenheid verhoogd of verlaagd. Houd de toets ingedrukt om de waarde automatisch snel te verhogen/verlagen. Wanneer de gewenste waarde wordt bereikt, kan de instelling afgerond worden door de toets een paar keer kort in te drukken. ❒ Bij selectie van het submenu "Formaat": door kort te drukken op geeft het display de knop SET/ op knipperende wijze de weergavemodus aan; of ❒ druk op de toets “24h” of “12h” te selecteren. om Wanneer de gewenste instellingen zijn uitgevoerd, druk kortstondig op de knop om terug te keren naar SET/ het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het hoofdmenu zonder op te slaan. Druk nogmaals langdurig op de SET/ knop om terug te keren naar het standaardscherm of het hoofdmenu in functie van waar men zich bevindt. ❒ druk kort op de SET/ knop om terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. 95 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 96 Stel datum in (datuminstelling) Met deze functie kan de datum ingesteld worden (dag - maand - jaar). Ga als volgt te werk om de instelling uit te voeren: knop: het ❒ druk kort op de SET/ "jaar" knippert op het display; of ❒ druk op de toets de instelling uit te voeren; om knop: de ❒ druk kort op de SET/ "maand" knippert op het display; of ❒ druk op de toets de instelling uit te voeren; om knop: de ❒ druk kort op de SET/ "dag" knippert op het display; of ❒ druk op de toets de instelling uit te voeren; om BELANGRIJK Met elke druk op de of wordt de waarde toets één eenheid verhoogd of verlaagd. Houd de toets ingedrukt om de waarde automatisch snel te verhogen/verlagen. Wanneer de gewenste waarde wordt bereikt, kan de instelling afgerond worden door de toets een paar keer kort in te drukken. Druk kort op de SET/ knop om terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Wanneer de sleutel na de controlefase naar MAR wordt gedraaid, zal de display de informatie weergeven die via de menufunctie "Eerste pagina" is geselecteerd. Eerste pagina (Weergave van informatie op het hoofdscherm) (voor bepaalde versies/markten) Autoclose (automatische centrale portiervergrendeling bij rijdend voertuig) Met deze functie kan het type informatie worden geselecteerd die men op het hoofdscherm wenst te zien. Zo kan men de datum en de afgelegde afstand weergeven. Ga als volgt te werk om te kiezen: knop: de ❒ druk kort op de SET/ "Startpagina" verschijnt op het display; ❒ druk nogmaals kort op de SET/ knop om de opties “Datum” en “Info motor” weer te geven; of om de ❒ druk op informatie te selecteren die op de hoofdpagina van het display weergegeven moet worden; knop om ❒ druk kort op de SET/ terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Bij inschakeling van deze functie (On), worden de portieren automatisch vergrendeld wanneer sneller dan 20 km/h wordt gereden. Ga als volgt te werk om de functie inen uit te schakelen: ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om een submenu weer te geven; ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om "On" of "Off" op het display te doen knipperen in functie van wat eerder is ingesteld; ❒ druk op te maken; of om uw keuze ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het hoofdmenu zonder op te slaan. ❒ houd de SET/ knop nogmaals ingedrukt om terug te keren naar het standaardscherm of het hoofdmenu in functie van waar men zich bevindt. ❒ wanneer het submenu “Verbruik” wordt gekozen: kortstondig drukken op SET/ toont km/l, l/100 km of mpg, afhankelijk van de vorige instelling; Meeteenheid (Meeteenheid instellen) Wanneer “km” is ingesteld, wordt het brandstofverbruik in km/l of l/100km op de display weergegeven. Met deze functie kunnen de meeteenheden via drie submenu’s ingesteld worden: “Afstand”, “Verbruik” en “Temperatuur“. ❒ druk op te maken; Ga als volgt te werk om de meeteenheid in te stellen: knop om ❒ druk kort op de SET/ de drie submenu's weer te geven; of ❒ druk op de toets de submenu's te doorlopen; om ❒ nadat het te wijzigen submenu is knop gekozen, kort op de SET/ drukken; ❒ wanneer het submenu “Afstand” wordt gekozen: kortstondig drukken toont "km" of "mi" , op SET/ afhankelijk van de vorige instelling; ❒ druk op te maken; of Wanneer “mi” is ingesteld, wordt het brandstofverbruik in “mpg" op de display weergegeven. om uw keuze of om uw keuze ❒ wanneer het submenu “Temperatuur” wordt gekozen: drukken op SET/ toont “°C” of “°F”, afhankelijk van de vorige instelling; ❒ druk op te maken; of om uw keuze Wanneer de gewenste instellingen zijn uitgevoerd, druk kortstondig op de knop om terug te keren naar SET/ het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het hoofdmenu zonder op te slaan. Druk nogmaals langdurig op de SET/ knop om terug te keren naar het standaardscherm of het hoofdmenu in functie van waar men zich bevindt. Taal (Taal instellen) De meldingen op de display kunnen in de volgende talen worden weergegeven: Italiano, English, Deutsch, Português, Español, Français, Nederlands, Türk en Português Brasileiro. Ga als volgt te werk om de gewenste taal in te stellen: ❒ druk kortstondig op de SET/ knop: op het display begint de voorheen ingestelde "taal" te knipperen; ❒ druk op te maken; of om uw keuze knop om ❒ druk kort op de SET/ terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Geluidssterkte waarschuwingen (Volumeregeling geluidssignaal storing/waarschuwing) Met deze functie kan het volume van de zoemer, die klinkt als een storing/ waarschuwing op de display wordt weergegeven, worden ingesteld op 8 niveaus. 97 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Ga als volgt te werk om het gewenste volume in te stellen: knop, op ❒ druk kort op de SET/ het display gaat het eerder ingestelde volumeniveau knipperen; of ❒ druk op de toets de instelling uit te voeren; om knop om ❒ druk kort op de SET/ terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Piep veiligheidsgordels (Inschakeling zoemer voor SBR-aanwijzing) (voor bepaalde versies/markten) Deze functie kan alleen worden weergegeven wanneer het SBRsysteem door het Alfa Romeo Servicenetwerk is uitgeschakeld (zie de paragraaf “SBR-systeem” in het hoofdstuk “Veiligheid”). Ga als volgt te werk om deze functie opnieuw te activeren: ❒ druk kortstondig op de toets SET/ op het display knippert "OFF". Druk op de toets of en "On" verschijnt; 98 ❒ druk kort op de SET/ knop om terug te keren naar het vorige menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Service (Geprogrammeerd onderhoud) Met deze functie kan de informatie over de kilometerstand of, voor bepaalde versies/markten, de nog resterende tijd tot de volgende onderhoudsbeurt van het voertuig worden weergegeven. Ga voor het raadplegen van deze informatie als volgt te werk: : op ❒ druk kort op de toets SET/ het display wordt het interval in kilometers of dagen aangegeven (indien aanwezig) of in mijlen of dagen (indien aanwezig), op grond van wat eerder is ingesteld (zie paragraaf "Meeteenheden"); knop om terug ❒ druk op de SET/ te keren naar het menuscherm of houd de knop ingedrukt om terug te keren naar het standaardscherm. BELANGRIJK In het “Geprogrammeerd Onderhoudsschema” zijn de onderhoudsbeurten van de auto op vaste intervallen vermeld (zie het hoofdstuk "Onderhoud en zorg"). Dit wordt automatisch weergegeven, met de contactsleutel op MAR, 2000 km (of het equivalent in mijlen) vóór de onderhoudsbeurt of, indien aanwezig, 30 dagen vóór de onderhoudsbeurt. Het wordt ook weergegeven wanneer de sleutel op MAR wordt gedraaid of, voor bepaalde versies/markten, om de 200 km (of het equivalent in mijlen). Onder deze drempel wordt dit bericht met kortere intervallen weergegeven. Op het display wordt het onderhoudsinterval in kilometers of mijlen weergegeven, afhankelijk van wat is ingesteld. Wanneer het onderhoudsinterval bijna is vervallen en de sleutel in de stand MAR wordt gedraaid, verschijnt het woord "Service" op het display, gevolgd door het aantal resterende kilometers/mijlen of het aantal resterende dagen (indien aanwezig). Ga naar het Alfa Romeo Servicenetwerk om de werkzaamheden van het "Geprogrammeerd onderhoudsschema" te laten verrichten en het bericht te laten resetten. Wanneer het interval voor de onderhoudsbeurt is vervallen en daarna voor ongeveer 1000 km/600 mijl of 30 dagen, wordt een bericht hierover weergegeven. In-/uitschakeling airbags aan passagierszijde (frontairbag passagierzijde en zijairbag ter bescherming van bekken, borst en schouders - Zijairbag) Deze functie zorgt voor de in-/ uitschakeling van de zijairbag aan de passagierszijde. Ga als volgt te werk: en druk, ❒ druk op de toets SET/ nadat het bericht (Bag pass: Off) (voor het uitschakelen) of de melding (Bag pass: On) (voor het inschakelen) op het display is verschenen door het indrukken van de knoppen " en " ", nogmaals op de ; toets SET/ ❒ op de display verschijnt een bevestigingsmelding; of ❒ druk op de toets "Ja" te selecteren (om het inschakelen/uitschakelen te bevestigen) of "Nee" (om te annuleren); om ❒ druk kort op de SET/ knop, er verschijnt een bevestigingsbericht van de gekozen instelling en er wordt teruggekeerd naar het menuscherm. Houd de knop langer ingedrukt om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Dagverlichting (DRL) Met deze functie kan de dagverlichting automatisch worden in- en uitgeschakeld. Ga als volgt te werk om de functie inen uit te schakelen: ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om een submenu weer te geven; ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om "On" of "Off" op het display te doen knipperen in functie van wat eerder is ingesteld; ❒ druk op te maken; of om uw keuze ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het hoofdmenu zonder op te slaan; ❒ houd de SET/ knop nogmaals ingedrukt om terug te keren naar het standaardscherm of het hoofdmenu in functie van waar men zich bevindt. AFS adaptieve lichten (Adaptive Frontlight System) (voor bepaalde versies/markten) Met deze functie kan het AFS (Adaptive Frontlight System) ingeschakeld/ uitgeschakeld worden. Ga als volgt te werk om de functie inen uit te schakelen: ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om een submenu weer te geven; ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om "On" of "Off" op het display te doen knipperen in functie van wat eerder is ingesteld; ❒ druk op maken; of om uw keuze te ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het hoofdmenu zonder op te slaan; 99 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL ❒ houd de SET/ knop nogmaals ingedrukt om terug te keren naar het standaardscherm of het hoofdmenu in functie van waar men zich bevindt. Instapverlichting (Inschakeling/ uitschakeling van de instapverlichting) (voor bepaalde versies/markten) Deze functie zorgt ervoor dat het stadslicht, de kentekenverlichting en de plafondverlichting circa 25 seconden blijven branden wanneer de portieren of de achterklep worden geopend met de afstandsbediening, met de volgende uitzonderingen: ❒ onderbreking na 5 seconden na het sluiten van een portier ❒ onderbreking na vergrendeling met de afstandsbediening ❒ onderbreking na een vergrendeling of aan andere bediening met behulp van de afstandsbediening Ga als volgt te werk om de functie inen uit te schakelen: ❒ druk kortstondig op de SET/ knop om "On" of "Off" op het display te doen knipperen in functie van wat eerder is ingesteld; 100 ❒ druk op te maken; of om uw keuze knop om ❒ druk kort op de SET/ terug te keren naar het menuscherm of druk langdurig op de knop om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. Menu verlaten Deze functie zorgt voor het afsluiten van de menu-instellingen. knop Druk kortstondig op de SET/ om terug te keren naar het standaardscherm zonder op te slaan. om terug te Druk op de toets keren naar de eerste menuoptie. INSTRUMENTENPANEEL . VERSIES MET MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY 1 130 Acqua°C Benzina 140 120 160 180 1/2 200 220 100 240 80 260 60 90 4 50 0 Mon 15 Mar 120 6 7 3 8 2 40 20 5 1 0 101 0 Giri x 1000 A0K2300 A. Snelheidsmeter – B. Multifunctioneel display – C. Toerenteller – D. Brandstofmeter met reservelampje – E. Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje oververhitting Waarschuwingslampjes alleen aanwezig op dieseluitvoeringen. Bij dieseluitvoeringen bedraagt de maximale schaalwaarde 6000 t/min BELANGRIJK De verlichting van het instrumentenpaneel kan per versie verschillen. . 101 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL VERSIES MET HERCONFIGUREERBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY 1 130 Acqua°C Benzina 140 120 160 180 1/2 200 220 100 240 80 260 60 120 40 20 0 90 4 50 5 6 7 3 20:30 20 °C 2 Monday 15 March 8 2 123456 km 0 1 0 Giri x 1000 102 A0K2301 A. Snelheidsmeter – B. Herconfigureerbaar multifunctioneel display – C. Toerenteller – D. Brandstofmeter met reservelampje – E. Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje oververhitting Waarschuwingslampjes alleen aanwezig op dieseluitvoeringen. Bij dieseluitvoeringen bedraagt de maximale schaalwaarde 6000 t/min BELANGRIJK De verlichting van het instrumentenpaneel kan per versie verschillen. 102 SNELHEIDSMETER Geeft de snelheid van de auto aan. TOERENTELLER Geeft het motortoerental aan. BRANDSTOFMETER Geeft de hoeveelheid brandstof in de tank aan. Het reservelampje op de meter gaat branden wanneer er nog 8 à 10 liter brandstof in de tank is; tank in dat geval brandstof bij zodra dit mogelijk is. Rijd niet met een bijna lege tank: een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator schade toebrengen. KOELVLOEISTOF TEMPERATUURMETER De wijzer geeft de koelvloeistoftemperatuur aan en meldt de gebruiker wanneer de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan circa 50°C. Onder normale omstandigheden kan de wijzer op verschillende standen staan, afhankelijk van de gebruiksomstandigheden. Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer de koelvloeistoftemperatuur te hoog is. Zet in dit geval de motor af en neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. TRIP COMPUTER IN HET KORT De Trip computer geeft informatie over de werking van het voertuig weer op de display, wanneer de contactsleutel in de stand MAR staat. Met deze functie kunnen twee afzonderlijke reizen worden aangemaakt, “Trip A” en Trip B” genaamd, waarmee "volledige reizen" van de auto worden bewaakt. Beide functies werken onafhankelijk van elkaar. Beide geheugens kunnen gereset worden: reset - begin van een nieuwe rit. “Trip A” geeft informatie over: ❒ Actieradius ❒ Afgelegde afstand ❒ Gemiddeld brandstofverbruik ❒ Huidig brandstofverbruik ❒ Gemiddelde snelheid ❒ Reistijd. “Trip B” geeft informatie over: ❒ Afgelegde afstand B 103 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL ❒ Gemiddeld verbruik B Gemiddelde snelheid WEERGEGEVEN WAARDEN BELANGRIJK De actieradius kan variëren op basis van verschillende factoren: de rijstijl (zie de paragraaf "Rijstijl" in het hoofdstuk "Starten en rijden"), het type route (snelweg, stadsverkeer, bergwegen, etc…) en de gebruiksomstandigheden van het voertuig (beladingstoestand, bandenspanning, etc…). Bij de programmering van een reis dient men rekening te houden met deze factoren. Actieradius Afgelegde afstand Geeft de afstand weer die nog afgelegd kan worden met de brandstof die in de tank aanwezig is. Hierbij wordt uitgegaan van een rijstijl die niet verandert. Geeft de afstand weer die de auto heeft afgelegd sinds het begin van een nieuwe reis. Telkens wanneer een parameter wordt weergegeven, verschijnt de volgende informatie: ❒ Gemiddelde snelheid B ❒ Reistijd B. “Trip B” kan worden uitgeschakeld (zie “Trip B inschakelen”). De parameters “Bereik” en “Huidig verbruik" kunnen niet worden gereset. De display toont de melding '-----' wanneer: ❒ de actieradius kleiner is dan 50 km (of 30 mijl) ❒ de auto lang stilstaat met een draaiende motor. Geeft de gemiddelde snelheid weer in functie van de totale tijd die is verlopen sinds het begin van de reis. Reistijd Geeft de tijd weer die is verlopen sinds het begin van een nieuwe reis. AANWIJZINGEN OP HET DISPLAY ❒ animatiepictogram in het bovenste gedeelte fig. 103; Gemiddeld verbruik Geeft het gemiddeld brandstofverbruik van de auto weer sinds het begin van een nieuwe reis. Huidig verbruik Geeft het huidig brandstofverbruik weer. Deze waarde wordt continu bijgewerkt. Als de auto stilstaat met draaiende motor verschijnt de melding “- - - -” op de display. 103 A0K2011 ❒ het woord “Trip” (of “Trip A” of “Trip B”) (B); 104 ❒ benaming, waarde een meeteenheid van de gekozen parameter (bv. "Bereik 1500 km") (C). Na enkele seconden worden de benaming en waarde van de gekozen parameter vervangen door een pictogram fig. 104. 104 ❒ "Reistijd ” (als Trip A is ingeschakeld, of “B” als Trip B is ingeschakeld); TRIP KNOP 0.00 De TRIP 0.00 knop bevindt zich op de rechterhendelfig. 105. Wanneer de contactsleutel in de stand MAR staat, kunnen met deze knop de eerder beschreven waarden bekeken worden en op nul gezet worden voor een nieuwe reis: A0K0007 ❒ ❒ ❒ ❒ "Bereik"; "Gemiddeld verbruik A” (als Trip A is ingeschakeld, of “B” als Trip B is ingeschakeld); "Afstand” (als Trip A is ingeschakeld, of “B” als Trip B is ingeschakeld); Deze begint na een: ❒ “handmatige” reset vanwege de gebruiker door de betreffende knop in te drukken; ❒ “automatische” reset wanneer de “afgelegde afstand“ de waarde 99999,9 km bereikt of wanneer de "Reistijd“ de waarde 999:59 bereikt (999 uur en 59 minuten); ❒ nadat de accu losgekoppeld is geweest. BELANGRIJK Als het systeem wordt gereset wanneer de parameters van “Trip A” worden weergegeven, dan worden alleen de gegevens van de betreffende functie gereset. De pictogrammen van de diverse parameters zijn: ❒ Nieuwe reis 105 A0K0096 ❒ kort indrukken: weergave van de verschillende waarden; BELANGRIJK Als het systeem wordt gereset wanneer de parameters van “Trip B” worden weergegeven, dan worden alleen de gegevens van de betreffende functie gereset. ❒ lang indrukken: reset de gegevens en start een nieuwe reis. "Huidig verbruik"; "Gemiddelde snelheid A” (als Trip A is ingeschakeld, of “B” als Trip B is ingeschakeld); 105 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 106 Procedure om een nieuwe reis te starten Houd de knop TRIP 0.00 langer dan 2 seconden ingedrukt met de contactsleutel in de stand MAR om te resetten. Trip verlaten De Trip functie kan automatisch verlaten worden nadat alle gegevens zijn weergegeven of wanneer de SET/ knop gedurende langer dan 1 seconde wordt ingedrukt. LAMPJES EN BERICHTEN WAARSCHUWING Het waarschuwingslampje gaat branden en er verschijnt een speciaal bericht en/of er klinkt een geluidssignaal, wanneer van toepassing. Deze meldingen zijn korte waarschuwingen en mogen vanwege hun beknopte karakter niet worden beschouwd als volledig en/of een alternatief voor de informatie die is opgenomen in het Instructieboek. Het wordt daarom geadviseerd het instructieboek altijd aandachtig te lezen. Zie de informatie in dit hoofdstuk in de gevallen dat een storing wordt gemeld. WAARSCHUWING De storingen die op het display worden weergegeven, kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën: ernstige storingen en minder ernstige storingen. Ernstige storingen worden langdurig herhaald weergegeven. Minder ernstige storingen worden kort herhaald weergegeven. De herhaaldelijke weergave op het display van beide categorieën kan onderbroken worden. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel blijft branden tot de oorzaak van de storing is verholpen. 107 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL WAARSCHUWINGSLAMPJES OP INSTRUMENTENPANEEL Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat te doen LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU/HANDREM AANGETROKKEN Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid en moet enkele seconden later doven. rood rood geel 108 Wat het betekent Remvloeistofniveau te laag Het lampje (of symbool op het display) gaat branden wanneer het remvloeistofniveau in het reservoir zich onder het minimumpeil bevindt, bijvoorbeeld door een lek in het remcircuit. Op het display verschijnt een speciaal bericht. Herstel het remvloeistofniveau, controleer daarna of het lampje gedoofd is. Als het waarschuwingslampje blijft branden, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Aangetrokken handrem Het lampje (of symbool op het display) gaat branden wanneer de handrem wordt aangetrokken. Als de auto in beweging is, klinkt er ook een geluidssignaal. Zet de handrem los, controleer daarna of het lampje gedoofd is. Als het waarschuwingslampje blijft branden (of het symbool op het display blijft staan), neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. STORING EBD Wanneer de lampjes (rood) en (geel) bij draaiende motor tegelijk gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem of is het systeem niet beschikbaar. In dit geval kunnen de achterwielen bij hard remmen plotseling blokkeren waardoor de auto begint te slippen. Op het display verschijnt een speciaal bericht. Rijd zeer voorzichtig naar het dichtstbijzijnde Alfa Romeo Servicepunt om het systeem onmiddellijk te laten controleren. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood rood rood Wat het betekent STORING AIRBAG Als de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Na enkele seconden moet het doven. Als het lampje vast blijft branden, dan is er een storing in het airbagsysteem. Op het display verschijnt een speciaal bericht. Wat te doen 63) 64) VEILIGHEIDSGORDELS NIET VASTGEMAAKT (voor bepaalde versies/markten) Het waarschuwingslampje blijft continu branden bij stilstaande auto als de veiligheidsgordel van de bestuurder niet is vastgemaakt. Wanneer met de auto wordt gereden met niet goed omgelegde veiligheidsgordels, gaat het lampje knipperen en klinkt er een geluidssignaal. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de zoemer van het SBRsysteem (Seat Belt Reminder) permanent te laten uitschakelen. Het systeem kan weer worden ingeschakeld in het Setup-menu. STORING DYNAMO Wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt gedraaid, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart (als de motor stationair draait, kan het voorkomen dat het lampje iets later dooft). Als het waarschuwingslampje blijft branden (of het symbool op het display blijft staan), neem dan zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 109 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 110 BELANGRIJK 63) Als het waarschuwingslampje niet dooft wanneer de sleutel naar MAR wordt gedraaid of als het blijft branden tijdens het rijden (terwijl er ook een bericht op het display wordt weergegeven), dan kan er iets mis zijn met de veiligheidssystemen; in dit geval worden de airbags misschien niet opgeblazen of werken de gordelspanners niet goed indien een ongeval optreedt of, in een zeer beperkt aantal gevallen, werken ze op het verkeerde moment. Laat het systeem onmiddellijk controleren door het Alfa Romeo Servicenetwerk alvorens verder te rijden. 64) Een storing van het waarschuwingslampje wordt aangegeven als het waarschuwingslampje (op het paneeltje boven de achteruitkijkspiegel) langer dan de gebruikelijke 4 seconden blijft knipperen. Bovendien schakelt het airbagsysteem de airbag aan passagierszijde automatisch uit. In dat geval kan het lampje mogelijk geen storingen in de veiligheidssystemen aangeven. Laat het systeem onmiddellijk controleren door het Alfa Romeo Servicenetwerk alvorens verder te rijden. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood Wat het betekent MOTOROLIEDRUK TE LAAG Wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, gaat het lampje branden maar moet het doven zodra de motor is gestart. Het lampje gaat knipperen en (voor bepaalde versies/markten) verschijnt er een bericht op het display wanneer het systeem detecteert dat de motoroliedruk laag is. Wat te doen 12) BELANGRIJK 12) Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, zet dan de motor onmiddellijk af en neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 111 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 112 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood Wat het betekent UITGEWERKTE MOTOROLIE (voor bepaalde versies/markten) Het lampje knippert en er verschijnt een speciaal bericht op het display (voor bepaalde versies/markten). Afhankelijk van de versie kan het lampje op verschillende manieren knipperen: - elke twee uur gedurende 1 minuut; - cycli van 3 minuten met intervallen van 5 seconden waarin het lampje niet brandt totdat de olie wordt ververst. Na de aanvankelijke waarschuwing blijft het waarschuwingslampje, elke keer als de motor wordt gestart, op dezelfde manier knipperen tot de olie is ververst. In aanvulling op het waarschuwingslampje verschijnt er een speciaal bericht op het display (voor bepaalde versies/markten). Het knipperen van het lampje moet niet als een storing worden beschouwd, maar wil de bestuurder erop wijzen dat de motorolie moet worden ververst na een normaal gebruik van het voertuig. De verslechtering van de olie wordt versneld door: - overwegend stadsgebruik van de auto, waardoor het DPFregeneratieproces vaker moet worden uitgevoerd; - gebruik van de auto voor korte ritten, waardoor de motor niet helemaal op bedrijfstemperatuur kan komen; - herhaald onderbreken van het regeneratieproces, hetgeen wordt aangegeven door het branden van het DPF-lampje. Wat te doen Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 65) 66) BELANGRIJK 65) Wanneer het lampje gaat branden, moet de verslechterde motorolie zo spoedig mogelijk, en in elk geval binnen 500 km na ontsteking van het lampje, ververst worden. Veronachtzaming van bovenstaande aanwijzingen kan leiden tot ernstige schade aan de motor en de garantie doen vervallen. Vergeet niet dat het knipperen van dit lampje niets te maken heeft met het oliepeil in de motor; voeg dus absoluut geen motorolie toe als het lampje begint te knipperen. 66) Als het lampje tijdens het rijden gaat knipperen, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 113 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 114 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood Wat het betekent TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Als de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Na enkele seconden moet het doven. Het lampje gaat branden wanneer de motor oververhit is. Op het display verschijnt een speciaal bericht. Wat te doen Tijdens een normale rit: breng de auto tot stilstand, zet de motor af en controleer of het koelvloeistofniveau in het reservoir zich onder het MIN-teken bevindt. Als dit het geval is, wacht dan tot de motor is afgekoeld, draai vervolgens langzaam en voorzichtig de dop open, vul koelvloeistof bij en controleer of het peil zich tussen het MIN- en MAX-teken op het reservoir bevindt. Controleer ook op de aanwezigheid van vloeistoflekken. Als het waarschuwingslampje bij de volgende keer starten weer gaat branden, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Wanneer de auto onder zware omstandigheden wordt gebruikt (bijv. wanneer er tijdens het rijden hoge prestaties gevraagd worden): minder snelheid en, als het lampje blijft branden, breng de auto tot stilstand. Wacht 2 of 3 minuten met draaiende motor en geef ietwat gas om de koelvloeistofcirculatie te bevorderen. Zet vervolgens de motor af. Controleer het koelvloeistofpeil zoals hiervoor beschreven. WAARSCHUWING Het wordt geadviseerd om op zware routes de motor vóór het afzetten enkele minuten te laten draaien met het gaspedaal iets ingetrapt. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood rood Wat het betekent Wat te doen STORING ALFA TCT (voor bepaalde versies/markten) Als de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Na enkele seconden moet het doven. Het waarschuwingslampje gaat knipperen (samen met een bericht op het display en een geluidssignaal) om een defect in de versnellingsbak/transmissie aan te geven. Het waarschuwingslampje kan ook gaan branden bij oververhitting van de versnellingsbak na bijzonder zwaar gebruik. In dit geval worden de motorprestaties beperkt. Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Als de motor gestart moet worden terwijl er een storing in de transmissie aanwezig is, volg dan de procedure beschreven in de paragraaf "Alfa TCT" in het hoofdstuk "Starten en rijden". PORTIEREN NIET GOED GESLOTEN (voor bepaalde versies/markten) Het lampje (of symbool op het display) gaat branden wanneer een of meer portieren of de achterklep niet goed gesloten zijn. Bij geopende portieren en als de auto rijdt klinkt er een geluidssignaal. Bij sommige versies gaat het lampje (of symbool op het display) ook branden wanneer de motorkap niet goed gesloten is. 115 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 116 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel rood rood Wat het betekent Wat te doen SNELHEIDSLIMIET OVERSCHREDEN (voor bepaalde versies/markten) Het lampje gaat branden als de in het Setupmenu ingestelde snelheidslimiet wordt overschreden (bijv. 120 km/h). Bij sommige versies wordt een bericht samen met een symbool op het display getoond en wordt een geluidssignaal afgegeven. STORING DUAL PINION STUURBEKRACHTIGING (voor bepaalde versies/markten) Als de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Na enkele seconden moet het doven. Als het lampje (of het symbool op het display) blijft branden, zou de elektrische stuurbekrachtiging niet meer kunnen werken waardoor aanzienlijk meer inspanning nodig is om de auto te besturen. Het sturen blijft echter wel mogelijk. Op het display verschijnt een speciaal bericht. Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. BELANGRIJK Na loskoppeling van de accu moet de stuurbekrachtiging geïnitialiseerd worden. Het lampje gaat branden om dit aan te geven. Ga hiervoor als volgt te werk: draai het stuurwiel van het ene uiteinde naar het andere of rijd circa 100 meter op een rechtlijnig stuk weg. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel geel Wat het betekent Wat te doen STORING ALFA ROMEO CODE SYSTEEM/ STORING ALARM (voor bepaalde versies/markten) Het lampje (of het symbool op het display) gaat branden (en bij sommige versies verschijnt ook een bericht op het display) om een Alfa Romeo CODE systeem- of alarmstoring te melden (voor bepaalde versies/markten). Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Inbraakpoging Als het lampje knippert of, bij sommige versies, als het symbool op het display (samen met een bericht) verschijnt, wordt een inbraakpoging aangegeven. Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. BRANDSTOFRESERVE/BEPERKTE ACTIERADIUS Het lampje gaat branden wanneer er nog circa 8 à 10 liter brandstof in de tank is. Wanneer de resterende actieradius minder is dan ongeveer 50 km (of het equivalent in mijl) is, verschijnt bij sommige versies een waarschuwing op het display. 67) BELANGRIJK 67) Als het lampje tijdens het rijden gaat knipperen, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 117 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 118 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent ALGEMENE STORING (voor bepaalde versies/markten) Het lampje gaat onder de volgende omstandigheden branden. Afsluiter van de brandstoftoevoer Het lampje gaat branden wanneer de afsluiter van de brandstoftoevoer wordt ingeschakeld. Op het display verschijnt een speciaal bericht. geel Start&Stop systeemstoring (voor bepaalde versies/markten) Het lampje gaat branden wanneer er een storing in het Start&Stop-systeem wordt gedetecteerd. Storing regensensor (voor bepaalde versies/markten) Het lampje gaat branden wanneer er een storing in de regensensor wordt gedetecteerd. Storing parkeersensor (voor bepaalde versies/markten) Zie de volgende beschrijving voor “Storing parkeersensor”. Wat te doen Neem in deze gevallen contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de storing zo spoedig mogelijk te laten verhelpen. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent ALGEMENE STORING (voor bepaalde versies/markten) Het lampje gaat onder de volgende omstandigheden branden. Wat te doen Neem in deze gevallen contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de storing zo spoedig mogelijk te laten verhelpen. Storing schemersensor (voor bepaalde versies/markten) Dit lampje gaat branden wanneer er een storing in de schemersensor wordt gedetecteerd. Storing motoroliedruksensor Het waarschuwingslampje gaat branden als de motoroliedruksensor defect is. Op het display verschijnt een speciaal bericht. geel Storing AFS adaptieve lichten (voor bepaalde versies/markten) Het lampje gaat branden wanneer er een storing in de AFS adaptieve lichten wordt gedetecteerd (zie de paragraaf “AFS adaptieve lichten” in het hoofdstuk “Kennismaking met het voertuig”). Op het display verschijnt een speciaal bericht. Storing knelbeveiliging Het lampje gaat branden wanneer er een storing in de knelbeveiliging van de elektrische ruitbediening wordt gedetecteerd. Op het display verschijnt een speciaal bericht. 119 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 120 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent Storing buitenverlichting Het lampje gaat branden wanneer er een storing in een van de volgende lichten wordt gedetecteerd. ❒ dagrijlichten (DRL) ❒ stadslicht ❒ richtingaanwijzers geel ❒ mistachterlichten ❒ kentekenverlichting De storing met betrekking tot deze lichten kan veroorzaakt zijn door: een of meer doorgebrande zekeringen, een of meer doorgebrande lampen of een verbroken elektrische verbinding. MISTACHTERLICHTEN Dit lampje gaat branden wanneer de mistachterlichten worden ingeschakeld. geel Wat te doen Controleer en vervang indien nodig de betreffende zekeringen, in overeenstemming met de paragraaf "Zekering vervangen" in het hoofdstuk "Noodgevallen". Als dit de storing niet verhelpt, controleer en vervang dan indien nodig de betreffende lampen, in overeenstemming met de paragraaf "Lamp buitenverlichting vervangen" in het hoofdstuk "Noodgevallen". Als deze handeling het probleem ook niet oplost, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk, voor een algemene controle van de elektrische installatie. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel geel geel Wat het betekent Wat te doen STORING ABS Als de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Na enkele seconden moet het doven. Het lampje (of symbool op het display) gaat branden wanneer het systeem inefficiënt wordt. In dit geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de extra prestaties van het ABSsysteem. Op het display verschijnt een speciaal bericht. Rijd zeer voorzichtig en neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. REMBLOKSLIJTAGE (voor bepaalde versies/markten) Het waarschuwingslampje (of symbool op het display) gaat branden wanneer de remblokken voor en achter versleten zijn. Op het display verschijnt een speciaal bericht. Laat de remblokken zo snel mogelijk vervangen. PASSAGIERSAIRBAG UITGESCHAKELD Het lampje (op het paneeltje boven de achteruitkijkspiegel) gaat branden wanneer de frontairbag aan passagierszijde wordt uitgeschakeld. Wanneer bij ingeschakelde frontairbag aan passagierszijde de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, gaat het lampje eerst enkele seconden continu branden en moet vervolgens doven. knippert, dan duidt dit op een Als het lampje storing van het waarschuwingslampje. 68) 121 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 122 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent STORING INSPUIT-/EOBD-SYSTEEM Onder normale omstandigheden, wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, gaat het lampje branden maar dit moet doven zodra de motor is gestart. De verkeerspolitie beschikt over speciale apparatuur kan worden waarmee de werking van het lampje gecontroleerd. Neem in elk geval de wettelijke voorschriften in acht van het land waarin u rijdt. geel Wat te doen 13) Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, dan betekent dit dat het inspuitsysteem niet goed werkt. Een continu brandend lampje duidt op een storing in het inspuit-/ontstekingssysteem die zou kunnen leiden tot overmatige uitlaatgasemissies, mogelijk prestatieverlies, slechte rijeigenschappen en een hoog brandstofverbruik. Bij sommige versies verschijnt een speciaal bericht op het display. Het lampje dooft nadat de storing is verdwenen, maar de melding wordt door het systeem in het geheugen bewaard. Onder deze omstandigheden kan men met gematigde snelheid verder rijden zonder te veel van de motor te eisen. Het langdurig rijden met continu brandend lampje kan tot schade leiden. Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Alleen benzinemotoren Als het waarschuwingslampje knippert, betekent dit dat de katalysator beschadigd kan zijn. Laat in dit geval het gaspedaal los om het motortoerental te verlagen tot het lampje stopt met knipperen. Rijd verder met gematigde snelheid en voorkom rijomstandigheden die kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen van het lampje. Neem zo spoedig mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel Wat het betekent STORING VOORGLOEIBOUGIES/ VOORGLOEISYSTEEM (dieselmotoren) Dit lampje gaat branden wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt gedraaid. Het lampje dooft zodra de voorgloeibougies de vooringestelde temperatuur hebben bereikt. De motor kan worden gestart zodra het lampje gedoofd is. WAARSCHUWING Bij gemiddelde of hoge buitentemperatuur blijft het lampje zeer kort (bijna onwaarneembaar) branden. Storing voorgloeisysteem Het lampje knippert (en bij sommige versies verschijnt een bericht op het display) om een storing in het voorgloeisysteem aan te geven. geel Wat te doen WATER IN DIESELFILTER (dieselversies) Het lampje brandt continu tijdens het rijden (samen met een bericht op het display) om de aanwezigheid van water in het brandstoffilter aan te geven. Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 14) 123 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL BELANGRIJK 68) Een storing van het waarschuwingslampje wordt aangegeven door het aangaan van het waarschuwingslampje . Bovendien schakelt het airbagsysteem de airbag aan passagierszijde automatisch uit. Laat het systeem onmiddellijk controleren door het Alfa Romeo Servicenetwerk alvorens verder te rijden. BELANGRIJK 13) Als het lampje , wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, niet gaat branden of tijdens het rijden continu blijft branden of gaat knipperen (bij bepaalde versies verschijnt er ook een bericht op het display), neem dan zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. BELANGRIJK 14) Water in het brandstoftoevoercircuit kan het inspuitsysteem ernstig beschadigen en een onregelmatige werking van op het instrumentenpaneel gaat branden (samen met een bericht op het de motor veroorzaken. Als het lampje display), neem dan zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem te laten aftappen. Als het lampje onmiddellijk na het tanken gaat branden, kan het zijn dat er tijdens het tanken water in de tank terecht is gekomen: zet de motor onmiddellijk af en neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 124 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel Wat het betekent REINIGING DPF (roetfilter) bezig (alleen dieselversies met DPF) Wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, gaat het lampje branden, maar dit moet na enkele seconden doven. Het lampje gaat continu branden om te waarschuwen dat het DPF-systeem bezig is met het verwijderen van de opgehoopte vervuilende deeltjes (roet) middels regeneratie. Het lampje zal niet bij elk DPF-regeneratieproces branden, maar alleen als de rijomstandigheden van die aard zijn dat de bestuurder hiervan op de hoogte moet zijn. De auto moet tot aan het einde van het regeneratieproces in beweging blijven opdat het lampje dooft. Een regeneratieproces duurt gemiddeld 15 minuten. De optimale omstandigheden om het proces te voltooien worden bereikt door de voertuigsnelheid op 60 km/h te houden met een toerental van meer dan 2000 tpm. Als dit lampje gaat branden, wijst dit niet op een storing en hoeft de auto dus niet naar een werkplaats te worden gebracht. Bij sommige versies verschijnt er, als het lampje gaat branden, ook een bericht op het display. Wat te doen 69) 125 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 126 BELANGRIJK 69) Rijd altijd met een snelheid die is afgestemd op de verkeerssituatie, de weersomstandigheden en de wegenverkeerswetgeving. De motor afzetten terwijl het DPF-lampje brandt is toegestaan, maar het meermaals onderbreken van het regeneratieproces kan leiden tot voortijdig kwaliteitsverlies van de motorolie. Daarom wordt aanbevolen altijd te wachten tot het lampje is gedoofd alvorens de motor af te zetten, zoals hierboven is beschreven. Het wordt sterk afgeraden de DPF-generatie bij stilstaand voertuig te voltooien. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel Wat het betekent Wat te doen iTPMS-SYSTEEM Als de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden. Na enkele seconden moet het doven. WAARSCHUWING Rijd niet verder met een of meerdere lege banden, dit kan de bestuurbaarheid van de auto in gevaar brengen. Breng de auto tot stilstand, voorkom bruusk remmen en sturen. Repareer de band(en) onmiddellijk met behulp van de speciale kit (zie de paragraaf "Een wiel verwisselen" in het hoofdstuk "Noodgevallen") en neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Storing iTPMS/iTPMS tijdelijk uitgeschakeld Het waarschuwingslampje knippert gedurende ongeveer 75 seconden en blijft daarna permanent branden (er verschijnt ook een bericht op het display) (zie paragraaf “Bedrijfsomstandigheden”) om aan te geven dat het systeem tijdelijk uitgeschakeld of defect is. Het systeem gaat weer normaal werken zodra de bedrijfsomstandigheden dat toelaten. Als dat niet het geval is de Resetprocedure uitvoeren na het herstellen van de normale bedrijfsomstandigheden. Als de storing blijft voortduren, zo snel mogelijk contact opnemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 127 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 128 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel Wat het betekent Wat te doen Lage bandenspanning Het waarschuwingslampje gaat continu branden om aan te geven dat de bandenspanning gezakt is onder de aanbevolen waarde die een lange levensduur van de band en een zuinig brandstofverbruik garandeert, of om aan te geven dat er spanningsverlies is. Zo wordt de bestuurder door het iTPMS gewaarschuwd dat er sprake is van lage bandenspanning en het risico op een lekke band. In dit geval is het raadzaam de juiste bandenspanning te herstellen (zie paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens"). Zodra de normale bedrijfsomstandigheden van het voertuig hersteld zijn, de Resetprocedure uitvoeren. In elke situatie waarin op het display het bericht "Raadpleeg handleiding" wordt weergegeven, is het VERPLICHT om de inhoud van de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens" te raadplegen, en moeten de aanwijzingen die u daarin vindt strikt worden opgevolgd. WAARSCHUWING Rijd niet verder met een of meerdere lege banden, dit kan de bestuurbaarheid van de auto in gevaar brengen. Breng de auto tot stilstand, voorkom bruusk remmen en sturen. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel Wat het betekent Wat te doen ELEKTRONISCHE STABILITEITSREGELING (ESC) Wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, gaat het lampje branden maar het moet doven zodra de motor is gestart. Inwerkingtreding van het systeem wordt aangegeven door het knipperen van het waarschuwingslampje: dit geeft aan dat de stabiliteit en de grip van de auto in kritieke toestand verkeren. Als het waarschuwingslampje (of het symbool op het display) niet dooft, of als het blijft branden als de motor draait, betekent dit dat er een storing in het ESC-systeem is gedetecteerd. Bij sommige versies verschijnt een speciaal bericht op het display. Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om het probleem te laten diagnosticeren en oplossen. 129 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 130 Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel geel Wat het betekent Wat te doen ELEKTRONISCHE STABILITEITSREGELING (ESC) Storing ASR-systeem Wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, gaat het lampje branden maar het moet doven zodra de motor is gestart. Het lampje gaat tijdens het rijden knipperen om aan te geven dat het ASR-systeem in werking is getreden. Als het waarschuwingslampje niet dooft, of als het blijft branden als de motor loopt, betekent dit dat er een storing in het ASR-systeem is gedetecteerd. Bij sommige versies verschijnt een speciaal bericht op het display. Neem in dit geval zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Storing Hill Holdersysteem Het waarschuwingslampje gaat tegelijk branden en het bijbehorende bericht met het symbool verschijnt op het display om een storing in het Hill Holdersysteem aan te geven. Neem in dit geval zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel groen Wat het betekent Wat te doen CRUISE CONTROL (voor bepaalde uitvoeringen/markten) Wanneer de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat dit lampje branden, maar moet na enkele seconden doven als de cruise control uitgeschakeld is. Het lampje gaat branden wanneer de draaiknop van de cruise control in de stand ON wordt gedraaid (zie de paragraaf “Cruise Control” in het hoofdstuk "Kennismaking met de auto"). Op het display verschijnt een speciaal bericht. STADSLICHT Het lampje gaan branden wanneer het stadslicht wordt ingeschakeld. groen FOLLOW ME HOME Dit lampje gaat branden (en er verschijnt ook een melding op het display) wanneer deze functie in gebruik is (zie de paragraaf “Buitenverlichting” in het hoofdstuk "Kennismaking met de auto"). 2 DIMLICHT Het lampje gaan branden wanneer het dimlicht wordt ingeschakeld. groen 131 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel Wat het betekent MISTLAMPEN VOOR Dit lampje gaat branden wanneer de mistlampen voor worden ingeschakeld. groen groen groen Waarschuwingslampjes op instrumentenpaneel LINKER RICHTINGAANWIJZER Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt gebracht of, samen met de rechter richtingaanwijzer, wanneer de knop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt. RECHTER RICHTINGAANWIJZER Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt gebracht of, samen met de linker richtingaanwijzer, wanneer de knop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt. Wat het betekent GROOTLICHT Het lampje gaan branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld. blauw 132 Wat te doen Wat te doen SYMBOLEN EN MELDINGEN OP HET DISPLAY Symbool op het display Wat het betekent AFSLUITER VAN DE BRANDSTOFTOEVOER Bij sommige versies verschijnt een bericht plus symbool op het display wanneer de afsluiter van de brandstoftoevoer inschakelt. Wat te doen Zie, voor het herstellen van de afsluiter van de brandstoftoevoer, de paragraaf "Bedieningselementen" van het hoofdstuk "Kennismaking met de auto". Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk als de brandstoftoevoer nog steeds niet hersteld kan worden. MOGELIJKE IJSVORMING OP WEGDEK Bij versies voorzien van herconfigureerbaar multifunctioneel display verschijnen er een bericht en een symbool op het display wanneer de buitentemperatuur 3°C of lager bedraagt. Bij versies met “Multifunctioneel display” verschijnt alleen het speciale bericht. BELANGRIJK Indien er een storing is in de buitentemperatuursensor, worden de cijfers die de waarde aangeven door streepjes vervangen. STORING REMLICHTEN Bij sommige versies verschijnt er een bericht plus symbool op het display wanneer een storing in de remlichten optreedt. De storing kan veroorzaakt zijn door een doorgebrande lamp, een doorgebrande zekering of een onderbroken elektrische verbinding. STORING SCHEMERSENSOR (voor bepaalde versies/markten) Bij sommige versies verschijnt er een bericht plus symbool op het display wanneer een storing in de schemersensor optreedt. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de storing zo spoedig mogelijk te laten verhelpen. 133 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 134 Symbool op het display Wat het betekent Wat te doen STORING REGENSENSOR (voor bepaalde versies/markten) Bij sommige versies verschijnt er een bericht plus symbool op het display wanneer een storing in de regensensor optreedt. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de storing zo spoedig mogelijk te laten verhelpen. STORING PARKEERSENSOR (voor bepaalde versies/markten) Bij sommige versies verschijnt er een bericht plus symbool op het display wanneer een storing in de parkeersensoren optreedt. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de storing zo spoedig mogelijk te laten verhelpen. Symbool op het display Wat het betekent Wat te doen INSCHAKELING/UITSCHAKELING START&STOP-SYSTEEM (voor bepaalde versies/markten) Inschakeling Start&Stop-systeem Er verschijnt een bericht op het display wanneer het Start&Stop-systeem wordt ingeschakeld. In gedoofd (zie dit geval is de led op de knop paragraaf “Start&Stop” in dit hoofdstuk). Uitschakeling Start&Stop-systeem Versies met multifunctioneel display: een bericht wordt weergegeven wanneer het Start&Stopsysteem wordt uitgeschakeld. Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel plus een bericht display: het symbool verschijnt op het display wanneer het Start&Stopsysteem wordt uitgeschakeld. De led op de knop brandt wanneer het systeem is uitgeschakeld. STORING START&STOP Als er een storing optreedt in het Start&Stop systeem, knippert het symbool (versies met multifunctioneel display) of (versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display) op het display. Bij bepaalde versies/markten wordt er ook een bericht weergegeven. Neem in deze gevallen contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de storing zo spoedig mogelijk te laten verhelpen. 135 KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL 136 Symbool op het display Wat het betekent WEERGAVE VAN GEKOZEN RIJMODUS (“Alfa DNA”-systeem) Bij versies met een "Herconfigureerbaar multifunctioneel display", worden een bericht en het symbool van de gekozen rijmodus, “DYNAMIC”, “NATURAL” of “ALL WEATHER”, weergegeven. Er verschijnt een waarschuwingsbericht op het display wanneer een van deze rijmodi niet beschikbaar is. Bij versies met multifunctioneel display, wordt samen met het speciale bericht ook de letter ("d" of "a") van de gekozen rijmodus weergegeven. Wat te doen VEILIGHEID Dit hoofdstuk is erg belangrijk. Hierin worden de veiligheidssystemen beschreven waarmee de auto is uitgerust en aanwijzingen over hoe deze op de juiste wijze gebruikt moeten worden. VEILIGHEIDSGORDELS .................138 S.B.R. SYSTEEM (SEAT BELT REMINDER) ....................................139 GORDELSPANNERS.......................141 VEILIG KINDEREN VERVOEREN.....143 "UNIVERSEEL" KINDERZITJE MONTEREN (MET DE VEILIGHEIDSGORDELS) .................145 INBOUWVOORBEREIDING UNIVERSEEL "ISOFIX" KINDERZITJE..................................148 FRONTAIRBAGS.............................152 ZIJAIRBAGS (ZIJAIRBAG HOOFDAIRBAG) .............................156 137 VEILIGHEID VEILIGHEIDSGORDELS De oprolautomaat kan blokkeren als de GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS De veiligheidsgordel moet omgelegd worden terwijl men goed rechtop, met de rug tegen de rugleuning zit. Pak, om de gordel om te leggen, de gesp A fig. 106 en steek deze in de sluiting B, totdat de klik van het vergrendelen wordt gehoord. 106 auto op een steile helling staat: dit is normaal. Bovendien blokkeert de oprolautomaat als de gordel snel word uitgetrokken of bij hard remmen, botsingen en bij bochten die op hoge snelheid worden genomen. De achterbank is voorzien van driepuntsveiligheidsgordels met oprolautomaat. Leg de achterste veiligheidsgordels om zoals getoond in fig. 107. A0K0628 BELANGRIJK Als de achterbankleuning na het neerklappen weer in de normale stand wordt geplaatst, controleer dan of de veiligheidsgordels zodanig geplaatst zijn dat ze klaar voor gebruik zijn. A0K0659 107 Als tijdens het uittrekken de gordel blokkeert, laat hem dan een stukje teruglopen en trek hem vervolgens langzaam uit. Druk, om de gordel los te maken, op knop C en begeleid de gordel tijdens het teruglopen met de hand, zodat 70) 71) 72) hij niet draait. 138 108 A0K0161 BELANGRIJK De rugleuning is correct vergrendeld als de rode streep B fig. 108 op de hendel voor het neerklappen van de rugleuning A onzichtbaar is. Deze rode streep geeft aan dat de rugleuning niet is vergrendeld. BELANGRIJK 70) Druk nooit op knop fig. 106 tijdens het rijden. 71) Onthoud dat passagiers op de achterbank die geen gordel dragen bij een ongeval blootgesteld worden aan een groot risico en bovendien een gevaar opleveren voor de inzittenden voorin. 72) Controleer of de rugleuning aan beide zijden goed is vergrendeld (rode strepen B fig. 108 onzichtbaar) om te voorkomen dat de rugleuning bij bruusk remmen naar voren kan klappen en zo de inzittenden kan verwonden. S.B.R. SYSTEEM (Seat Belt Reminder) Dit systeem bestaat uit een akoestisch waarschuwingssignaal dat, tegelijk met het knipperende lampje op het instrumentenpaneel, de bestuurder en de passagier voorin waarschuwt wanneer hun veiligheidsgordel niet is omgelegd. Bij sommige versies is er ook een paneeltje (ter vervanging voor de lampjes op het instrumentenpaneel) boven de achteruitkijkspiegel voorzien dat de passagiers voorin en achterin met geluids- en lichtsignalen waarschuwt wanneer hun veiligheidsgordel niet is omgelegd. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om deze zoemer permanent te laten uitschakelen. De zoemer kan te allen tijde via het Setup-menu opnieuw worden ingeschakeld (zie "Menuopties" in de paragraaf “Kennismaking met de auto”). De waarschuwingslampjes kunnen rood of groen zijn en ze werken als volgt: ❒ 1 = linker voorstoel (toestand bestuurder voor versies met stuur links); 109 A0K0075 ❒ 2 = links op de achterbank (passagier); ❒ 3 = middelste zitplaats achterbank (passagier); ❒ 4 = rechts op de achterbank (passagier); ❒ 5 = rechter voorstoel (toestand passagier voor versies met stuur links). 139 VEILIGHEID VOORSTOELEN (waarschuwingslampje nr. 1 = bestuurder en nr. 5 = passagier) Bestuurder Als de bestuurder de enige inzittende is en de veiligheidsgordel is niet omgelegd, dan wordt bij het overschrijden van 20 km/h of wanneer langer dan 5 seconden met een snelheid van 10 à 20 km/h wordt gereden een akoestische signaalcyclus voor de voorstoelen gestart (6 seconden durend geluidssignaal gevolgd door een extra biepsignaal van 90 seconden). Het lampje knippert. De lampjes blijven continu branden aan het einde van de cyclus tot de motor is afgezet. Het geluidssignaal houdt meteen op wanneer de bestuurder zijn gordel omlegt en het lampje wordt groen. De waarschuwingscyclus (akoestisch en visueel) wordt herhaald zoals voorheen beschreven en het rode lampje gaat knipperen als de veiligheidsgordel tijdens het rijden wordt losgemaakt. 140 Passagier Een gelijkaardig mechanisme is van toepassing voor de passagier voorin, met het verschil dat het lampje groen wordt en dat het geluidssignaal wordt afgebroken wanneer de passagier uit de auto stapt. Als op beide voorstoelen de veiligheidsgordel tijdens het rijden worden losgemaakt, heeft het geluidssignaal betrekking op de laatste handeling en werken beide lampjes onafhankelijk voor elke stoel. ACHTERBANK (lampjes nr. 2, nr. 3 en nr. 4) De waarschuwingscyclus treedt voor de achterbank alleen in werking als een veiligheidsgordel wordt losgemaakt (rood knipperend lampje). In deze omstandigheid gaat het (rode) lampje dat aangeeft dat de veiligheidsgordel is losgemaakt rood 30 seconden knipperen. Er wordt ook een geluidssignaal voortgebracht. Voor elke veiligheidsgordel die wordt losgemaakt wordt een apart visueel signaal (rood knipperend lampje) ingeschakeld. Het lampje wordt groen als de betreffende veiligheidsgordel terug wordt omgelegd. Ongeveer 30 seconden na het laatste signaal gaan de lampjes (rood of groen) voor de achterbank uit, ongeacht of de gordel is omgelegd of niet. BELANGRIJK Wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en de veiligheidsgordels (voor- en achterin) al zijn omgelegd, blijven alle lampjes gedoofd. Alle lampjes gaan branden wanneer minstens een veiligheidsgordel wordt omgelegd of losgemaakt. GORDELSPANNERS De veiligheidsgordels voor zijn voorzien van gordelspanners die bij een heftige frontale botsing de gordel enige centimeters aantrekt. Op die manier worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging ingeperkt. Wanneer de gordelspanners hebben gewerkt; rolt de gordel niet meer op. De auto is ook uitgerust met een tweede gordelspanner (nabij de dorpellijst). Wanneer die wordt ingeschakeld, wordt de metalen kabel verkort. Tijdens de werking van de gordelspanner kan er een wat rook ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brandgevaar. De gordelspanner behoeft geen onderhoud of smering: elke verandering van de oorspronkelijke conditie zal de werking ervan benadelen. Als de gordelspanner door uitzonderlijke natuurlijke gebeurtenissen (bijv. overstromingen, vloedgolven enz.) met water en/of modder in contact is geweest, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om hem te laten vervangen. KRACHTBEGRENZERS Voor een nog betere bescherming van de inzittenden bij een ongeval, zijn de oprolautomaten van de gordels voor voorzien van een krachtbegrenzer die bij een frontale aanrijding de piekbelasting op de borst en schouders beperken. 73) BELANGRIJK Voor een maximale bescherming door de gordelspanners moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed op borst en bekken aansluit. 15) ALGEMENE WAARSCHUWINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS Neem alle plaatselijke wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van veiligheidsgordels in acht en zorg ervoor dat ook de overige inzittenden dit doen. Leg de veiligheidsgordel altijd om alvorens weg te rijden. 74) 75) 76) Ook zwangere vrouwen moeten de veiligheidsgordel omleggen: voor zwangere vrouwen en het ongeboren kind wordt het risico op verwondingen bij een ongeval fors ingeperkt als de gordel wordt gedragen. Natuurlijk moeten zwangere vrouwen wel het onderste deel van de gordel lager omleggen, zodat de gordel over het bekken en onder de buik komt fig. 110. 141 VEILIGHEID Elke gordel kan slechts een enkele persoon beschermen. Vervoer nooit kinderen op de schoot van inzittenden met één veiligheidsgordel voor beiden fig. 112. Steek geen enkel voorwerp tussen de gordel en het lichaam van een inzittende. 110 ❒ zorg ervoor dat er geen vocht in de oprolautomaat komt: de goede werking ervan is alleen gegarandeerd als hij droog blijft; A0K0250 Zorg dat de gordelband nooit gedraaid is. Het bovenste gordelgedeelte moet over de schouder en schuin over de borst liggen. Het onderste gordelgedeelte moet over het bekken fig. 111 en dus niet over de buik van de inzittende liggen. Steek nooit voorwerpen (wasknijpers, klemmen enz.) tussen de gordel en het lichaam van de inzittende. ❒ vervang de gordels als ze sporen van slijtage of beschadiging vertonen. 112 A0K0013 ONDERHOUD VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS ❒ Zorg er altijd voor dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is; controleer ook of de oprolautomaat niet haperend werkt; ❒ vervang de gordels na een ongeval, ook al lijken ze niet beschadigd. Vervang de gordels ook steeds als de gordelspanners werden geactiveerd; 111 142 A0K0012 ❒ gebruik water en neutrale zeep om de gordels met de hand te wassen. Spoel de gordels en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik nooit agressieve, blekende of kleurende middelen of andere producten die het weefsel van de gordel kunnen aantasten; BELANGRIJK 73) De gordelspanner kan slechts één maal gebruikt worden. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om hen na activering te laten vervangen. 74) Het demonteren of aanpassen van onderdelen van de veiligheidsgordel of gordelspanner is ten strengste verboden. Werkzaamheden aan deze onderdelen moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd en erkend personeel. Neem altijd contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 75) Voor optimale bescherming moet de rugleuning rechtop gezet worden, moet men goed tegen de rugleuning aanzitten en moet de gordel goed aansluiten op de borst en het bekken. Draag altijd veiligheidsgordels, zowel voor- als achterin! Rijden zonder veiligheidsgordels doet bij een ongeval het risico op ernstige verwondingen toenemen en kan zelfs de dood tot gevolg hebben. 76) Nadat een gordel aan een zware belasting is blootgesteld (bijvoorbeeld bij een ongeval), moet de gordel compleet met de verankeringen, bevestigingsschroeven en de gordelspanner worden vervangen. Ook als er geen zichtbare schade is, kan de gordel toch verzwakt zijn. VEILIG KINDEREN VERVOEREN BELANGRIJK 15) Werkzaamheden die leiden tot stoten, trillingen of plaatselijke verhitting in de zone rondom de gordelspanners (meer dan 100°C gedurende ten hoogste 6 uur) kunnen de gordelspanners beschadigen of in werking doen treden. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk voor eventuele werkzaamheden aan deze componenten. Om een optimale bescherming bij een ongeval te kunnen garanderen, moeten alle inzittenden neerzitten en gebruik maken van goedgekeurde beveiligingssystemen, ook pasgeborenen en kinderen! Dit is een wettelijke verplichting in alle EU-landen, conform de Europese richtlijn 2003/20/EG. Vergeleken met volwassen is het hoofd van kleine kinderen in verhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder, maar de spieren en de botstructuur van kinderen zijn nog niet volledig ontwikkeld. Daarom zijn correcte veiligheidssystemen, naast veiligheidsgordels voor volwassenen, noodzakelijk om het gevaar van letsel in geval van een aanrijding, remmen of plotselinge manoeuvre, zo veel mogelijk te beperken. 143 VEILIGHEID Kinderen moeten veilig en comfortabel op hun zitplaats blijven. Voor zover de eigenschappen van de gebruikte kinderzitjes dit toelaten, is het raadzaam om kinderzitjes zo lang mogelijk tegen de rijrichting in te monteren (tot het kind minstens 3–4 jaar oud is), omdat die plaats bij een ongeval de meeste bescherming biedt. 77) 78) Om het meest geschikte kinderzitje te kiezen, moet rekening worden gehouden met het gewicht van het kind; er zijn verschillende types kinderzitjes en men dient steeds het type te kiezen dat het meest geschikt is voor het kind. Kinderen langer dan 1,50 m worden voor wat betreft beveiligingssystemen gelijkgesteld met volwassenen en moeten de standaard veiligheidsgordels dragen. In Europa vallen de eigenschappen van kinderzitjes onder de richtlijn ECE-R44, ze zijn onderverdeeld in vijf gewichtsgroepen: 144 Groep Gewichtsgroep Groep 0 tot 10 kg Groep 0+ tot 13 kg Groep Gewichtsgroep Groep 1 9-18 kg Groep 2 15-25 kg Groep 3 22-36 kg Alle beveiligingssystemen moeten de typegoedkeuring hebben, alsook een goed vastgehecht plaatje met het controleteken dat nooit niet mag worden verwijderd. In het Alfa Romeo Lineaccessoriassortiment zijn kinderzitjes voor elke gewichtsgroep opgenomen. Het gebruik van deze kinderzitjes wordt ten zeerste aanbevolen, omdat ze speciaal voor Alfa Romeo voertuigen ontworpen zijn. BELANGRIJK 77) ERNSTIG GEVAAR. Plaats NOOIT een kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel van auto's met een actieve passagiersairbag. Bij een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en zelfs de dood van de baby tot gevolg hebben. Het is raadzaam kinderen altijd in kinderzitjes op de achterbank te vervoeren: bij een ongeval biedt de achterbank de meeste bescherming. 78) Op de zonneklep is een etiket met symbolen aangebracht dat eraan herinnert dat de airbag verplicht uitgeschakeld moet worden als een naar achteren gericht kinderzitje op de voorstoel wordt gemonteerd. Neem altijd de aanwijzingen op de zonneklep aan passagierzijde in acht (zie de paragraaf “Frontairbag”). "UNIVERSEEL" KINDERZITJE MONTEREN (met de veiligheidsgordels) GROEP 0 en 0+ GROEP 1 79) 80) Kinderen met een gewicht van 9 tot 18 kg mogen in een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje vervoerd worden fig. 114. 80) Baby's tot 13 kg moeten in kinderzitjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst, zoals afgebeeld in fig. 113 waarbij het achterhoofd wordt gesteund en bij plotseling remmen de nek niet wordt belast. Het kinderzitje wordt op zijn plaats gehouden door de veiligheidsgordels van de auto, zoals getoond in fig. 113, en moet het kind beschermen met de eigen gordels. 115 GROEP 3 80) 114 A0K0129 GROEP 2 80) Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg mogen rechtstreeks de veiligheidsgordels van de auto gebruiken fig. 115. 113 A0K0014 A0K0016 Het kinderzitje is in dit geval nodig om het kind correct ten opzichte van de gordels te plaatsen, zodat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en nooit langs de nek ligt; het onderste gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik liggen. Voor kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg bestaan er geschikte beveiligingssystemen om de veiligheidsgordel correct te kunnen omleggen. fig. 116 wordt een voorbeeld gegeven van de juiste positie van het kind op de achterbank. 116 A0K0017 145 VEILIGHEID Kinderen langer dan 1,50 m kunnen de veiligheidsgordels net zoals volwassenen dragen. BELANGRIJK 79) Er zijn kinderzitjes met Isofix bevestigingen beschikbaar, waarmee ze veilig met de stoel verankerd kunnen worden zonder de veiligheidsgordels van de auto te gebruiken. Zie de paragraaf "Montage van een Isofix kinderzitje" voor montageinstructies. 80) De afbeelding dient slechts ter illustratie van de montage. Monteer het kinderzitje overeenkomstig de aanwijzingen, die bijgesloten moeten zijn. 146 GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN HET UNIVERSELE KINDERZITJE In overeenstemming met de Europese Richtlijn 2000/3/EG is de geschiktheid van elke passagiersstoel voor de montage van universele kinderzitjes in de volgende tabel weergegeven: Gewichtsgroep Passagiersstoel voor Achterstoelen (zijkant en midden) Groep 0, 0+ tot 13 kg U (*) U Groep 1 9-18 kg U (*) U Groep 2 15-25 kg U (*) U Groep 3 22-36 kg U (*) U Groep U (*)Met in hoogte verstelbare stoel, breng de rugleuning in een verticale stand. U= Geschikt voor "Universele" kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44-norm voor de aangegeven "Groepen". 147 VEILIGHEID INBOUWVOOR BEREIDING UNIVERSEEL "ISOFIX" KINDERZITJE De auto is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten, een nieuwe standaard die het monteren van een kinderzitje snel, eenvoudig en veilig maakt. 118 ❒ bevestig de bovenste riem (bij het kinderzitje geleverd) aan de speciale bevestigingen C fig. 119 op de achterkant van de rugleuning. Isofix systemen en conventionele kinderzitjes kunnen in dezelfde auto op verschillende stoelen worden gemonteerd. fig. 117 Toont een voorbeeld van een Universeel Isofix kinderzitje voor 81) gewichtsgroep 1. Voor andere gewichtsgroepen zijn specifieke Isofix-kinderzitjes voorzien; deze kunnen alleen gebruikt worden als ze speciaal voor deze auto getest zijn (zie overzicht auto’s met bijbehorend kinderzitje). BELANGRIJK De zitplaats midden op de achterbank is ongeschikt voor gebruik van alle types Isofix kinderzitjes. 148 A0K0510 117 A0K0018 MONTAGE UNIVERSEEL ISOFIX KINDERZITJE Ga als volgt te werk: ❒ maak het kinderzitje vast met de speciale onderste metalen ringen B fig. 118 op de achterkant van de rugleuning van de achterbank (til scharnier A op om toegang te krijgen tot de ringen). 119 A0K0511 Een Universeel Isofix-kinderzitje kan naast een conventioneel kinderzitje worden gemonteerd. Onthoud dat in het geval van Isofix Universeelkinderzitjes, alleen die zitjes gebruikt mogen worden die typegoedgekeurd zijn met het opschrift ECE R44 (R44/03 of hoger) “Universeel Isofix". In het Alfa Romeo Lineaccessoriassortiment is een “Universeel Isofix” “Duo Plus”-kinderzitje en het speciale "G 0/1 S" zitje beschikbaar. Zie het betreffende instructieboekje voor meer informatie over de montage en/of het gebruik van het kinderzitje. 82) 83) 84) 149 VEILIGHEID GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR GEBRUIK VAN HET ISOFIX UNIVERSEEL KINDERZITJE In de onderstaande tabel worden, conform de Europese regelgeving ECE 16, de verschillende mogelijkheden weergegeven van de montage van Universeel Isofix kinderzitjes op de stoelen die zijn uitgerust met Isofix-beugels. Gewichtsgroep Positie kinderzitje Klasse Isofix maat Achterstoelen aan zijkanten Groep 0 tot 10 kg Tegen rijrichting in E IL (*) Tegen rijrichting in E IL (*) Tegen rijrichting in D IL (*) Tegen rijrichting in C IL (*) Tegen rijrichting in D IL (*) Tegen rijrichting in C IL (*) In de rijrichting B IUF In de rijrichting BI IUF In de rijrichting A IUF Groep 0+ tot 13 kg Groep 1 van 9 tot 18 kg IL geschikt voor ISOFIX kinderzitjes van de categorieën voor "specifieke voertuigen", "beperkt" of "semi-universeel". (*) het Isofix kinderzitje kan worden gemonteerd door de voorstoel te verstellen IUF: geschikt voor Isofix kinderzitjes uit de universele klasse (met derde bevestigingspunt boven) die in de rijrichting bevestigd moeten worden en die goedgekeurd zijn voor het gebruik voor de specifieke gewichtsgroep. 150 Belangrijke aanbevelingen voor het veilig vervoeren van kinderen ❒ Monteer kinderzitjes altijd op de achterbank, omdat die plaats bij een ongeval de meeste bescherming biedt. ❒ Elk tegenhoudsysteem is bedoeld voor slechts één kind: vervoer nooit twee kinderen in een zitje. ❒ Houd kinderen zo lang mogelijk in kinderzitjes tegen de rijrichting in, tot ze 2 jaar zijn. ❒ Controleer tijdens het rijden dat het kind geen verkeerde houding aanneemt of de gordels losmaakt. ❒ Indien een kinderzitje tegen de rijrichting in op de achterbank is gemonteerd, dan is het raadzaam om het kinderzitje zo dicht mogelijk tegen de voorstoel aan te monteren. ❒ Laat een kind nooit de het diagonale gordelgedeelte onder zijn arm of achter zijn rug omleggen. ❒ Als de voorste passagiersairbag buiten werking is gesteld, controleer op de sierlijst dan of het lampje boven de achteruitkijkspiegel vast brandt om er zeker van te zijn dat deze airbag daadwerkelijk is uitgeschakeld. ❒ Neem de aanwijzingen die de producent verplicht bij het kinderzitje moet leveren zorgvuldig in acht. Bewaar deze aanwijzingen samen met de overige documenten en dit instructieboekje in de auto. Gebruik geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen ontbreken. ❒ Controleer altijd of de gordel niet langs de hals van het kind loopt. ❒ Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door eraan te trekken. ❒ Vervoer kinderen nooit op schoot, ook geen pasgeborenen. Niemand is in staat om een kind vast te houden bij een ongeval. ❒ Na een ongeval moet het kinderzitje door een nieuw exemplaar worden vervangen. 82) Als een Universeel ISOFIX kinderzitje niet aan alle drie de verankeringspunten is vastgemaakt, zal het kinderzitje het kind niet goed kunnen beschermen. In geval van een aanrijding zou het kind ernstig gewond kunnen raken of zelfs kunnen overlijden. 83) Monteer het kinderzitje alleen bij stilstaande auto. Het kinderzitje is op de juiste wijze aan de beugels bevestigd als de vergrendeling hoorbaar vastklikt. De instructies voor montage, demontage en plaatsing moeten in elk geval worden opgevolgd. De fabrikant van het kinderzitje is verplicht deze instructies bij het kinderzitje te leveren. 84) Monteer het kinderzitje overeenkomstig de aanwijzingen, die bijgesloten moeten zijn. BELANGRIJK 81) De afbeelding dient slechts ter illustratie van de montage. Monteer het kinderzitje overeenkomstig de aanwijzingen, die bijgesloten moeten zijn. 151 VEILIGHEID FRONTAIRBAGS “SMART BAG” SYSTEEM (MEERTRAPS FRONTAIRBAGS) De auto is uitgerust met meertraps frontairbags (“Smart bags”) voor de bestuurder en de passagier. De frontairbags (bestuurder en passagier) beschermen de inzittenden voorin bij middelzware en zware frontale botsingen, door de airbag tussen de inzittende en het stuurwiel of het dashboard op te blazen. Als de airbags niet worden opgeblazen bij andere soorten botsingen (botsingen opzij, achterop, over de kop slaan enz.), betekent dit niet dat het systeem slecht functioneert. Airbags zijn geen vervanging voor maar een aanvulling op de veiligheidsgordels, die u altijd moet dragen. Bij een botsing worden degenen die geen veiligheidsgordel dragen naar voren geworpen en kunnen zo in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is. Onder deze omstandigheden wordt de inzittende minder door de airbag beschermd. 85) 86) 88) 152 In de volgende omstandigheden kan het voorkomen dat de frontairbags niet worden opgeblazen: ❒ frontale botsingen tegen makkelijk vervormbare onderdelen, die niet het front van de auto zijn (bijv. spatbord tegen de vangrail, etc. ) ❒ de auto schuift onder andere voertuigen of veiligheidsbarrières (bijvoorbeeld onder vrachtwagens of vangrails); in deze situaties bieden ze geen aanvullende bescherming ten opzichte van de veiligheidsgordels, zodat hun activering geen zin heeft. In deze gevallen wijst de uitgebleven activering dus niet op een storing van het systeem. 120 A0K0364 FRONTAIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen dat in een speciale ruimte in het dashboard is opgeborgen fig. 121: deze airbag heeft een groter volume dan de bestuurdersairbag. 87) FRONTAIRBAG BESTUURDERSZIJDE Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen dat in een speciale ruimte in het midden van het stuurwiel is geplaatst fig. 120. 121 A0K0135 FRONTAIRBAG PASSAGIER EN KINDERZITJES 89) Neem ALTIJD de aanwijzingen vermeld op het etiket op de zonneklep aan passagierszijde in acht. Uitschakeling airbags aan passagierszijde: frontairbag en zijairbag ter bescherming van bekken, borst en schouders (zijairbag) 122 A0K0660 Als een kind in een kinderzitje dat achterstevoren op de voorstoel is geplaatst vervoerd moet worden, schakel dan de frontairbag en zijairbag voor bescherming van bekken, borst en schouders aan passagierszijde (zijairbag) uit. Als de airbags uitgeschakeld zijn, gaat branden in de er een lampje bekleding boven de achteruitkijkspiegel fig. 122. 153 VEILIGHEID FRONTAIRBAG PASSAGIER EN KINDERZITJES: WAARSCHUWING 123 154 A0K0801 BELANGRIJK 85) Breng geen stickers of andere voorwerpen op het stuurwiel, op het dashboard in de zone van de passagiersairbag, op de zijkant van de dakbekleding en op de stoelen aan. Plaats nooit voorwerpen (bijv. mobiele telefoons) op het dashboard aan passagierszijde, omdat deze het correct openen van de airbag kunnen hinderen en tevens de inzittenden ernstig kunnen verwonden. 86) Rijd altijd met de handen op de stuurwielrand zodat de airbag indien nodig ongehinderd opgeblazen kan worden. Rijd niet met voorover gebogen lichaam. Ga goed rechtop zitten en steun tegen de rugleuning. 87) Plaats NOOIT een kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel van auto's met een actieve passagiersairbag. Bij een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en zelfs de dood van het kind tot gevolg hebben. Daarom moet de passagiersairbag altijd uitgeschakeld worden als een kinderzitje tegen de rijrichting in gemonteerd wordt op de voorste passagiersstoel. Bovendien moet de voorste passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard. Schakel de passagiersairbag onmiddellijk weer in als het kinderzitje is verwijderd. 88) Raadpleeg voor het uitschakelen van deze airbags de paragraaf “Menuopties” in het hoofdstuk “Kennismaking met de auto”. 89) Plaats NOOIT een kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel van auto's met een actieve passagiersairbag. Bij een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en zelfs de dood van het kind tot gevolg hebben. 155 VEILIGHEID ZIJAIRBAGS (ZIJAIRBAG HOOFDAIRBAG) Om de bescherming van de inzittenden in geval van flankbotsingen te verbeteren, is de auto uitgerust met zijairbags die borst en schouders van bestuurder en voorpassagier beschermen en hoofdairbags die het hoofd van de inzittenden voor- en achterin beschermen (gordijnairbags). Als de zijairbags niet worden opgeblazen bij andere soorten aanrijdingen (frontale botsingen, kop-staartaanrijdingen, over de kop slaan enz.), betekent dit niet dat het systeem slecht functioneert. 125 124 Bij lichte frontale botsingen (waarbij de bescherming van de omgelegde gordel volstaat) worden de airbags niet opgeblazen. Om die reden moeten veiligheidsgordels steeds worden omgelegd. A0K0629 ZIJAIRBAGS VOORIN (ZIJAIRBAGS) HOOFDAIRBAGS (WINDOW BAGS) Deze bestaan uit twee soorten kussens die zich in de rugleuning van de voorstoelen bevinden fig. 124 en die het bekken, de borst en schouders van de inzittenden bij middelzware zijdelingse botsingen beschermen. De twee gordijnairbags zitten achter de dakbekleding aan de zijkanten en zijn afgedekt met speciale afwerkingselementen fig. 125. Dit type airbag is ontworpen om het hoofd van de inzittenden voorin en achterin te beschermen bij flankbotsingen, dankzij het grote oppervlak dat in opgeblazen toestand wordt beslagen. Bij lichte flankbotsingen is het opblazen van de hoofdairbags niet vereist. 156 A0K0035 Het systeem biedt de beste bescherming bij een zijdelingse botsing als de passagier correct op zijn stoel zit, zodat de hoofdairbag zo goed mogelijk opgeblazen kan worden. BELANGRIJK Reinig de stoelen niet met water of stoom onder druk (met de hand of in een automatisch wasapparaat). De front- en/of zijairbags kunnen in werking treden bij heftige botsingen tegen de onderkant van de auto (bijv. botsing met treden, trottoirbanden, kuilen of verkeersdrempels, enz.). Als de airbag geactiveerd wordt, ontsnapt een kleine hoeveelheid poeder: dit poeder is niet schadelijk en duidt niet op het begin van een brand. Dit poeder kan echter de huid en ogen irriteren: was ze in dit geval met neutrale zeep en water. De controle, reparatie en vervanging van de airbags moeten door het Alfa Romeo Servicenetwerk worden uitgevoerd. Als de auto wordt gesloopt, moet het airbagsysteem onbruikbaar gemaakt worden door het Alfa Romeo Servicenetwerk. Gordelspanners en airbags worden op verschillende manieren geactiveerd, afhankelijk van het type botsing. Als een of meerdere van deze voorzieningen niet in werking treden, dan duidt dat niet op een storing in het systeem. 90) 91) 92) 93) 94) 95) 96) 97) 98) 99) BELANGRIJK 90) Hang geen harde voorwerpen aan de kledinghaken of de steunhandgrepen. 91) Steun niet met het hoofd, de armen of de ellebogen tegen het portier, de ruiten of in het gebied van de hoofdairbag om mogelijke verwondingen tijdens het opblazen te voorkomen. 94) Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst en houd niets in de mond (pijp, pen, etc.). Het opblazen van een airbag na een botsing kan ernstige schade/letsel veroorzaken. 95) Laat bij diefstal of poging tot diefstal, vandalisme of overstromingen het airbagsysteem door het Alfa Romeo Servicenetwerk controleren. 92) Steek nooit het hoofd, de armen of ellebogen uit het raam. 93) Als de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en het lampje gaat niet branden of blijft tijdens het rijden branden (bij sommige versies samen met een bericht op het display), dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen. In dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, op verkeerde wijze geactiveerd worden. Laat het systeem onmiddellijk controleren door het Alfa Romeo Servicenetwerk alvorens verder te rijden. 157 VEILIGHEID 158 96) Als de contactsleutel in de stand MAR staat en de motor is afgezet, kunnen de airbags ook geactiveerd worden als de auto door een andere auto wordt aangereden. Daarom mag, wanneer de passagiersairbag is ingeschakeld, en ook al staat de auto stil, GEEN tegen de rijrichting in gemonteerd kinderzitje op de voorstoel gemonteerd worden. Als bij een botsing de airbag wordt opgeblazen, kan dit leiden tot ernstig letsel en zelfs tot de dood van het kind. Daarom moet de passagiersairbag altijd uitgeschakeld worden als een kinderzitje tegen de rijrichting in gemonteerd wordt op de voorste passagiersstoel. Bovendien moet de voorste passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard. Schakel de passagiersairbag onmiddellijk weer in als het kinderzitje is verwijderd. Onthoud tevens dat als de sleutel in de stand STOP staat, bij een ongeval geen enkel veiligheidssysteem (airbags of gordelspanners) geactiveerd wordt. n deze gevallen duidt de uitgebleven activering niet op een storing van het systeem. 97) Wanneer de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, gaat het controlelampje (bij ingeschakelde frontairbag aan passagierszijde) branden en enkele seconden knipperen, om eraan te herinneren dat de passagiersairbag bij een botsing geactiveerd zal worden. Vervolgens dooft het lampje. 98) De frontairbag heeft een hogere activeringsdrempel dan die van de gordelspanners. Bij botsingen die tussen deze twee drempelwaarden liggen, treden alleen de gordelspanners in werking. 99) De airbag vervangt niet de veiligheidsgordels, maar verhoogt hun doeltreffendheid. Omdat de frontairbags niet worden geactiveerd bij frontale botsingen bij lage snelheden, zijdelingse botsingen, botsingen achterop en over de kop slaan, worden in deze gevallen de inzittenden uitsluitend door de zijairbags en de veiligheidsgordels beschermd, die dus altijd gedragen moeten worden. STARTEN EN RIJDEN Laten we eens kijken naar het "hart" van de auto: dan kunt u zien hoe u het potentieel van de auto optimaal kunt benutten. We zullen u laten zien hoe u de auto in elke situatie kunt besturen, zodat de auto een echte "maatje" voor u kan zijn, waarbij het comfort en de portefeuille niet vergeten worden. DE MOTOR STARTEN ...................160 PARKEREN .....................................161 GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGSBAK ......................162 ALFA TCT .......................................163 BRANDSTOFBESPARING...............172 TREKKEN VAN AANHANGERS.......173 WINTERBANDEN............................174 SNEEUWKETTINGEN .....................175 DE AUTO LANGDURIG STALLEN ...176 159 STARTEN EN RIJDEN DE MOTOR STARTEN STARTPROCEDURE VOOR BENZINEVERSIES Ga als volgt te werk: ❒ trek de handrem aan en zet de versnellingspook in de vrijstand; ❒ trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal aan te raken; ❒ draai de contactsleutel naar AVV en laat deze los zodra de motor start. BELANGRIJKE INFORMATIE 100) 101) 102) ❒ Als, met de contactsleutel in de stand MAR, het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel (of het symbool op het display) samen met het waarschuwingslampje blijft branden, draai dan de sleutel naar STOP en weer terug naar MAR. Als het waarschuwingslampje (of het symbool op het display) blijft branden, probeer dan met de andere sleutels die bij de auto zijn geleverd. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk als de motor nog steeds niet gestart kan worden. ❒ Laat de contactsleutel nooit in de MAR stand bij afgezette motor. 16) 17) 18) ❒ Als de motor niet bij de eerste poging start, draai dan de contactsleutel naar de stand STOP alvorens de procedure te herhalen. STARTPROCEDURE VOOR DIESELVERSIES Ga als volgt te werk: 19) ❒ trek de handrem aan en zet de versnellingspook in de vrijstand; ❒ draai de contactsleutel naar MAR: de en waarschuwingslampjes op het instrumentenpaneel gaan branden (voor bepaalde versies/ markten); ❒ wacht tot de waarschuwingslampjes doven; ❒ trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal aan te raken; 160 ❒ draai de contactsleutel naar AVV zodra het waarschuwingslampje dooft. Als te lang wordt gewacht, is het werk van de voorgloeibougies tevergeefs. Laat de sleutel los zodra de motor start. DE GESTARTE MOTOR OPWARMEN Ga als volgt te werk: ❒ rijd langzaam weg en laat de motor bij gemiddelde toerentallen draaien zonder bruusk te accelereren; ❒ verlang in het begin geen maximale prestaties. Wacht tot de wijzer van de koelvloeistoftemperatuurmeter begint te bewegen. DE MOTOR UITZETTEN Draai de contactsleutel naar de stand STOP terwijl de motor stationair draait. BELANGRIJK Voordat de motor na een zware rit wordt uitgezet, moet men hem even stationair laten draaien. Hierdoor kan de temperatuur in de motorruimte dalen. PARKEREN Verwijder altijd de contactsleutel als de auto wordt verlaten. BELANGRIJK BELANGRIJK 100) Het is gevaarlijk om de motor in afgesloten ruimten te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert kooldioxide, koolmonoxide en andere giftige gassen. 16) Tijdens de eerste gebruiksperiode adviseren wij om overmatige belasting van de auto te voorkomen (bijvoorbeeld hard accelereren, lang rijden met de maximumsnelheid, abrupt remmen, enz.). 101) De rembekrachtiging werkt niet zolang de motor niet is gestart; om die reden is meer kracht dan normaal benodigd voor de bediening van het rempedaal. 102) Probeer de motor nooit te starten door de auto te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Hierdoor kan de katalysator worden beschadigd. 17) Laat bij afgezette motor de sleutel in het contactslot niet op MAR staan, om te voorkomen dat de accu leeg raakt. Ga bij het parkeren en verlaten van de auto als volgt te werk: ❒ schakel een versnelling in (1e versnelling als op een helling omhoog wordt geparkeerd en achteruit bij een helling omlaag) en zet de wielen iets gedraaid; ❒ zet de motor af en trek de handrem aan. Als de auto op een steile helling wordt geparkeerd, blokkeer de wielen dan met wiggen of stenen. 18) Even snel gas geven voordat de motor wordt uitgezet heeft geen enkel nut, verspilt brandstof en is, vooral voor motoren met turbocompressor, schadelijk. Bij versies uitgerust met ALFA TCT transmissie: wacht tot de letter P wordt weergegeven, voordat het rempedaal wordt losgelaten. 19) Als het waarschuwingslampje na het starten of tijdens langdurig "aanzwengelen" 1 minuut knippert, duidt dit op een defect van de voorgloeibougies. Als de motor start kan de auto zoals gewoonlijk gebruikt worden, maar moet zo snel mogelijk contact worden opgenomen met het Alfa Romeo Servicenetwerk. BELANGRIJK Laat de auto NOOIT met de versnellingsbak in de vrijstand (of, bij versies met Alfa TCT transmissie, zonder eerst de keuzehendel op P te hebben geplaatst). 161 STARTEN EN RIJDEN HANDREM Trek, om de handrem in te schakelen, de hendel A fig. 126 omhoog totdat de auto is geblokkeerd. Bij aangetrokken handrem en contactsleutel in de stand MAR, gaat op het waarschuwingslampje het instrumentenpaneel branden. Trek, om de handrem los te zetten, hendel A iets omhoog, druk knop B in en laat de hendel zakken: het lampje op het instrumentenpaneel dooft. 103) 104) 126 A0K0615 BELANGRIJK Tijdens deze handelingen moet het rempedaal ingetrapt blijven. 162 BELANGRIJK Bij auto's met een armsteun voor, moet deze armsteun worden opgetild om te voorkomen dat deze de werking van de hendel in de weg zit. GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGSBAK Trap, om de versnellingen in te schakelen, het koppelingspedaal volledig in en plaats de versnellingspook in de gewenste stand (het schakelschema is aangegeven 105)). op de pookknop BELANGRIJK 103) Laat kinderen nooit zonder toezicht in de auto achter. Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als de auto wordt verlaten en neem de sleutel mee. 104) De auto moet geblokkeerd worden na enkele klikken van de handrem; indien niet, neem dan contact op met het Alfa Servicenetwerk om hem te laten afstellen. Parkeer de auto altijd op veilige wijze, zoals aangegeven in de wegenverkeerswetgeving en zoals hierboven beschreven. 127 A0K0616 Om de 6e versnelling in te schakelen, de pook naar rechts duwen om te voorkomen dat per ongeluk de 4e versnelling wordt ingeschakeld. Hetzelfde geldt voor het schakelen van 20) de 6e naar de 5e versnelling. Til, om vanuit de vrijstand de achteruitversnelling (R) in te schakelen de ring A fig. 127 op en verplaats tegelijkertijd de pook naar links en vervolgens naar voren. BELANGRIJK De achteruit kan uitsluitend bij stilstaande auto worden ingeschakeld. ALFA TCT (voor bepaalde versies/markten) IN HET KORT BELANGRIJK 105) Trap het koppelingspedaal helemaal in om op juiste wijze te schakelen. Het is daarom van fundamenteel belang dat er niets onder het pedaal ligt: let erop dat de matten vlak liggen en dat ze de slag van de pedalen niet hinderen. BELANGRIJK 20) Rijd niet met de hand op de pookknop doordat de uitgeoefende druk, hoe licht ook, na verloop van tijd slijtage van de interne onderdelen van de versnellingsbak kan veroorzaken. De auto kan uitgerust zijn met een elektronisch geregelde automatische Alfa TCT 6-versnellingsbak die automatisch de versnellingen inschakelt op basis van de momentane gebruiksparameters van de auto (rijsnelheid, weghelling en stand gaspedaal). 128 - Versies met stuur links A0K0617 129 - Versies met stuur rechts A0K0618 De nieuwe versnellingsbak is een absolute innovatie aangezien het Start&Stop systeem gecombineerd wordt met het nieuwste alternatief voor traditionele automaten met ingebouwde koppelomvormer. Er kan nog steeds handmatig geschakeld worden dankzij de sequentiële stand van de keuzehendel. ❒ R = Achteruitversnelling ❒ N = Vrijstand ❒ D = Drive, (automatische vooruitversneling) KEUZEHENDEL De hendel fig. 128 (versies met stuur links) of fig. 129 (versies met stuur rechts) kan in de volgende standen worden geplaatst: ❒ P = Parkeren ❒ + = Sequentieel opschakelen ❒ − = Sequentieel terugschakelen Als de hendel in sequentiële modus gebruikt wordt en verplaatst wordt van D naar links, zijn de standen naar + of – instabiel. 163 STARTEN EN RIJDEN De hendel is voorzien van een knop A, die ingedrukt moet worden om de hendel van P naar R te verplaatsen. De contactsleutel kan alleen verwijderd worden als de hendel in stand P staat. Het verplaatsen van de hendel van P naar D mag alleen gebeuren bij stilstaande auto en stationair draaiende motor. DISPLAY Op het display kan het volgende worden weergeven: ❒ in automatische rijmodus, de gekozen versnelling (P, R, N, D). Met de hendel in de stand D (Drive), toont het display D en de ingeschakelde versnelling (bijv. D3 zie fig. 130). ❒ in sequentiële rijmodus, de handmatige inschakeling van een (lagere of hogere) versnelling, met het betreffende nummer fig. 131; 131 A0K1541 STANDEN VAN DE HENDEL Parkeren (P) Stand P komt overeen met de vrijstand van de versnellingsbak en blokkeert de aandrijfwielen mechanisch. Het verplaatsen van de keuzehendel van stand P naar elke andere stand, met de contactsleutel in de stand MAR, mag alleen gebeuren met ingetrapt rempedaal en met behulp van de knop op de keuzehendel (zie paragraaf "Keuzehendel"). Als de accu leeg is moet u, om de hendel te ontgrendelen, de manchet verwijderen en hendel A bedienen fig. 132. Deze mag alleen ingeschakeld worden als de auto stil staat en de handrem moet, indien nodig, worden aangetrokken. 130 A0K1540 Als, met de contactsleutel op MAR of draaiende motor, of wanneer de motor wordt afgezet, de keuzehendel niet juist in P is gezet, gaat de sierlijst van de keuzehendel ter hoogte van de letter P knipperen. Plaats in dit geval de handel correct in 21) de stand P. 164 132 A0K0619 BELANGRIJK Verlaat de auto NOOIT voordat de versnellingspook in P is gezet. Achteruitversnelling (R) Drive (D) - Automatische vooruitversnelling De overgang van D naar de Sequentiële Modus is vrij. Dit is de stand van de keuzehendel onder normale rijomstandigheden. De overgang van de Sequentiële Modus naar D is vrij. De overgang van D naar N is vrij, terwijl voor de overgang van D naar R of P op de knop op de keuzehendel gedrukt moet worden. De overgang van D naar N is vrij. Vrijstand (N) Sequentiële modus (+/-) Deze komt overeen met de vrijstand van een standaard handgeschakelde versnellingsbak. De motor kan gestart worden als de hendel in stand N staat. Als de hendel van stand D opzij gezet wordt in stabiele stand, wordt de versnellingsbak in sequentiële modus gebruikt. De overgang van R naar P is alleen mogelijk met de knop op de keuzehendel ingedrukt. Schakel N in als er langdurig stilgestaan wordt. Als de hendel in onstabiele stand (+ of −) wordt gezet, wordt er geschakeld. De motor kan niet gestart worden als de hendel in stand R staat. De overgang van R naar N of D is vrij, terwijl voor de overgang van R naar P op de knop op de keuzehendel gedrukt moet worden terwijl de motor 22) stationair draait. Neem, om de hendel uit stand N te verplaatsen, de voet van het gaspedaal af en controleer of de motor stationair draait. De overgang van N naar D is vrij, terwijl schakelen van N naar R of P alleen mogelijk is met de knop op de versnellingspook. Belangrijke informatie BELANGRIJK Alle verplaatsingen van de keuzehendel mogen alleen gebeuren bij stilstaande auto en stationair draaiende motor. De aandrijfwielen worden mechanisch geblokkeerd in stand P. De overgang van P naar R is mogelijk met ingetrapt rempedaal en knop op de keuzehendel ingedrukt. De overgang van R naar N en van N naar D is vrij. De overgang van N naar R is mogelijk met de knop op de keuzehendel ingedrukt. DE MOTOR STARTEN Het starten van de motor is alleen toegestaan met de keuzehendel in stand P of N (met of zonder ingetrapt rempedaal). Bij het starten is het systeem ingesteld op N of P (deze laatste komt overeen met de vrijstand, maar met de wielen mechanisch geblokkeerd). Start&Stop systeem Bij stilstaande auto en ingeschakeld Start&Stop systeem, wordt de motor uitgeschakeld als de keuzehendel in een andere stand dan R staat. Het Start&Stop systeem werkt niet als de keuzehendel in R staat, om parkeermanoeuvres makkelijker te maken. 165 STARTEN EN RIJDEN Als de auto heuvelopwaarts tot stilstand wordt gebracht, dan wordt het uitschakelen van de motor verhindert om de "Hill Holder" functie beschikbaar te houden (die alleen bij draaiende motor werkt). De motor wordt automatisch herstart wanneer: ❒ het rempedaal wordt losgelaten (en de hendel niet in N of P staat) ❒ de hendel verplaatst wordt naar een onstabiele stand: +, – of R ❒ de hendel van D naar links in de "sequentiële modus" verplaatst wordt ❒ bij bediening van de "+" of "–" schakelpeddels op het stuurwiel (voor bepaalde versies/markten) Tijdens het uit- en inschakelen van de motor wordt automatisch de vrijstand ingeschakeld door het systeem en toont het display de letter N. BELANGRIJK Onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld op lichte hellingen en rempedaal niet volledig ingetrapt), wordt het afzetten van de motor niet uitgeschakeld. Trap in dergelijke gevallen het rempedaal volledig in om de “Hill Holder” functie beschikbaar te stellen en het herstarten van de motor toe te staan, en bedien hierbij de keuzehendel of de schakelpeddels op het stuurwiel (voor bepaalde versies/markten), zoals eerder beschreven. DE MOTOR AFZETTEN De motor kan bij elke willekeurige stand van de keuzehendel worden afgezet. Versies met Start&Stop systeem Om de motor af te zetten, moet de auto tot stilstand worden gebracht door het rempedaal goed in te trappen; bij onvoldoende druk op het rempedaal zal de motor niet afgezet worden. Dit kenmerk kan benut worden om te voorkomen dat de motor afslaat in bepaalde verkeerssituaties. 166 Contactsleutel verwijderen De contactsleutel kan alleen verwijderd worden als de hendel in stand P staat: ❒ als de motor wordt uitgeschakeld met de keuzehendel in stand P, kan de contactsleutel binnen 30 seconden verwijderd worden; ❒ als de motor wordt uitgeschakeld met de keuzehendel in een andere stand dan P, knippert de letter P 5 seconden op het display en op de sierlijst van de keuzehendel en klinkt tegelijkertijd een geluidssignaal. Plaats de hendel binnen 5 seconden in stand P; dan kan de contactsleutel binnen 30 seconden verwijderd worden. In beide gevallen wordt de contactsleutel automatisch geblokkeerd als de beschreven tijden en voorwaarden niet in acht worden genomen. Draai de contactsleutel naar MAR en vervolgens naar STOP om hem te verwijderen. WAARSCHUWING Als de accu leeg is en de contactsleutel is ingebracht, dan blijft deze in het contactslot geblokkeerd. Trek, om de sleutel handmatig te verwijderen, de handrem aan en steek de bijgeleverde schroevendraaier in het gat onder het dashboard A fig. 133 en oefen hierop een lichte druk uit, totdat de contactsleutel verwijderd is. Wanneer het rempedaal wordt losgelaten, beweegt de auto voor- of achteruit zodra de manoeuvre is ingeschakeld ("creeping" effect). In dit geval hoeft het gaspedaal niet ingedrukt te worden. BELANGRIJK Als de ingeschakelde versnelling (weergegeven op het display) niet overeenstemt met de stand van de keuzehendel, wordt dit gemeld door het knipperen van de betreffende letter op de sierlijst van versnellingsbak (er wordt ook een geluidsignaal afgegeven). Deze toestand moet niet beschouwd worden als een werkingsfout, maar eenvoudigweg als een verzoek van het systeem om de manoeuvre te herhalen. 133 A0K0254 WEGRIJDEN MET DE AUTO Trap, om weg te rijden met de auto, vanuit P het rempedaal in, en druk op de knop op de keuzehendel om deze in de gewenste stand (D, R of sequentieel) te plaatsen. Op het display verschijnt de ingeschakelde versnelling. BELANGRIJK Bij stationair draaiende motor en in sequentiële modus wordt het schakelverzoek voor de 2e versnelling niet door het systeem aanvaard (ongeacht of het rempedaal al dan niet wordt ingetrapt). Als zich, bij ingeschakelde 1e versnelling of de achteruit (R), de volgende omstandigheden voordoen: ❒ hellingsgraad van de weg meer dan 5%; ❒ koppeling oververhit; ❒ motorkoppel gedurende bepaalde tijd constant (bijvoorbeeld als de auto tegen een trottoir aanrijdt of op een helling naar boven/beneden geparkeerd wordt); kan de auto in beweging worden gezet door het gaspedaal in te trappen. BELANGRIJK Wees uiterst voorzichtig bij niet aangetrokken handrem en losgelaten rempedaal, stationair draaiende motor en de keuzehendel in de stand D, R of sequentieel, want de auto kan ook voortbewegen zonder dat het gaspedaal wordt bediend. Deze toestand kan worden benut met de auto op een vlakke ondergrond tijdens scherpe parkeermanoeuvres waarbij alleen het rempedaal wordt gebruikt. AUTOMATISCHE RIJMODUS De stand D kan vanuit sequentiële bediening onder alle rijomstandigheden geselecteerd worden. In de automatische rijmodus kiest de elektronische transmissieregeleenheid de beste overbrengingsverhouding op basis van snelheid, motorbelasting (stand gaspedaal) en hellingsgraad van de weg. 167 STARTEN EN RIJDEN "Kick Down" functie Om weer snel snelheid te kunnen maken, schakelt het regelsysteem van de versnellingsbak, als het gaspedaal volledig wordt ingetrapt, naar een lagere versnelling (kick-downfunctie). BELANGRIJK Bij het rijden over wegen met weinig grip (sneeuw, ijs, enz.) wordt geadviseerd de kick-down functie niet te gebruiken. Integratie met "Alfa DNA" systeem Met het "Alfa DNA" systeem fig. 134 kunnen drie verschillende rijmodi geselecteerd worden: ❒ “Natural”: er wordt bij lage toerentallen geschakeld. Dit legt het accent op comfort en verlaagt het verbruik; ❒ "All Weather": rijprogramma voor wegen met weinig grip (bijv. sneeuw, ijs, modder, enz.). Schakeladvies Als men bij versnellingsbak in de automatische modus (keuzehendel in stand D), wil schakelen met de schakelpeddels op het stuurwiel (voor bepaalde versies/markten), schakelt het systeem over naar de "sequentiële modus", met bijbehorende weergave van de ingeschakelde versnelling gedurende ongeveer 5 seconden. Als na deze tijd de schakelpeddels niet meer bediend worden, keert het systeem terug naar de automatische modus (D) (met betreffende weergave op het display). SEQUENTIËLE RIJMODUS 134 A0K0612 ❒ “Dynamic”: er wordt bij hogere toerentallen geschakeld. Dit legt het accent op een sportieve rijstijl; 168 In de sequentiële rijmodus werkt de versnellingsbak als een handgeschakelde bak. Schakelen met de keuzehendel Verplaats de hendel vanuit stand D opzij (naar links) in de sequentiële stand: ❒ hendel naar "+": inschakeling hogere versnelling; ❒ hendel naar "−": inschakeling lagere versnelling. De correcte stand van de hendel in de sequentiële modus wordt aangegeven door het oplichten van de symbolen "+" en "−" en het doven van symbool D op het display (op het display wordt alleen de ingeschakelde versnelling getoond). Schakelen met de schakelpeddels op het stuurwiel (voor bepaalde versies/markten) Bij sommige versies kan worden geschakeld met de schakelpeddels op 106) het stuurwiel fig. 135. Om de schakelpeddels op het stuurwiel te gebruiken, moet de keuzehendel in de sequentiële stand of stand D staan: ❒ schakelpeddel "+" (door de peddel naar de bestuurder te trekken fig. 136): inschakelen van hogere versnelling; ❒ laat het rempedaal los: op deze manier wordt een "briljantere" start van de auto verkregen. 135 A0K0266 ❒ schakelpeddel "-" (door de peddel naar de bestuurder te trekken fig. 136): inschakelen van lagere versnelling; 136 A0K0269 De inschakeling van een lagere of hogere versnelling gebeurt alleen als het motortoerental dit toestaat. 137 A0K0271 Wanneer het rempedaal wordt losgelaten, start de auto met maximale acceleratie. Ondanks de "sequentiële modus" zal de auto zelfstandig schakelen om maximale acceleratie te garanderen, zodra de juiste schakelsnelheid is bereikt. 108) Als de auto wordt gestopt in een hogere versnelling dan de 1e, schakelt de versnellingsbak automatisch de 1e versnelling in. Onderbreek bovenstaande volgorde van handelingen of laat het gaspedaal los om deze strategie te verlaten. "Launch Control" functie GELUIDSSIGNAAL De "Launch Control" strategie staat starten met hoge prestaties toe. Ga als volgt te werk om deze functie bij stilstaande auto in te schakelen: ❒ schakel op het "Alfa DNA" systeem de "Dynamic" rijmodus in; ❒ trap met de linkervoet het rempedaal in en tegelijkertijd met de rechtervoet het gaspedaal volledig in; ❒ schakel met de keuzehendel of de schakelpeddel "−" (door de peddel zoals eerder beschreven naar de bestuurder te trekken): zo loopt het toerental van 2750 naar 4500 op; (1.4 Benzineversies) en van 1700 naar 2700 (2.0 JTDM versies); Om veiligheidsredenen klinkt er een geluidssignaal wanneer: ❒ het bestuurdersportier wordt geopend als de motor draait en de keuzehendel in een andere stand dan P staat; ❒ de motor wordt afgezet met de keuzehendel in een andere stand dan P. Bij stilstaande auto, draaiende motor en ingeschakelde versnelling (1e), (D) of (R) klinkt er een geluidssignaal en wordt de transmissie automatisch in de vrijstand (N) gezet wanneer: 169 STARTEN EN RIJDEN ❒ het gaspedaal en/of rempedaal gedurende 3 minuten niet wordt ingetrapt bij uitgeschakelde "creeping" (bijvoorbeeld bij aangetrokken handrem); ❒ het rempedaal langer dan 10 minuten wordt ingetrapt; ❒ het bestuurdersportier geopend wordt bij uitgeschakelde "creeping" (bijvoorbeeld bij aangetrokken handrem) zonder dat het rempedaal en/of gaspedaal wordt ingetrapt; ❒ er een storing is gedetecteerd in de versnellingsbak. BELANGRIJK De verplaatsing naar de vrijstand (N) - uitgevoerd door het systeem - brengt een toestand van tegenstrijdigheid tussen de stand van de keuzehendel en de ingeschakelde versnelling met zich mee. De manoeuvre gaat dus vergezeld van een geluidssignaal dat deze tegenstrijdigheid aangeeft. Dit geluidssignaal blijft actief totdat de keuzehendel in stand P of N wordt gezet, zodat de correcte gebruikstoestand van de versnellingsbak wordt hersteld. 170 DE AUTO PARKEREN Om veilig te parkeren moet, bij ingetrapt rempedaal, P ingeschakeld worden en als op hellend wegdek geparkeerd wordt, moet de handrem worden aangetrokken. Wacht, voordat het rempedaal wordt losgelaten, tot P op het display verschijnt. BELANGRIJK Verlaat de auto NOOIT voordat de hendel in P is gezet. SLEPEN VAN DE AUTO Controleer of de versnellingsbak in de vrijstand staat (N) (door te controleren of de auto door te duwen verplaatst kan worden) en ga vervolgens te werk zoals bij een auto met handgeschakelde versnellingsbak. BELANGRIJK Sleep de auto niet als de versnellingsbak niet in de vrijstand (N) kan worden gezet en neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Als de versnellingspook in P staat, ontgrendel hem dan alvorens de auto te slepen (zie paragraaf "Standen van de keuzehendel"). BELANGRIJKE INFORMATIE Houd het rempedaal altijd ingetrapt bij stilstaande auto en ingeschakelde versnelling, totdat wordt weggereden; laat vervolgens het rempedaal los en geef geleidelijk gas. Houd de versnellingsbak in de vrijstand (N) als de auto lang stilstaat met een draaiende motor. Om de koppeling te beschermen, mag nooit het gaspedaal worden gebruikt om de auto stil te houden (als deze bijvoorbeeld op een helling staat): de oververhitting kan namelijk de koppeling beschadigen. Gebruik in dit geval het rempedaal of de handrem en bedien het gaspedaal alleen als men gereed is om weg te rijden; Als de achteruitversnelling (R) is ingeschakeld, schakel dan alleen de 1ste versnelling in, of andersom, als de auto volledig stil staat. Ook al wordt het beslist afgeraden, als het om onvoorziene redenen nodig mocht zijn om, terwijl men een helling afrijdt, de auto met de versnellingsbak in de vrijstand (N) te zetten, zal het systeem bij een schakelverzoek automatisch de beste versnelling op basis van de voertuigsnelheid kiezen, om het motorkoppel op de juiste manier op de wielen over te brengen. 107) BELANGRIJK 106) Door onjuist gebruik van de schakelpeddels (peddels naar het dashboard geduwd, zie fig. 137) kunnen ze breken. 107) Laat nooit kinderen zonder toezicht in de auto achter. Verwijder altijd de contactsleutel als de auto wordt verlaten en neem de sleutel mee. BELANGRIJK 21) Trek, als de auto op een helling staat, altijd de handrem aan VOORDAT de keuzehendel op P wordt gezet. 108) De functie "Launch Control" is alleen beschikbaar in het Dynamic-modus. Onafhankelijk van hetgeen expliciet is aangegeven in de beschrijving van deze modi, worden de ESC- en ASR-systemen uitgeschakeld tijdens de werking van de functie "Launch Control". Dit betekent dat de dynamische controle over het voertuig altijd onder de verantwoordelijkheid van de bestuurder valt. Let daarom uiterst goed op bij het gebruiken van de Launch Control. Houd rekening met het verkeer en de conditie van het wegdek en zorg er tijdens manoeuvres voor dat er voldoende ruimte is in het betreffende gebied. 22) Schakel de achteruitversnelling uitsluitend in als de auto stil staat, de motor op stationair toerental draait en het gaspedaal volledig losgelaten is. 171 STARTEN EN RIJDEN BRANDSTOFBESPARING Imperiaal/skidrager ALGEMENE OPMERKINGEN Verwijder de imperiaal of de skidrager na gebruik. Deze accessoires reduceren de aerodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van grote voorwerpen een aanhanger, indien mogelijk. Onderhoud van de auto Stroomverbruikers Voer de controles en afstellingen uit die in het “Geprogrammeerd Onderhoudsschema“ zijn aangegeven (zie hoofdstuk "Onderhoud en zorg"). Gebruik elektrische apparatuur uitsluitend gedurende de noodzakelijke tijd. De achterruitverwarming, de verstralers, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/ verwarmingssysteem nemen veel stroom op, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot 25% in stadsverkeer). Hier volgen enkele nuttige tips om brandstof te besparen en de uitstoot van schadelijke emissies zoveel mogelijk te beperken. Banden Controleer minstens één keer per maand de bandenspanning: als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het brandstofverbruik toe. Overbodige bagage Rijd niet met een te zwaar beladen bagageruimte. Het gewicht van de auto en de gewichtsverdeling beïnvloeden in grote mate het brandstofverbruik en de stabiliteit. 172 Klimaatregelsysteem Het gebruik van de klimaatregeling doet het brandstofverbruik toenemen: gebruik bij voorkeur alleen de ventilatie als de buitentemperatuur dit toestaat. Aerodynamische accessoires Het gebruik van niet goedgekeurde aerodynamische accessoires kan de aërodynamica nadelig beïnvloeden, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. RIJSTIJL Starten Laat de motor niet warmdraaien bij stilstaande auto, noch met stationair toerental noch met een hoog toerental: zo warmt de motor veel langzamer op en nemen het verbruik en de uitstoot van uitlaatgassen toe. Het is beter om meteen rustig weg te rijden en hoge toerentallen te vermijden: op deze manier warmt de motor sneller op. Overbodige handelingen Trap het gaspedaal niet in wanneer u stilstaat voor een stoplicht of voordat de motor wordt afgezet. Deze handeling heeft evenals "doubleclutchen" geen enkel nut en verhoogt het brandstofverbruik en de vervuiling. Keuze van de versnellingen Schakel een hogere versnelling in zodra de verkeers- en wegomstandigheden dit toelaten. Snel accelereren met een lage versnelling verhoogt het brandstofverbruik. Ook het oneigenlijk gebruik van een hoge versnelling doet het verbruik en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen toenemen en veroorzaakt motorslijtage. Topsnelheid Bij een hogere snelheid neemt het brandstofverbruik fors toe. Rijd dus zoveel mogelijk met een constante snelheid, vermijd overbodig remmen en optrekken. Dit kost alleen brandstof en verhoogt tevens de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Acceleratie Bruusk optrekken kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen: geef geleidelijk aan gas zonder het maximum toerental te overschrijden. GEBRUIKSOMSTANDIG HEDEN TREKKEN VAN AANHANGERS Koude start BELANGRIJK Bij korte ritten en regelmatig koud starten kan de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur bereiken. Hierdoor neemt zowel het brandstofverbruik (van +15% tot +30% in stadsverkeer) als de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen toe. Voor het trekken van aanhangers of caravans moet het voertuig zijn voorzien van een goedgekeurde trekhaak en een geschikte elektrische installatie. De montage moet door een vakspecialist worden uitgevoerd. Verkeerssituatie en conditie van het wegdek Op drukke wegen, bijvoorbeeld bij filerijden waarbij vooral lage versnellingen worden gebruikt, of in de stad waar zich veel verkeerslichten bevinden, zal het brandstofverbruik aanmerkelijk hoger zijn. Ook bochtige trajecten over bergwegen en een slecht wegdek verhogen het brandstofverbruik. Monteer eventuele speciale en/of extra achteruitkijkspiegels conform de wegenverkeerswetgeving. Vergeet niet dat het klimvermogen van de auto door het gewicht van een aanhanger wordt gereduceerd. Ook de remweg wordt langer en er is meer tijd nodig om in te halen. Schakel een lage versnelling in bij een helling omlaag om een continu gebruik van de rem te voorkomen. Stilstaan in het verkeer Bij langdurig stilstaan (bijv. voor spoorwegovergangen) is het raadzaam de motor af te zetten. 173 STARTEN EN RIJDEN Op de trekhaak rust het gewicht van de aanhanger waardoor het laadvermogen van de auto proportioneel wordt gereduceerd. Om er zeker van te zijn dat het maximum toelaatbaar getrokken gewicht (op de typegoedkeuring vermeld) niet wordt overschreden, dient men in acht te nemen dat deze waarde betrekking heeft op het toelaatbare gewicht van een volgeladen aanhangwagen, inclusief accessoires en bagage. Neem de snelheidsbeperkingen van het land waarin u rijdt voor auto’s met aanhanger in acht. Rijd in geen geval harder dan 100 km/h. MONTAGE VAN DE TREKHAAK Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk voor de montage van 109) 110) een trekhaak. BELANGRIJK 109) Het ABS waarmee de auto is uitgerust heeft geen controle over het remsysteem van de aanhanger. Wees bijzonder voorzichtig op gladde wegen. 174 110) Probeer nooit de remwerking van de aanhanger te beïnvloeden door wijzigingen aan het remsysteem van de auto uit te voeren. Het remsysteem van de aanhanger moet volledig onafhankelijk zijn van het hydraulische systeem van de auto. WINTERBANDEN De winterbanden moeten dezelfde maat hebben als de standaard geleverde banden: het Alfa Romeo Servicenetwerk staat u bij om de meest geschikte band te kiezen. Gebruik winterbanden alleen in geval 111) van ijs of sneeuw op de wegen. Voor het type band, de bandenspanning en de specificaties van de winterbanden, de aanwijzingen gegeven in de paragraaf “Wielen” in het hoofdstuk “Technische gegevens” opvolgen. De specifieke eigenschappen van winterbanden verminderen drastisch wanneer de profieldiepte minder is dan 4 mm. Vervang in dergelijke gevallen de wielen. Door hun specifieke eigenschappen zijn de prestaties van winterbanden onder normale omstandigheden of wanneer lang op de snelweg wordt gereden, lager dan die van de standaard gemonteerde banden. Beperk het gebruik van winterbanden daarom uitsluitend tot de omstandigheden waarvoor ze zijn goedgekeurd. Alle vier de banden moeten hetzelfde zijn (merk en profieldiepte) zijn om grotere veiligheid te garanderen tijdens het rijden en remmen en de reactie van het voertuig alerter te maken. Het wordt afgeraden de draairichting van de banden om te draaien. SNEEUWKETTINGEN Het gebruik van sneeuwkettingen moet aan de plaatselijke voorschriften voldoen. Sneeuwkettingen mogen alleen op de banden van de voorwielen (aandrijfwielen) gemonteerd worden. Controleer de spanning van de sneeuwkettingen na enkele tientallen meters rijden. BELANGRIJK 111) De maximumsnelheid voor winterbanden met de indicatie “Q” is 160 km/h; 190 km/h voor winterbanden met de indicatie “T” en 210 km/h voor winterbanden met de indicatie"H". De snelheidsbeperkingen moeten echter altijd worden gerespecteerd. Gebruik sneeuwkettingen di weinig ruimte innemen: gebruik op alle versies, voor 195/55 R16", 205/55 R16" en 225/45 R17" banden, sneeuwkettingen die maximaal 9 mm buiten het 23) bandprofiel uitsteken. BELANGRIJK 23) Beperk de snelheid als sneeuwkettingen gemonteerd zijn; rijd niet harder dan 50 km/h. Vermijd kuilen, trottoirbanden en stoepen en rijd geen lange stukken op sneeuwvrije wegen om de auto en het wegdek niet te beschadigen. BELANGRIJK Op het noodreservewiel kunnen geen sneeuwkettingen gemonteerd worden. Als een voorband (aandrijfwiel) lek raakt en er sneeuwkettingen gebruikt moeten worden, verwijder dan een normaal wiel van de achteras en monteer het noodreservewiel op de achteras. Zo beschikt de vooras over twee normale wielen waarop sneeuwkettingen gemonteerd kunnen worden. 175 STARTEN EN RIJDEN DE AUTO LANGDURIG STALLEN Tref de volgende voorzorgen als de auto langer dan een maand niet gebruikt zal worden: ❒ parkeer de auto in een overdekte, droge en indien mogelijk goed geventileerde ruimte en zet de ruiten iets open; ❒ controleer of de handrem niet is aangetrokken; ❒ koppel de minpool van de accu los en controleer de laadtoestand. Gedurende de stilstand moet deze controle iedere drie maanden worden herhaald; ❒ als de accu niet van de elektrische installatie wordt losgekoppeld, controleer dan elke maand de lading; ❒ maak de met lak gespoten delen schoon en behandel ze met een beschermende was; ❒ reinig en bescherm de glanzende metalen delen met speciale middelen die in de handel verkrijgbaar zijn; ❒ bestrooi de wisserrubbers van de ruitenwissers en achterruitwisser met talkpoeder en til ze van de ruit op; ❒ zet de ruiten iets open; 176 ❒ dek de auto af met een doek of een geperforeerde kunststof hoes. Gebruik geen dichte plastic hoezen, omdat het op de carrosserie aanwezige vocht dan niet kan verdampen. ❒ pomp de banden 0,5 bar boven de voorgeschreven spanning op en controleer de spanning met regelmatige tussenpozen; ❒ tap het koelsysteem van de motor niet af; ❒ Laat, elke keer dat de auto twee weken of langer niet gebruikt wordt, de airco ongeveer 5 minuten werken, ingesteld op de buitenlucht en met de ventilator in de maximumstand, terwijl de motor stationair draait. Deze handeling zal voor de juiste smering zorgen om de mogelijkheid van beschadiging van de compressor tot een minimum te beperken wanneer het systeem weer in werking wordt gesteld. BELANGRIJK Wacht, nadat de contactsleutel naar STOP is gedraaid, minstens 1 minuut alvorens de elektrische voeding naar de accu los te koppelen. NOODGEVALLEN Een lekke band of een doorgebrand lampje? Soms kan een probleem uw reis in gevaar brengen. De pagina's over noodsituaties kunnen u helpen om op zelfstandige en kalme wijze kritieke situaties op te lossen. Wij adviseren u om in een noodsituatie het gratis telefoonnummer te bellen dat in het garantieboekje is vermeld. U kunt ook het gratis telefoonnummer 00 800 2532 4200 bellen om het dichtstbijzijnde Alfa Romeo Servicepunt te vinden. DE MOTOR STARTEN ....................178 EEN WIEL VERVANGEN .................179 "FIX&GO AUTOMATIC" KIT .............185 EEN LAMP VERVANGEN ................188 BUITENLAMPEN VERVANGEN .......191 LAMPEN BINNENVERLICHTING VERVANGEN ..................................194 ZEKERINGEN VERVANGEN............196 ACCU OPLADEN ............................205 OPHEFFEN VAN HET VOERTUIG ...205 SLEPEN VAN DE AUTO ..................206 177 NOODGEVALLEN DE MOTOR STARTEN ROLLEND STARTEN Probeer de motor nooit te starten door de auto te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Neem onmiddellijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwetwerk als het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel continu blijft branden. STARTEN MET HULPACCU BELANGRIJK Als de accu leeg is, kan de motor gestart worden met een hulpaccu met dezelfde of een iets hogere capaciteit 24) 25) 112) dan de lege accu. Ga als volgt te werk om te starten: ❒ verbind de plusklem (+) fig. 138 van de hulpaccu alleen op het door de pijl aangegeven punt van de autoaccu (OK-aanduiding) en nergens anders; ❒ sluit met een tweede startkabel de minklem ( − ) van de hulpaccu aan op een massapunt op de motor of de versnellingsbak/transmissie van de auto die gestart moet worden; ❒ start de motor, maak als de motor gestart is, de kabels in omgekeerde volgorde los. 178 138 24) Verbind de minklemmen van de twee accu’s niet rechtstreeks met elkaar! Als de hulpaccu in een ander voertuig is gemonteerd, vermijden dat er per ongeluk contact gemaakt wordt tussen de metalen delen van beide voertuigen. A0K0247 Lees voor versies met het Start&Stop systeem, in geval van starten met een hulpaccu, de paragraaf “Start&Stop systeem” in het hoofdstuk “Kennismaking met de auto”. Als de motor na enkele pogingen niet start, contact opnemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 25) Gebruik nooit een accusnellader om de motor te starten, aangezien dit kan leiden tot beschadiging van de elektronische systemen en de regeleenheden van de ontsteking en de brandstoftoevoer. EEN WIEL VERVANGEN ALGEMENE INSTRUCTIES BELANGRIJK 112) Deze procedure moet uitgevoerd worden door gekwalificeerd personeel aangezien onjuiste handelingen kunnen leiden tot zeer sterke elektrische ontladingen. Bovendien is accuvloeistof giftig en corrosief: vermijd contact met huid en ogen. Houd open vuur uit de buurt van de accu. Rook niet. Veroorzaak geen vonken. De auto is uitgerust met de kit "Fix&Go Automatic": zie de paragraaf “Fix&Go automatic kit” voor de beschrijving van de werking van de kit. Als alternatief voor de “Fix&Go Automatic kit” kan de auto uitgerust worden met een noodreservewiel: zie de aanwijzingen op de volgende pagina's om een wiel te vervangen. 113) 114) 115) 116) 117) ❒ stop het voertuig op een plek die niet gevaarlijk is voor het verkeer en waar het wiel op veilige wijze vervangen kan worden. De ondergrond moet zo vlak mogelijk en voldoende stevig zijn; ❒ zet de motor af, trek de handrem aan en schakel de 1ste versnelling of de achteruit in. Doe het reflecterende veiligheidsvest (wettelijk verplicht) aan voordat u uit de auto stapt; ❒ open de achterklep, til de vloerbedekking op met het handvat A fig. 139; KRIK Ter informatie herinnert men eraan dat: ❒ de krik weegt 1,76 kg; ❒ de krik behoeft geen afstelling; ❒ de krik niet kan worden gerepareerd: in geval van defect moet de krik door een origineel exemplaar worden vervangen; ❒ afgezien van de slinger mag geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd worden. Ga als volgt te werk om een wiel te vervangen: 139 A0K0648 ❒ neem sleutel A fig. 140 uit de gereedschapshouder, draai de blokkeerschroef los, neem de gereedschaphouder B uit en plaatst hem naast het te vervangen wiel. Neem het noodreservewiel C; 179 NOODGEVALLEN ❒ gebruik het toestel A fig. 142 om de krik te verlengen tot de bovenkant van de krik B fig. 143 in de rand C van de chassisbalk komt; ❒ plaats de slinger D in de zitting in voorziening A en krik de auto op tot het wiel zich enkele centimeters boven de grond bevindt; ❒ voor versies met wieldeksel, verwijder het wieldeksel na de 4 wielbouten te hebben losgedraaid en draai vervolgens de vijfde wielbout los om het wiel te verwijderen; 140 ❒ zorg dat de contactvlakken van het noodreservewiel en de velg schoon zijn om het loskomen van de wielbouten te voorkomen; A0K0649 ❒ draai de wielbouten ongeveer een slag los met de sleutel A fig. 141. Bij versies met lichtmetalen velgen, de auto schudden om de velg makkelijker van de wielnaaf te verwijderen. 142 A0K0651 ❒ monteer het noodreservewiel door de eerste wielbout twee slagen aan te draaien in het gat dat zich het dichtst bij het ventiel bevindt; ❒ neem de sleutel A fig. 140 en draai de wielbouten volledig vast; ❒ draai aan de slinger van de krik D om de auto omlaag te brengen. Verwijder de krik; 143 141 A0K0650 ❒ plaats de krik onder de auto, nabij het te verwisselen wiel. Let bijzonder op zodat de spoilers/miniskirts (indien voorzien) niet beschadigd raken; 180 A0K0652 ❒ waarschuw de passagiers/ omstanders dat de auto wordt opgekrikt; zorg dat niemand in de nabijheid van de auto komt tot de auto weer helemaal op grond staat; ❒ gebruik de sleutel A om de wielbouten kruiselings vast te draaien, in de volgorde die is aangegeven in fig. 144; ❒ het is raadzaam om bij vervanging van een lichtmetalen velg het wiel ondersteboven te plaatsen, met het versierde gedeelte naar boven gericht. 144 Subwoofer en noodreservewiel Ga als volgt te werk om de subwoofer te verwijderen: Bij deze versies is het gereedschap voor het verwisselen van een wiel opgeborgen in een speciale houder aan de linkerkant van de bagageruimte (zie fig. 145). ❒ open de bagageruimte, trek aan het lipje A fig. 147, til de mat op en verwijder het vulstuk van de laadruimte; A0K0040 Herstel de normale band zo snel mogelijk, want als hij in het vak van het reservewiel geplaatst is, maakt hij de laadvloer van de bagageruimte ongelijkmatig omdat hij breder is dan 26) het reservewiel. 145 SUBWOOFER VERWIJDEREN (versies met Bose HI-FI systeem) (voor bepaalde versies/markten) A0K0235 Ook de krik bevindt zich aan de linkerkant van de bagageruimte, in een speciaal vak (zie fig. 146). BELANGRIJK De onderstaande procedure is alleen van toepassing voor auto's voorzien van een Bose HI-FI systeem met subwoofer (voor bepaalde versies/markten). 147 A0K0654 ❒ draai de bevestiging A los, verwijder de bevestigingsklem B van de kabel en til vervolgens de subwoofer op; ❒ plaats de subwoofer naast de bagageruimte en neem het noodreservewiel; ❒ vervang het wiel zoals voorheen is beschreven. Ten slotte: 146 A0K0228 ❒ plaats de subwoofer op de juiste manier (zie aanwijzingen op de keuringslabel op de subwoofer zelf), het woord “BOSE” moet rechts leesbaar zijn; 181 NOODGEVALLEN ❒ plaats de kabel van de subwoofer op de juiste manier zonder dat hij bekneld raakt. Maak vervolgens de klem B vast en draai de bevestiging A vast. Plaats tenslotte het vulstuk van de laadruimte op de juiste manier en laat de mat van de bagageruimte zakken. ❒ breng de auto omlaag en verwijder de krik; ❒ plaats de subwoofer op de juiste manier (zie aanwijzingen op de keuringslabel op de subwoofer zelf), het woord “BOSE” moet rechts leesbaar zijn; Ga als volgt te werk: ❒ plaats de kabel van de subwoofer op de juiste manier zonder dat hij bekneld raakt. Maak vervolgens de klem B vast en draai de bevestiging A vast. Plaats tenslotte het vulstuk van de fig. 145 laadruimte op de juiste manier en laat de mat van de bagageruimte zakken. Subwoofer en "Fix&Go Automatic Kit" Ligging van de Automatic Fix&Go Kit: Ten slotte 148 A0K0178 BELANGRIJK Raadpleeg de instructies op het plaatje fig. 148 op de subwoofer voor een juiste montage. ❒ plaats het noodreservewiel in het daarvoor bestemde vak in de bagageruimte; ❒ berg de krik en de andere werktuigen in de gereedschapshouder op; EEN NORMAAL WIEL MONTEREN ❒ plaats de gereedschaphouder en de werktuigen op het noodreservewiel; Volg de eerder beschreven procedure, krik de auto op en verwijder het noodreservewiel. ❒ leg de mat van de bagageruimte weer goed op zijn plaats. Ga als volgt te werk: ❒ zorg dat de contactvlakken van het standaard wiel en de velg schoon zijn om het loskomen van de wielbouten te voorkomen; ❒ pak de "Fix&Go Automatic Kit" geplaatst aan de linkerkant van de bagageruimte ( fig. 148); ❒ voor versies met stalen velgen: maak het wieldeksel vast aan de velg, lijn het gat met de bout die u gemonteerd hebt uit, plaats vervolgens de andere 4 bouten; ❒ pomp de band op (zie de paragraaf "Fix&Go Automatic"). ❒ draai de bevestigingsbouten vast met de sleutel A fig. 139; ❒ open de bagageruimte, trek aan het lipje A en til de mat op; 182 ❒ draai de wielbouten volledig vast met de sleutel A in de volgorde aangegeven in fig. 144 BELANGRIJK 113) Het noodreservewiel is specifiek voor deze auto bestemd. Monteer het niet op andere automodellen. Monteer ook geen reservewielen van andere modellen op uw auto. Gebruik het noodreservewiel alleen in noodgevallen. Het noodreservewiel mag alleen zo kort mogelijk en niet bij hogere snelheden dan 80 km/h gebruikt worden. Op het noodreservewiel is een oranje etiket aangebracht met de belangrijkste waarschuwingen en gebruiksbeperkingen. Verwijder dit etiket nooit en dek het niet af. Monteer nooit een wieldeksel op het noodreservewiel. 114) Gebruik de alarmknipperlichten, de gevarendriehoek etc., om de stilstaande auto aan te geven. Alle inzittenden moeten de auto verlaten, vooral als de auto zwaar beladen is, en uit de buurt van gevaarlijk verkeer wachten tot het wiel is verwisseld. Leg wiggen of ander geschikt materiaal onder de wielen om de auto op een helling of ongelijkmatig wegdek te blokkeren. 115) De rijeigenschappen van de auto veranderen bij een gemonteerd reservewiel. Vermijd bruusk optrekken en remmen, scherpe stuurbewegingen en snelle bochten. De totale levensduur van het noodreservewiel is ongeveer 3000 km. Hierna moet de band vervangen worden door een nieuw exemplaar van hetzelfde type. Monteer nooit een standaard band op de velg van een noodreservewiel. Zorg ervoor dat het verwisselde wiel zo snel mogelijk wordt gerepareerd en gemonteerd. Het gebruik van twee of meer noodreservewielen is verboden. Smeer de schroefdraad van de wielbouten niet met vet voordat ze gemonteerd worden: ze kunnen hierdoor losraken. 116) De krik mag alleen gebruikt worden om wielen te vervangen van de auto waarbij de krik geleverd is of van auto's van hetzelfde mode Gebruik de krik niet voor andere doeleinden, zoals het opkrikken van andere auto’s. Gebruik de krik nooit voor het uitvoeren van reparaties onder de auto. Door een verkeerde plaatsing van de krik, kan de auto van de krik vallen. Gebruik de krik niet voor zwaardere lasten dan is aangegeven op het plaatje op de krik. Monteer nooit sneeuwkettingen op het noodreservewiel. In geval van een lekke voorband, kan het reservewiel op de achteras en het achterwiel op de vooras worden geplaatst. Zo heeft de vooras twee normale wielen waarop sneeuwkettingen kunnen worden gemonteerd. 117) Als het wieldeksel niet goed gemonteerd is, kan het tijdens het rijden losraken. Voer nooit werkzaamheden aan het ventiel uit. Steek nooit gereedschap tussen de velg en de band. Controleer regelmatig de spanning van de banden en het noodreservewiel (zie hoofdstuk "Technische gegevens"). 183 NOODGEVALLEN "Fix&Go Automatic" kit BELANGRIJK Deze bevindt zich in de bagageruimte (de houder van de kit kan per versie verschillen - zie fig. 149). 26) Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om het correcte aanhaalkoppel van de wielbouten te laten controleren. ❒ een busje A fig. 150 met afdichtmiddel, voorzien van: een vulleiding B en een sticker C met daarop het opschrift “max. 80 km/h” die na reparatie op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats moet worden aangebracht (bijv. op het dashboard); 150 A0K0516 ❒ een compressor D met drukmeter en aansluitstukken; 149 De kit bevat tevens een schroevendraaier en een trekoog. De kit bevat: A0K0515 ❒ een informatiefolder fig. 151 met de aanwijzingen voor een correct gebruik van de bandenreparatiekit. Deze informatiefolder moet worden overhandigd aan het personeel dat de band behandeld met deze kit moet repareren; ❒ een paar handschoenen in het zijvak van de compressor; ❒ adapters voor het oppompen van verschillende elementen. 184 2) 118) 119) 121) 152 151 A0K0517 BELANGRIJK Het afdichtmiddel van de snelle bandenreparatiekit werkt bij buitentemperaturen tussen –20 °C en +50 °C. Het afdichtmiddel heeft een houdbaarheidsdatum. A0K0518 154 A0K0520 155 A0K0128 ❒ controleer of de schakelaar A van de compressor in stand 0 (uit) staat, start de motor, steek de stekker in het stopcontact in de bagageruimte (zie fig. 154) of op de tunnelconsole (zie fig. 155) en schakel de compressor in door de schakelaar A in stand I (aan) te zetten; OPPOMPEN ❒ pomp de band op tot de juiste bandenspanning, vermeld in de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens", is bereikt. Controleer de bandenspanning op de drukmeter B fig. 153; doe dit bij uitgeschakelde compressor om een preciezere aflezing te verkrijgen; 120) 122) 123) 124) 125) 126) Ga als volgt te werk: ❒ trek de handrem aan, draai de ventieldop los, neem de vulleiding A fig. 152 uit en draai de ringmoer B op het ventiel van de band vast; 153 A0K0519 185 NOODGEVALLEN ❒ als het na 5 minuten nog steeds niet mogelijk is om minstens 1,8 bar te krijgen, koppel dan de compressor van het ventiel en het stopcontact af en verplaats vervolgens de auto ongeveer 10 meter naar voren of naar achteren, zodat de afdichtvloeistof zich gelijkmatig in de band kan verdelen; pomp de band vervolgens weer op; BANDENSPANNING CONTROLEREN EN HERSTELLEN De compressor kan ook gebruikt worden voor het controleren en eventueel herstellen van de bandenspanning. Maak de snelkoppeling A fig. 156 los en verbind deze rechtstreeks met het ventiel van de op te pompen band. ❒ als na deze handeling nog steeds geen 1,8 bar wordt verkregen binnen 5 minuten na inschakeling van de compressor, rij dan niet verder maar neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk; BELANGRIJK 156 A0K0521 BUSJE MET AFDICHTMIDDEL VERVANGEN Ga als volgt te werk: ❒ maak de koppeling A fig. 157 en de leiding B los; ❒ draai het te vervangen busje linksom en trek het omhoog; ❒ breng het nieuwe busje aan en draai het rechtsom; 186 A0K0041 ❒ plaats koppeling A en leiding B in hun zittingen. ❒ stop na ongeveer 10 minuten en controleer de bandenspanning opnieuw; vergeet niet de handrem aan te trekken; ❒ als een spanning van minstens 1,8 bar wordt gemeten, herstel dan de correcte bandenspanning (bij draaiende motor en aangetrokken handrem), ga weer rijden en rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde garage van het Alfa Romeo Servicenetwerk. 157 27) Als de band door vreemde voorwerpen lek is geraakt, kan de kit gebruikt worden voor beschadigingen in het loopvlak of de schouder met een diameter van max. 4 mm. BELANGRIJK 2) Laat het busje en het afdichtmiddel niet in het milieu achter. Verwerk de onderdelen overeenkomstig de nationale en plaatselijke voorschriften. BELANGRIJK 118) Overhandig de folder aan het personeel dat de band zal repareren die behandeld is met de "Fix&Go Automatic" bandenreparatiekit. 119) Beschadigingen op de zijkanten van de band kunnen niet gerepareerd worden. Gebruik de reparatiekit niet als de band beschadigd is geraakt door het rijden met een lege band. 120) Doe de beschermende handschoenen aan die bij de bandenreparatiekit zijn geleverd. 121) Breng de sticker op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats aan, om eraan te herinneren dat de band behandeld is met de snelle bandenreparatiekit. Rijd voorzichtig, met name in bochten. Rijd niet harder dan 80 km/h. Vermijd bruusk accelereren en remmen. 122) Rij niet verder als de bandenspanning onder 1,8 bar is gedaald: the FixGo Automatic kit kan de vereiste afdichting niet garanderen omdat de band te ernstig beschadigd is. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk 123) Geef altijd aan dat de band gerepareerd is met behulp van de snelle bandenreparatiekit. Overhandig de folder aan het personeel dat de band die behandeld is met de kit zal repareren. 124) Reparatie is niet mogelijk als de wielvelg beschadigd is (groef is vervormd, waardoor lucht kan ontsnappen). Verwijder niet het eventueel in de band binnengedrongen voorwerp (schroef of spijker). 125) Bedien de compressor niet langer dan 20 minuten achter elkaar. Gevaar voor oververhitting. De kit is niet geschikt voor definitieve reparatie, zodat de gerepareerde banden slechts tijdelijk gebruikt mogen worden. 126) Het busje bevat ethyleenglycol en latex: dit kan een allergische reactie veroorzaken. Schadelijk bij inslikken. Irriterend voor de ogen. Kan irritatie veroorzaken bij inademing of contact. Vermijd contact met huid, ogen en kleding. Spoel bij contact onmiddellijk uit met rijkelijk water. Wek het braken niet op bij inslikken. Spoel de mond uit, drink veel water en raadpleeg onmiddellijk een arts. Buiten bereik van kinderen bewaren. Het product mag niet gebruikt worden door astmapatiënten. Adem de dampen niet in tijdens het inbrengen en oppompen. Raadpleeg onmiddellijk een arts bij allergische reacties. Bewaar het busje in zijn houder, uit de buurt van warmtebronnen. Het afdichtmiddel heeft een houdbaarheidsdatum. Vervang het busje als het vervallen afdichtmiddel bevat. 187 NOODGEVALLEN EEN LAMP VERVANGEN 28) 127) 128) 129) ALGEMENE INSTRUCTIES ❒ Controleer alvorens een lamp te vervangen of de contacten zijn geoxideerd; ❒ vervang doorgebrande lampen door exemplaren van hetzelfde type en vermogen; ❒ controleer na vervanging van een gloeilamp in de koplamp altijd of de koplampafstelling goed is; ❒ als een lamp niet werkt, controleer dan of de betreffende zekering is doorgebrand alvorens de lamp te vervangen. Om de zekeringen te vinden wordt verwezen naar de paragraaf “Zekeringen vervangen” in dit hoofdstuk; 188 BELANGRIJK Bij een lage temperatuur en of bij een hoge luchtvochtigheidsgraad kan de binnenzijde van de koplamp een beetje beslagen zijn. Dit is geen defect maar een natuurlijk verschijnsel dat veroorzaakt wordt door de temperatuur- en vochtverschillen tussen de binnen- en buitenzijde van het glas, en dat geen enkele nevenwerking heeft op de normale werking van de lichten. Deze aanslag verdwijnt geleidelijk aan (van het midden tot de randen) zodra de koplampen worden ingeschakeld. BELANGRIJK 28) Raak alleen het metalen gedeelte van halogeenlampen aan. Het aanraken van de bol met de vingers kan de lichtopbrengst en de levensduur van de lamp reduceren. Als de bol per ongeluk toch wordt aangeraakt, schoonwrijven met een doekje met alcohol en vervolgens laten drogen. BELANGRIJK 127) Wijzigingen of reparaties aan de elektriische installatie die niet correct zijn uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische systeemgegevens, kunnen storingen in de werking en zelfs brand tot gevolg hebben. 128) In halogeenlampen bevindt zich gas onder druk. Als ze breken, kunnen er glassplinters wegschieten. 129) Wegens de hoge voedingsspanning mogen gasontladingslampen (Bi-Xenon) alleen door gespecialiseerd personeel vervangen worden: levensgevaar! Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. TYPEN LAMPEN De auto heeft de volgende typen lampen: Volglas lampen: (type A) klemmontage. Trek om te verwijderen. Lamp met bajonet-sluiting: (type B) druk de lamp ietwat in en draai linksom om hem uit de houder te verwijderen. Buislampen: (type C) trek de lamp uit de veercontacten om hem te verwijderen. Halogeenlampen: (type D) haak de borgveer los om de lamp uit de zitting te verwijderen. Halogeenlampen: (type E) haak de borgveer los om de lamp uit de zitting te verwijderen. 189 NOODGEVALLEN 190 Lampen Type Vermogen Zie Figuur Voorste stadslichten/Dagrijlichten (DRL) LED – – Stadslichten achter LED – – Dimlichten H7 55W D Grootlichten H1 55W E F D1S - Richtingaanwijzers voor PY24W 24W B Richtingaanwijzers achter R10W 10W B Richtingaanwijzers op flanken LED – – Remlichten LED – – Derde remlicht LED – – Kentekenverlichting W5W 5W A Mistlampen voor H3 55W E Mistachterlichten H21W 21W B Achteruitrijlichten P21W 21W B Plafondverlichting voor C10W 10W C Bagageruimteverlichting W5W 5W A Dashboardkastverlichting C5W 5W C Grootlicht/dimlichten (versies met Bi-Xenon koplampen) (voor bepaalde versies/markten) BUITENLAMPEN VERVANGEN KOPLAMPUNITS De koplampunits omvatten de gloeilampen voor de parkeer-/ dagverlichting (DRL), het dimlicht, het grootlicht en de richtingaanwijzers. De plaatsing van de lampen is als volgt:fig. 158: GROOTLICHT DIMLICHT Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder het deksel A fig. 158; ❒ verwijder het deksel B fig. 158; ❒ maak de stekker A fig. 159 los en trek de borglippen B naar buiten; ❒ maak de stekker A fig. 160los, trek de borglip B naar voren en maak hem los door hem naar de binnenkant van de auto te drukken; 159 158 A0K0632 ❒ verwijder de lamp C en vervang hem; A0K0631 A Parkeer-/dagverlichting en grootlicht B Dimlicht C Richtingaanwijzers STADSLICHT/ DAGVERLICHTING (DRL) ❒ monteer de nieuwe lamp en zorg voor een optimale vergrendeling, maak vervolgens de borglippen B vast en sluit de stekker opnieuw aan; ❒ monteer het deksel A fig. 158. 160 A0K0633 ❒ verwijder de lamp C en vervang hem; ❒ monteer de nieuwe lamp en zorg voor een optimale vergrendeling, maak vervolgens de borglip B vast en sluit de stekker opnieuw aan; ❒ monteer het deksel B fig. 158. Dit zijn led-lampjes. Neem voor de vervanging contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 191 NOODGEVALLEN RICHTINGAANWIJZERS Voor Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ draai het deksel C fig. 158 een 1/4 slag linksom; MISTLAMPEN (voor bepaalde versies/markten) Neem, voor de vervanging van deze lampen, contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ❒ verwijder de achterlichtunit door deze met beide handen in de richting van de pijl te trekken; ❒ koppel de stekker los en vervang de betreffende lamp. ACHTERLICHTUNITS PARKEER-/REMLICHTEN De lichtunits omvatten: stadslicht , remlichten, richtingaanwijzers (lampen in vaste lichtunit), achteruitrijlichten en mistachterlichten (lamp in lichtunit op achterklep). Dit zijn led-lampjes. Neem voor de vervanging contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. RICHTINGAANWIJZERS Draai, bij uitgenomen achterlichtunit. de twee schroeven A fig. 163los, verwijder de lamphouder en vervang lamp B. De vaste lichtunit verwijderen Ga als volgt te werk: 161 A0K0634 ❒ vervang de lamp + lamphouder A fig. 161. ❒ open de achterklep en maak de bevestigingsschroef A fig. 162 van de achterlichtunit los; Op de flanken Dit zijn led-lampjes. Neem voor de vervanging contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 163 162 192 A0K0635 A0K0636 3e REMLICHT MISTACHTERLICHTEN/ ACHTERUITRIJLICHTEN Dit zijn led lampjes die zich op de in de achterklep opgenomen spoiler bevinden. Neem voor de vervanging contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Ga als volgt te werk om een lamp te vervangen: ❒ open de achterklep en maak met een schroevendraaier het deksel A fig. 164 los in het door de pijl aangegeven punt; KENTEKENVERLICHTING Ga als volgt te werk om een lamp te vervangen: ❒ verwijder de lichtunits A fig. 166van de kentekenverlichting ; 164 A0K0637 ❒ maak de stekker A fig. 165 los en verwijder de lamphouder door op het borglipje B te drukken en vervolgens de schroef C los te draaien; ❒ duw voorzichtig op de lamp en draai hem linksom (D = achteruitrijlamp; E = mistachterlamp) om de lamp te verwijderen; 165 A0K0638 ❒ plaats de lamphouder terug in het huis, draai de schroef C vast en monteer hem door middel van het borglipje B. Sluit de stekker A aan en monteer het deksel A fig. 164 terug. 166 A0K0639 ❒ draai de lamphouder B fig. 167 linksom, verwijder de lamp C en vervang hem. BELANGRIJK Dek de punt van de schroevendraaier af met een doek om krassen te voorkomen bij het verwijderen van het deksel A. 167 A0K0640 193 NOODGEVALLEN ❒ maak de lampzittingen B fig. 169 los LAMPEN en verwijder ze door ze naar buiten te BINNENVERLICHTING trekken: vervang vervolgens de VERVANGEN lampen C; PLAFONDVERLICHTING VOOR ❒ monteer de nieuwe lampen in de betreffende zittingen B; Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ monteer plafondlampje A fig. 168 in zijn zitting en controleer of het goed vast zit. ❒ verwijder plafondlampje A fig. 168 door het op de met de pijltjes aangegeven punten los te maken; A0K0806 A0K0643 ❒ open beschermkapje B fig. 171 en vervang lamp C door hem los te maken uit de zijcontacten. Controleer of de nieuwe lamp goed vastzit tussen de contacten; 169 168 170 A0K0807 ❒ sluit beschermkapje B weer, plaats het plafondlampje A fig. 170 in zijn zitting en controleer of het goed bevestigd is. PLAFONDVERLICHTING ACHTER Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ verwijder plafondlampje A fig. 170 door het op de met de pijltjes aangegeven punten los te maken; 171 194 A0K0644 ❒ monteer het lampje A door het eerst aan een zijde correct te monteren en vervolgens de andere zijde ervan aan te drukken, zodat het hoorbaar vastklikt. BAGAGERUIMTE VERLICHTING Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: ❒ open de bagageruimte en verwijder het lampje A fig. 172 vanuit het punt dat met de pijl is aangegeven; INSTAPVERLICHTING (voor bepaalde versies/markten) 173 A0K0646 Neem voor vervanging van de lamp contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. DASHBOARD KASTVERLICHTING Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen: 172 ❒ open het dashboardkastje en verwijder het lampje A fig. 174; A0K0645 ❒ open beschermkapje B fig. 173 en vervang de lamp; ❒ open beschermkapje B en vervang de lamp; ❒ sluit beschermkapje B over het lampenglas; ❒ monteer het lampje A fig. 172 door het eerst aan een zijde correct te monteren en vervolgens de andere zijde ervan aan te drukken, zodat het hoorbaar vastklikt. 174 A0K0647 ❒ sluit beschermkapje B over het lampenglas; 195 NOODGEVALLEN ZEKERINGEN VERVANGEN ALGEMENE INFORMATIE Het elektrische systeem wordt beveiligd door zekeringen: bij een storing of bij oneigenlijk gebruik van het systeem brandt de zekering door. Gebruik het tangetje A fig. 176 om het deksel van de zekeringenkast in de motorruimte te verwijderen om zo de zekeringen te kunnen vervangen (zie “Zekeringenkast motorruimte” om het deksel te verwijderen). Controleer eerst de toestand van de zekering wanneer een elektrisch onderdeel niet meer werkt: de geleidende band A fig. 175 mag niet 29) 30) onderbroken zijn. 176 175 A0K0523 Als dit wel het geval is, dan moet de zekering worden vervangen door een nieuw exemplaar met dezelfde 130) 131) stroomsterkte (zelfde kleur). 132) 133) 134) B = intacte zekering. C = zekering met doorgebrande geleidende band. 196 A0K0524 VERSIES MET "ALFA TCT" AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (voor bepaalde versies/markten) De onderdelen van de ALFA TCT transmissie worden beschermd door speciale zekeringen. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk als een zekering vervangen moet worden. TOEGANG TOT DE ZEKERINGEN De zekeringen van het voertuig zijn in drie zekeringenkasten opgenomen; deze regeleenheden bevinden zich in de motorruimte, het dashboard en in de bagageruimte. F85 F09 177 F19 F87 F88 F20 Zekeringenkast in de motorruimte Deze bevindt zich naast de accu fig. 178: voor toegang tot de zekeringen, de schroeven A fig. 177 losdraaien en het deksel B verwijderen. F86 F10 178 F21 A0K0231 A0K0525 Op het deksel zijn de identificatienummers van de elektrische onderdelen die met de zekeringen overeenkomen aangegeven. Monteer, na het vervangen van de zekering, het deksel B weer op de zekeringenkast. 197 NOODGEVALLEN Zekeringenkast in het dashboard Steek een hand in de behuizing A fig. 180 en breng de klep B omlaag voor toegang tot de zekeringen fig. 179. 179 A0K0527 180 198 A0K0244 Zekeringenkast in de bagageruimte De zekeringenkast (fig. 181) bevindt zich links in de bagageruimte onder het deksel aan de zijkant. 181 A0K0529 Neem voor toegang contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 199 NOODGEVALLEN 200 ZEKERINGENKAST IN MOTORRUIMTE fig. 178 STROOMVERBRUIKER ZEKERING AMPÈRE Koplampsproeierpomp F09 30 Claxon F10 15 Aircocompressor F19 7,5 Achterruitverwarming F20 30 Brandstofpomp F21 15 Aansteker/stopcontact F85 20 12V-stopcontact F86 20 IBS Sensor laadtoestand accu voor Start&Stop systeem F87 5 Ontwaseming buitenspiegels F88 7,5 ZEKERINGENKAST INSTRUMENTENPANEEL fig. 180 STROOMVERBRUIKER ZEKERING AMPÈRE Rechter grootlicht F91 7,5 Linker grootlicht F90 7,5 Rechter dimlicht (versies met halogeen koplampen) F12 7,5 Linker dimlicht (versies met halogeen koplampen) F13 7,5 Rechter dimlicht (versies met Bi-Xenon koplampen) F12 15 Linker dimlicht (versies met Bi-Xenon koplampen) F13 15 Rechter mistlicht F93 7,5 Linker mistlicht F92 7,5 Bagageruimteverlichting/Zonneklepverlichting//Dashboardkastverlichting/ Plafondlichten voor en achter F32 10 Diverse voorzieningen F31 5 Elektrische ruitbediening (linksachter) F33 20 Elektrische ruitbediening (rechtsachter) F34 20 +30 F36 10 Diverse voorzieningen F37 7,5 Centrale portiervergrendeling F38 20 Body Computer F42 5 Tweeweg-ruitensproeierpomp F43 20 Elektrische ruitbediening bestuurderszijde F47 20 201 NOODGEVALLEN 202 STROOMVERBRUIKER ZEKERING AMPÈRE Elektrische ruitbediening passagierszijde F48 20 Diverse voorzieningen F49 5 Diverse voorzieningen F50 7.5 Diverse voorzieningen F51 5 +30 F53 7,5 AANSLUITKAST IN BAGAGERUIMTE fig. 181 STROOMVERBRUIKER ZEKERING AMPÈRE Stoelverstelling linker voorstoel F1 15 Stoelverstelling rechter voorstoel F2 15 Schuifdak F3 15 Stoelverwarming voor F5 15 BOSE versterker + Subwoofer F6 20 BELANGRIJK 29) Vervang een doorgebrande zekering nooit door metalen draden of ander materiaal. 30) Als de motorruimte moet worden schoongespoten, voorkom dan dat de waterstraal rechtstreeks op de zekeringenkast en de motoren van de ruitenwissers in de motorruimte wordt gericht. 203 NOODGEVALLEN BELANGRIJK 130) Als de zekering opnieuw doorbrandt, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 131) Vervang een zekering nooit door een exemplaar met een hogere stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR. 132) Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MIDIFUSE) doorbrandt, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 133) Alvorens een zekering te vervangen, moet men controleren of de contactsleutel uit het slot is genomen en of alle stroomverbruikers uit staan en/of zijn uitgeschakeld. 134) Als een hoofdzekering voor veiligheidsinrichtingen (airbagsysteem, remsysteem), motorsystemen (motorsysteem, transmissiesysteem) of stuurinrichting doorbrandt, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 204 ACCU OPLADEN BELANGRIJK De procedure voor het opladen van de accu is uitsluitend bedoeld ter informatie. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om deze handeling te laten uitvoeren. BELANGRIJK Wacht, nadat de contactsleutel naar STOP is gedraaid en het bestuurdersportier is gesloten, minstens een minuut voordat u de elektrische voeding van de accu loskoppelt en vervolgens weer aansluit. ❒ schakel na het opladen eerst de acculader uit alvorens de accu los te koppelen; ❒ sluit de minklem aan op de accu. VERSIES MET Start&Stop SYSTEEM (voor bepaalde versies/markten) Ga als volgt te werk om de accu op te laden: ❒ koppel de stekker A fig. 182 van de accusensor C op de minklem D (–) van de accu los (door op de knop B te drukken); Het verdient aanbeveling de accu langzaam en met een laag ampèrage gedurende ongeveer 24 uur op te laden. De accu langer opladen, kan de accu beschadigen. ❒ sluit de pluskabel (+) van de acculader aan op de plusklem E van de accu en de minkabel (–) op de klem van de sensor D zoals aangegeven in de figuur; VERSIES ZONDER Start&Stop SYSTEEM (voor bepaalde versies/markten) ❒ schakel de acculader in. Schakel na het opladen de acculader uit; Ga als volgt te werk om de accu op te laden: ❒ maak de minklem los van de accu; ❒ sluit de kabels van de acculader aan op de accupolen; let daarbij op de polariteit; ❒ schakel de acculader in; ❒ sluit na de acculader te hebben afgekoppeld de stekker A terug op de sensor C aan zoals aangegeven in de figuur. 182 A0K0530 OPHEFFEN VAN HET VOERTUIG Als de auto opgeheven moet worden, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk dat uitgerust is met garagekrikken en hefbruggen. BELANGRIJK Bij versies met zijbekleding moet men goed opletten bij het plaatsen van de hefarmen. 205 NOODGEVALLEN SLEPEN VAN DE AUTO Het bij de auto geleverde sleepoog bevindt zich in de gereedschapshouder onder de bekleding van de bagageruimte. MONTAGE VAN HET SLEEPOOG Verwijder de dop A door op het onderste gedeelte te drukken, neem het sleepoog B uit de gereedschapshouder en draai het stevig op de schroefdraadpen aan de voor- fig. 183) of achterzijde ((fig. 184). 184 A0K0704 BELANGRIJK 135) 136) 137) 183 206 A0K0623 135) Alvorens te slepen, moet de contactsleutel naar MAR en vervolgens naar STOP worden gedraaid, zonder hem uit het contactslot te nemen. Als de sleutel uit het contactslot wordt genomen, wordt automatisch het stuurslot ingeschakeld waardoor de auto niet kan worden bestuurd. Controleer tevens of de versnellingsbak in de vrijstand staat (controleer bij versies met Alfa TCT automatische transmissie of de keuzehendel in de stand N staat) 136) Onthoud dat tijdens het slepen de rembekrachtiging en de elektrische stuurbekrachtiging niet werken. Om die reden is meer kracht benodigd voor de bediening van het rempedaal en het stuur. Gebruik geen elastische kabels voor het slepen. Vermijd rukbewegingen. Zorg tijdens het slepen dat er geen onderdelen door de sleepverbinding kunnen worden beschadigd. Neem bij het slepen in elk geval de wettelijke voorschriften in acht van het land waarin wordt gereden en pas uw rijgedrag aan. Start de motor niet wanneer de auto wordt gesleept. Maak voor de montage van het sleepoog de schroefdraad zorgvuldig schoon. Zorg ervoor dat het sleepoog volledig in de zitting is vastgeschroefd alvorens de auto te slepen. 137) Het sleepoog voor en achter mag uitsluitend gebruikt worden voor het slepen over de weg in pechgevallen. Het is toegestaan de auto over korte afstanden te slepen met geschikte middelen conform de wegenverkeerswetgeving (starre stang) en om de auto over de weg te verplaatsen om hem gereed te maken voor het slepen of voor transport met takelwagen. Sleepogen MOGEN NIET worden gebruikt om voertuigen off-road (d.w.z. op het terrein) te slepen of waar hindernissen zijn en/of voor het slepen met kabels of andere niet-starre hulpmiddelen. In overeenstemming met bovengenoemde voorwaarden, moet men voor het slepen twee voertuigen gebruiken (een slepend en een gesleept voertuig), die zich beide zo veel mogelijk op één lijn bevinden. 207 Deze pagina is opzettelijk blanco gelaten 208 ONDERHOUD EN ZORG Dankzij correct onderhoud kunnen de prestaties van de auto, evenals beperkte bedrijfskosten en het behoud van de efficiëntie van de veiligheidssystemen gedurende langere tijd gegarandeerd worden. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe. GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD.................................210 GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA................211 PERIODIEKE CONTROLES .............218 INTENSIEF GEBRUIK VAN DE AUTO..............................................218 NIVEAUS CONTROLEREN..............219 LUCHTFILTER/POLLENFILTER/ DIESELFILTER................................. 225 ACCU .............................................225 WIELEN EN BANDEN .....................227 RUITENWISSERS/ ACHTERRUITWISSER.................... 228 CARROSSERIE ...............................230 INTERIEUR......................................233 209 ONDERHOUD EN ZORG GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD Juist onderhoud is uiterst belangrijk voor een lange levensduur van de auto onder optimale omstandigheden. Daarom heeft Alfa Romeo een reeks controles en onderhoudsbeurten opgesteld die op vaste afstandsintervallen uitgevoerd moeten worden en, voor bepaalde versies/ markten, op vaste tijdsintervallen, zoals beschreven in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema. Ongeacht het bovenstaande, is het altijd noodzakelijk de aanwijzingen in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema zorgvuldig op te volgen (bijv. regelmatige controle van de vloeistofniveaus, bandenspanning, enz.). 210 Geprogrammeerde Onderhoudsbeurten worden door alle werkplaatsen van het Alfa Romeo Servicenetwerk uitgevoerd op basis van de vaste intervallen in tijd of kilometers/mijlen. Eventuele reparaties die nodig blijken tijdens het uitvoeren van de diverse inspecties en controles van het geprogrammeerd onderhoud, mogen uitsluitend worden uitgevoerd na toestemming van de klant. Als de auto dikwijls gebruikt wordt voor het trekken van aanhangers, dan moet een korter interval tussen de onderhoudsbeurten worden aangehouden. WAARSCHUWING De servicebeurten van het Geprogrammeerde Onderhoud zijn door de fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren ervan kan het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. Het is raadzaam het Alfa Romeo Servicenetwerk onmiddellijk te informeren over eventuele kleine defecten en niet te wachten tot de volgende servicebeurt. Voor versies uitgerust met speciale brandstoftoevoer (bijv. LPG) en/of uitrustingsniveau, in aanvulling op hetgeen beschreven is in het volgende Geprogrammeerde Onderhoudsschema, de betreffende onderwerpen in de speciale supplementen raadplegen. GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA BENZINE-UITVOERINGEN De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/8 jaar, cyclisch herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor. km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Conditie/slijtage banden controleren en bandenspanning, indien nodig, herstellen; vervaldatum lading “Fix&Go Automatic” kit controleren (voor bepaalde versies/markten) ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Werking verlichtingssysteem (koplampen, richtingaanwijzers, alarmknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, lampjes instrumentenpaneel, enz.) controleren ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (motorkoelvloeistof, remmen/hydraulische koppeling, ruitensproeiers, accu enz.) ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Gebruik de diagnosestekker om de werking van het brandstoftoevoer-/motormanagementsysteem en de emissie te controleren; en voor bepaalde versies/markten, de verslechtering van de motorolie ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Visueel de toestand controleren van: buitenzijde van carrosserie, bodemplaatbescherming, slangen en leidingen (uitlaat, brandstof- en remsysteem en rubber elementen (hoezen, balgen, bussen enz.) ● ● ● ● ● Stand en conditie van wisrubbers van ruitenwissers voor/ achter controleren ● ● ● ● ● 211 ONDERHOUD EN ZORG km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Werking van ruitenwissers/-sproeiers controleren en zo nodig de sproeiers afstellen ● ● ● ● Slot van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil controleren, schoonmaken en mechanismen smeren ● ● ● ● ● Slag van handrem controleren en zo nodig afstellen ● ● ● ● ● Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen voor visueel controleren en de werking van remblokslijtagesensor controleren ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen achter visueel controleren en de werking van remblokslijtagesensor controleren (voor bepaalde versies/ markten) ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Conditie en spanning van aandrijfriem(en) hulporganen (alleen bij versies zonder automatische riemspanner) visueel controleren ● Conditie getande distributieriem visueel controleren ● Olieniveau van de Alfa TCT regeling controleren en eventueel bijvullen (voor bepaalde versies/markten) (1) ● (1) Jaarlijks uit te voeren controle voor auto's in landen met zeer strenge klimaten (koude landen). 212 ● ● ● ● ● km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Motorolie verversen en oliefilter vervangen (1.4 Turbo Benzine en 1.4 Turbo MultiAir versies)(2) ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● De motorolie verversen en het oliefilter vervangen (1750 Turbo Benzine versies) (3) Bougies vervangen (1.4 Turbo Benzine en 1.4 Turbo MultiAir versies) (4) Bougies vervangen (1750 Turbo Benzine versies) ● ● (2) Als het voertuig voornamelijk binnen de bebouwde kom gebruikt wordt of wanneer het aantal jaarlijks afgelegde kilometers minder dan 10.000 bedraagt, moeten de motorolie en het oliefilter elk jaar vervangen worden. (3) Het werkelijke interval voor de vervanging van de motorolie en het oliefilter is afhankelijk van de gebruikscondities van de auto en wordt aangegeven met een brandend lampje of een melding op het instrumentenpaneel. Het mag echter nooit meer dan 1 jaar bedragen. (4) Voor 1.4 Turbo Benzine en 1.4 Turbo MultiAir versies zijn de volgende zaken zijn van vitaal belang om de correcte werking te verzekeren en om ernstige schade aan de motor te voorkomen: gebruik uitsluitend bougies die speciaal gecertificeerd zijn voor deze motoren; alle bougies moeten van hetzelfde type en merk zijn (zie de paragraaf “Motor” in het hoofdstuk “Technische gegevens”); houdt u zich strikt aan de vervangingsintervallen van de bougies die vermeld zijn in het Geprogrammeerde Onderhoudsschema. Het wordt aanbevolen contact op te nemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de bougies te laten vervangen. 213 ONDERHOUD EN ZORG 214 km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen (5) ● De getande distributieriem vervangen (5) ● Het luchtfilterelement vervangen (6) ● ● ● ● ● Remvloeistof vervangen ● ● ● ● ● Interieurfilter vervangen (6) O ● O ● O ● O ● O ● (5) Voor gebieden waar weinig stof is wordt een maximale kilometerstand van 120.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand moet de riem eens per 6 jaar worden vervangen. In stoffige omgevingen en/of gebruik van het voertuig onder zware omstandigheden (koude klimaten, gebruik in de stad, periodes van langdurige stilstand): wordt een maximale kilometerstand van 60.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand, moet de riem om de 4 jaar vervangen worden. (6) As het voertuig gebruikt wordt in stoffige omgevingen, moet dit filter om de 15.000 km vervangen worden. (O) Aanbevolen werkzaamheden (●) Verplichte werkzaamheden DIESELUITVOERINGEN De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/6 jaar, cyclisch herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor. km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Conditie/slijtage banden controleren en bandenspanning, indien nodig, herstellen; vervaldatum lading “Fix&Go Automatic” kit controleren (voor bepaalde versies/markten) ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Werking verlichtingssysteem (koplampen, richtingaanwijzers, alarmknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, lampjes instrumentenpaneel, enz.) controleren ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (motorkoelvloeistof, remmen/hydraulische koppeling, ruitensproeiers, accu enz.) ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Gebruik de diagnosestekker om de werking van het brandstoftoevoer-/motormanagementsysteem en de emissie te controleren; en voor bepaalde versies/markten, de verslechtering van de motorolie ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Visueel de toestand controleren van: buitenzijde van carrosserie, bodemplaatbescherming, slangen en leidingen (uitlaat, brandstof- en remsysteem en rubber elementen (hoezen, balgen, bussen enz.) ● ● ● ● ● Stand en conditie van wisrubbers van ruitenwissers voor/ achter controleren ● ● ● ● ● Werking van ruitenwissers/-sproeiers controleren en zo nodig de sproeiers afstellen ● ● ● ● ● 215 ONDERHOUD EN ZORG km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Slot van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil controleren, schoonmaken en mechanismen smeren ● ● ● ● ● Slag van handrem controleren en zo nodig afstellen ● ● ● ● ● Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen voor visueel controleren en de werking van remblokslijtagesensor controleren ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen achter visueel controleren en de werking van remblokslijtagesensor controleren (voor bepaalde versies/ markten) ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Conditie en spanning van aandrijfriem(en) hulporganen (alleen bij versies zonder automatische riemspanner) visueel controleren ● Olieniveau van de Alfa TCT regeling controleren en eventueel bijvullen (voor bepaalde versies/markten) (1) ● ● ● ● ● Motorolie en oliefilter vervangen (2) (3) (1) Jaarlijks uit te voeren controle voor auto's in landen met zeer strenge klimaten (koude landen). (2) Het werkelijke interval voor de vervanging van de motorolie en het oliefilter is afhankelijk van de gebruikscondities van de auto en wordt aangegeven met een brandend lampje of een melding op het instrumentenpaneel. Het mag echter nooit meer dan 2 jaar bedragen. (3) Als de auto voornamelijk in de stad wordt gebruikt, dan moeten de motorolie en het filter elk jaar worden vervangen. 216 ● km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 Jaren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen (4) ● De getande distributieriem vervangen (4) ● Brandstoffilterelement vervangen (5) ● ● ● Het luchtfilterelement vervangen (6) ● ● ● ● Remvloeistof vervangen Interieurfilter vervangen (6) O ● ● O ● ● O ● ● O ● ● O ● (4) Voor gebieden waar weinig stof is wordt een maximale kilometerstand van 120.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand moet de riem eens per 6 jaar worden vervangen. In stoffige omgevingen en/of gebruik van het voertuig onder zware omstandigheden (koude klimaten, gebruik in de stad, periodes van langdurige stilstand): wordt een maximale kilometerstand van 60.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand, moet de riem om de 4 jaar vervangen worden. (5) Als het voertuig op brandstof rijdt van een kwaliteit die niet voldoet aan de betreffende Europese specificatie, moet dit filter om de 20.000 km vervangen worden (6) As het voertuig gebruikt wordt in stoffige omgevingen, moet dit filter om de 20.000 km vervangen worden. (O) Aanbevolen werkzaamheden (●) Verplichte werkzaamheden 217 ONDERHOUD EN ZORG PERIODIEKE CONTROLES INTENSIEF GEBRUIK VAN DE AUTO Elke 1.000 km of vóór een lange reis controleren en eventueel bijvullen: Als vooral een intensief gebruik van de auto wordt gemaakt, zoals: ❒ niveau motorkoelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof; ❒ het trekken van aanhangers of caravans; ❒ conditie en spanning banden; ❒ talrijke korte ritten (minder dan 7-8 km) en bij buitentemperaturen onder het vriespunt; ❒ werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, alarmknipperlichten, etc.); ❒ werking ruitenwissers/-sproeiers en stand/slijtage wisserbladen voor/achter. Elke 3.000 km controleren en eventueel bijvullen: motorolieniveau. ❒ het rijden op stoffige wegen; ❒ vaak lang stationair draaiende motor of lange afstanden bij lage snelheden of als de auto lang niet wordt gebruikt; dienen de volgende controles vaker te worden uitgevoerd dan aangegeven in het Geprogrammeerd onderhoudsschema: ❒ remblokken van schijfremmen voor op conditie en slijtage controleren; ❒ slot van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil controleren, schoonmaken en mechanismen smeren; ❒ visueel de toestand controleren van: motor, versnellingsbak, transmissie, slangen en leidingen (uitlaat, brandstof- en remsysteem) en rubber elementen (hoezen, balgen, bussen enz.); 218 ❒ laadtoestand accu en niveau accuvloeistof (elektrolyt) controleren; ❒ conditie van aandrijfriemen hulporganen visueel controleren; ❒ motorolie en oliefilter controleren en zo nodig vervangen; ❒ pollenfilter controleren en zo nodig vervangen; ❒ luchtfilter controleren en zo nodig vervangen. NIVEAUS CONTROLEREN 31) 138) 139) . G 185 - 1.4 Turbo Benzineversies A0K0655 . 219 ONDERHOUD EN ZORG G 186 - 1.4 Turbo MultiAir-versies . 220 A0K0656 G 187 - 1750 Turbo Benzineversies A0K0657 . 221 ONDERHOUD EN ZORG G 188 - Dieselversies MOTOROLIE Controleer of het oliepeil tussen de referentietekens MIN en MAX staat op de peilstok A. Wanneer het olieniveau dichtbij of onder het MIN-teken komt, moet olie worden bijgevuld via de vulopening B tot aan 140) 32) het MAX-teken. 222 A0K0658 Neem de oliepeilstok A uit, maak hem schoon met een niet pluizende doek en breng hem weer in. Neem de peilstok weer uit en controleer of het peil zich tussen het MIN- en MAX-teken op het reservoir bevindt. Motorolieverbruik 33) 3) Gewoonlijk ligt het maximale motorolieverbruik op 400 gram per 1000 km. Tijdens de eerste gebruiksperiode van de auto, moet de motor worden ingereden. Daarom is het motorolieverbruik pas stabiel na de eerste 5.000 - 6.000 km. MOTORKOELVLOEISTOF Draai, als het niveau te laag is, de reservoirdop C los en vul de vloeistof bij zoals vermeld in het hoofdstuk 34) 141) "Technische gegevens". VLOEISTOF VOOR RUITENSPROEIERS/ ACHTERRUITSPROEIER Draai, als het niveau te laag is, de reservoirdop D los en vul de vloeistof bij zoals vermeld in het hoofdstuk "Technische gegevens". 142) 143) BELANGRIJK De koplampsproeiers zullen niet werken bij een laag ruitensproeiervloeistofniveau, ook al blijven de ruitensproeiers/ achterruitsproeier werken. Voor bepaalde versies/markten is er een referentieteken E op de peilstok (zie vorige pagina's): ALLEEN de voorruit-/achterruitsproeier werkt met het peil beneden dit referentieteken. REMVLOEISTOF Controleer of de vloeistof op het maximumniveau staat. Als het vloeistofniveau te laag is, draai dan de reservoirdop E los en vul de vloeistof vermeld in het hoofdstuk "Technische gegevens" bij. 35) OLIE BEDIENINGSSYSTEEM ALFA TCT VERSNELLINGBAK (voor bepaalde versies/markten) Wend u voor de controle van het transmissieolieniveau uitsluitend tot het 4) Alfa Romeo Servicenetwerk. BELANGRIJK 31) Let erop dat de verschillende types vloeistoffen tijdens het bijvullen niet verwisseld worden: ze mogen absoluut niet onderling gemengd worden! Bijvullen met een ongeschikte vloeistof kan leiden tot ernstige schade aan het voertuig. 32) Het oliepeil mag het MAX-teken nooit overschrijden. 33) Voeg geen olie met andere specificaties dan die van de olie die al in de motor zit toe. 34) PARAFLU UP anti-vriesvloeistof wordt gebruikt in het motorkoelsysteem; gebruik voor het bijvullen hetzelfde vloeistoftype als het type dat al in het koelsysteem zit. PARAFLUUP mag niet met andere typen anti-vriesvloeistoffen worden gemengd. Als er toch bijgevuld is met een ongeschikt product, start dan in geen geval de motor en neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. 35) Vermijd dat remvloeistof, die uiterst corrosief is, in contact komt met gelakte zones. Spoel bij contact onmiddellijk af met water. BELANGRIJK 138) Rook nooit als u werkzaamheden in de motorruimte verricht. Er kunnen brandbare gassen en dampen aanwezig zijn en in brand vliegen. 139) Wees bijzonder voorzichtig bij het werken in de motorruimte wanneer de motor heet is: gevaar voor brandwonden. 144) 145) 223 ONDERHOUD EN ZORG 140) Wacht voor het bijvullen van de olie tot de motor is afgekoeld alvorens de vulplug los te maken. Dit geldt in het bijzonder voor auto's met een aluminium vulplug (voor bepaalde versies/markten). WAARSCHUWING: gevaar voor brandwonden! 141) Het koelsysteem staat onder druk. Vervang, indien nodig, de dop alleen door een origineel exemplaar om de werking van het systeem niet negatief te beïnvloeden. Draai bij warme motor de dop van het reservoir niet los: gevaar voor brandwonden. 142) Rijd nooit met een leeg ruitensproeierreservoir: ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een goed zicht. Herhaaldelijke werking van het systeem zonder vloeistof kan leiden tot schade aan of snelle verslechtering van sommige systeemcomponenten. 143) Bepaalde in de handel verkrijgbare additieven voor ruitensproeiervloeistoffen zijn ontvlambaar. De motorruimte bevat warme onderdelen die bij contact met de vloeistof brand kunnen veroorzaken. 224 144) Remvloeistof is giftig en uiterst corrosief. Als er per ongeluk remvloeistof gemorst wordt, moeten de betrokken delen onmiddellijk worden gewassen met water en neutrale zeep. Vervolgens met veel water afspoelen. In geval van inslikken onmiddellijk een arts raadplegen. 145) Het symbool op de verpakking geeft een synthetische remvloeistof aan, die dus verschilt van een minerale remvloeistof. Het gebruik van minerale vloeistoffen kan de speciale rubbers in het remsysteem onherstelbaar beschadigen. BELANGRIJK 3) Gebruikte motorolie en oliefilters bevatten stoffen die schadelijk zijn voor het milieu. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de olie en de filters te laten vervangen. 4) Gebruikte transmissievloeistof bevat stoffen die schadelijk zijn voor het milieu. Men adviseert om voor het vervangen van de olie contact op te nemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk. LUCHTFILTER/ POLLENFILTER/ DIESELFILTER Neem voor de vervanging van het filter contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ACCU Accu F (zie vorige pagina's) vereist niet dat de elektrolyt met gedestilleerd water wordt bijgevuld. Een periodieke controle bij het Alfa Romeo Servicenetwerk is echter noodzakelijk om de efficiëntie te verifiëren. ACCU VERVANGEN 146) 147) 148) 149) 36) 5) Vervang indien nodig de accu door een andere originele accu met dezelfde specificaties. Volg de aanwijzingen van de fabrikant van de accu voor het onderhoud. NUTTIG ADVIES OM DE LEVENSDUUR VAN DE ACCU TE VERLENGEN Neem de volgende aanwijzingen in acht om het snel ontladen van de accu te voorkomen en de levensduur te verlengen: ❒ wanneer de auto wordt geparkeerd, controleer dan of de portieren, de motorkap en de achterklep goed gesloten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat de interieurverlichting blijft branden. ❒ schakel de interieurverlichting uit: de auto is in ieder geval uitgerust met een systeem voor automatische uitschakeling van de interieurverlichting; ❒ houd accessoires (bijv. autoradio, alarmknipperlichten, etc.) niet te lang ingeschakeld wanneer de motor is uitgezet; ❒ maak voordat werkzaamheden aan de elektrische installatie worden uitgevoerd, de kabel van de minpool op de accu los. BELANGRIJK Als de accu werd losgekoppeld moet de stuurbekrachtiging worden lampje gaat geïnitialiseerd. Het branden om dit aan te geven. Ga hiervoor als volgt te werk: draai het stuurwiel van het ene uiteinde naar het andere terwijl op een rechtlijnig traject van ongeveer honderd meter wordt gereden. BELANGRIJK Als het ladingsniveau gedurende langere tijd onder 50% blijft, raakt de accu door sulfatering beschadigd. Hierdoor verminderen de capaciteit en het startvermogen. 225 ONDERHOUD EN ZORG De accu is in dit geval ook gevoeliger voor bevriezing (dit kan reeds bij temperaturen van -10°C gebeuren). Als de auto langere tijd niet gebruikt wordt, zie dan "Langdurige stilstand van de auto” in het hoofdstuk "Starten en rijden". Als men na aanschaf van de auto elektrische accessoires wil monteren die constante voeding vereisen (alarm enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, wordt geadviseerd contact op te nemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk; het gekwalificeerde personeel zal dan het totale stroomverbruik van deze accessoires beoordelen. BELANGRIJK 146) Accuvloeistof is giftig en corrosief. Vermijd contact met huid en ogen. Houd open vuur en bronnen van vonken uit de buurt van de accu: brand- en ontploffingsgevaar. 147) Als de accu met onvoldoende vloeistof werkt, kan dit de accu onherstelbaar beschadigen en een explosie veroorzaken. 226 148) Als de auto langdurig gestald moet worden bij zeer lage temperaturen, verwijder dan de accu en breng deze naar een verwarmde plek, om bevriezing te voorkomen. 149) Bij werkzaamheden aan de accu of in de buurt van de accu, moeten de ogen altijd met een speciale bril beschermd worden. BELANGRIJK 36) Onjuiste installatie van elektrische en elektronische accessoires kan ernstige schade aan de auto toebrengen. Als na aanschaf van de auto accessoires (bijv. alarmsysteem, mobiele telefoon enz.) gemonteerd moeten worden, neem dan contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk, dat de geschiktste apparaten weet aan te raden en vooral kan beoordelen of een accu met een grotere capaciteit nodig is. BELANGRIJK 5) Accu’s bevatten stoffen die zeer gevaarlijk zijn voor het milieu. Neem voor vervanging van de accu contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ❒ banden verouderen, ook als ze weinig gebruikt zijn. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen betekenen dat de band verouderd is. Laat de banden door gespecialiseerd personeel controleren als ze langer dan 6 jaar onder de auto zijn gemonteerd; WIELEN EN BANDEN Controleer voor een lange reis en elke twee weken de bandenspanning. Controleer de bandenspanning wanneer de banden koud zijn. 150) 151) 152) 153) Het is normaal dat de spanning tijdens het rijden toeneemt. Zie voor de correcte bandenspanning de paragraaf “Wielen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”. Onjuiste bandenspanning leidt tot abnormale slijtage van de banden fig. 189: A normale spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak; B te lage spanning: overmatige slijtage aan de zijkanten van het loopvlak; C te hoge spanning: overmatige slijtage in het midden van het loopvlak. Banden moeten worden vervangen wanneer de profieldiepte van het loopvlak minder dan 1,6 mm bedraagt. Houd u in ieder geval aan de wettelijke voorschriften van het land waarin wordt gereden. 189 A0K0531 BELANGRIJKE INFORMATIE Tref de volgende voorzorgsmaatregelen om schade aan de banden te voorkomen: ❒ vermijd harde stoten tegen de stoeprand, kuilen of obstakels evenals langdurig rijden over een slecht wegdek; ❒ controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen, oneffenheden of onregelmatige slijtage op het loopvlak; ❒ rijd niet met een te zwaar beladen auto. Stop onmiddellijk bij een lekke band en verwissel het wiel; ❒ monteer altijd nieuwe banden en vermijd banden waarvan de herkomst dubieus is; ❒ bij de montage van een nieuwe band moet ook een nieuw ventiel worden voorzien. BELANGRIJK 150) De wegligging van de auto hangt ook af van de juiste bandenspanning. 151) Als de bandenspanning te laag is, kan de band oververhit raken en als gevolg daarvan ernstig beschadigd raken. 152) Verwissel de banden niet van de linkerzijde naar de rechterzijde en andersom, om omkering van de draairichting te vermijden. 227 ONDERHOUD EN ZORG 153) Voer geen lakspuitwerkzaamheden op de lichtmetalen wielvelgen uit met temperaturen boven 150°C. De mechanische kenmerken van de wielen kunnen hierdoor veranderen. RUITENWISSERS/ ACHTERRUITWISSER WISSERBLADEN Het is raadzaam de wisserbladen ongeveer jaarlijks te vervangen. 154) Met enkele eenvoudige voorzorgsmaatregelen kan de beschadiging van het wisserblad worden gereduceerd: ❒ bij temperaturen onder het vriespunt moet men controleren of het wisserblad niet op de ruit is vastgevroren. Gebruik zo nodig een antivriesmiddel om het wisserblad vrij te maken; A0K0532 ❒ monteer het nieuwe wisserblad door het lipje in zijn zitting op de wisserarm in te brengen. Controleer of het goed vastzit. ❒ breng de wisserarm voorzichtig tegen de ruit. ❒ verwijder eventuele sneeuw van de ruit; De voorruitwissers optillen ❒ gebruik de ruitenwissers/ achterruitwisser nooit op een droge ruit. Als het wisserblad van de voorruit opgetild moeten worden (bijv. in geval van sneeuw of als de bladen vervangen moeten worden), ga dan als volgt te werk: Wisserbladen voorruit vervangen Ga als volgt te werk: ❒ hef de wisserarm op, druk op het lipje A fig. 190 van de springveer en verwijder het wisserblad van de arm; 228 190 ❒ draai de contactsleutel naar de stand MAR; ❒ bedien de hendel rechts van het stuurwiel om een wisslag te maken (zie paragraaf "Ruiten reinigen" in het hoofdstuk "Kennismaking met de auto"); ❒ draai de contactsleutel naar de stand STOP wanneer de wisserarm aan bestuurderszijde de zijstijl van de voorruit bereikt en til het wisserblad op naar de ruststand; Uitschakeling van de functie De functie wordt uitgeschakeld als: ❒ twee minuten zijn verstreken sinds de contactsleutel naar STOP is gedraaid; ❒ leg de wisserarm terug tegen de ruit alvorens de ruitenwissers in te schakelen. 37) "Servicestand" Inschakeling van de functie Dankzij de functie "Servicestand" kan de bestuurder de wisserbladen eenvoudiger vervangen, door ze tegen sneeuw te beschermen. Schakel, om deze functie in te schakelen, de ruitenwissers uit (draaischakelaar A fig. 191 in stand O) voordat u de contactsleutel naar STOP draait. Deze functie kan slechts binnen 2 minuten nadat de contactsleutel naar STOP is gedraaid ingeschakeld worden. Beweeg, voor inschakeling van deze functie, de hendel minstens een halve seconde omhoog (onstabiele stand). ❒ de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en de wisserbladen zich in de stopstand bevinden; 191 A0K0557 Elke keer dat de functie correct ingeschakeld wordt, bewegen de wisserbladen om de goede ontvangst van het commando aan te geven. Dit commando kan maximaal drie keer herhaald worden. Daarna wordt de functie uitgeschakeld. Als de sleutel na gebruik van deze functie teruggebracht wordt in de stand MAR en de wisserbladen zich niet in de stopstand bevinden, worden ze uitsluitend in de stopstand van de 1e snelheid gebracht als een commando met die hendel wordt gegeven (door de hendel in de onstabiele stand te brengen) of wanneer sneller dan 5 km/h wordt gereden. ❒ hij 3 keer ingeschakeld is. Wisserblad achterruit vervangen Ga als volgt te werk: ❒ til de afdekking A fig. 192 op, draai de moer B los en verwijder de wisserarm C; 192 A0K0533 ❒ plaats de nieuwe wisserarm op correcte wijze, draai de moer B volledig vast en breng de afdekking A omlaag. 229 ONDERHOUD EN ZORG RUITENSPROEIERS Achterruitsproeier Ruitensproeier De sproeier bevindt zich boven de achterruit fig. 194. De sproeiers van de voorruit zijn niet verstelbaar fig. 193. De koplampsproeiers worden ingeschakeld wanneer bij brandend dimlicht en/of grootlicht de ruitensproeiers worden ingeschakeld. Controleer regelmatig de conditie en de aanwezigheid van vuil in de koplampsproeiers. BELANGRIJK 194 193 A0K0139 Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst of er ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit (zie paragraaf “Controle van vloeistofniveaus” in dit hoofdstuk). A0K0102 De sproeiers van de achterruit zijn niet verstelbaar. KOPLAMPSPROEIERS (voor bepaalde versies/markten) 154) Rijden met versleten wisserbladen is bijzonder gevaarlijk, doordat het zicht onder slechte weersomstandigheden wordt beperkt. Deze bevinden zich in de voorbumper fig. 195. Controleer vervolgens of de sproeikoppen niet verstopt zijn. Gebruik zo nodig een speld om ze vrij te maken. BELANGRIJK 37) Schakel de ruitenwissers niet met van de ruit opgeheven wisserbladen in. 195 230 A0K0534 CARROSSERIE BESCHERMING TEGEN ATMOSFERISCHE INVLOEDEN Op de auto zijn de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie tegen roest te beschermen. Deze omvatten: ❒ lakproducten en lakspuitsystemen die de auto de benodigde weerstand tegen roest en schurende elementen verschaffen ❒ toepassing van verzinkte (of voorbehandelde) plaatdelen met een hoge corrosiebestendigheid; ❒ het aanbrengen van kunststofmaterialen met een beschermende functie op de meest blootgestelde delen: onderzijde portieren, binnenzijde spatborden, randen enz.; ❒ toepassing van "open" holle ruimtes om te voorkomen dat condensvorming en vochtophoping roest van binnenuit bevorderen; ❒ toepassing van speciale beschermlagen op slijtagevoelige delen (bv. achterklep, portieren, etc.). CARROSSERIEGARANTIE De auto bezit een garantie tegen doorroesten, veroorzaakt door corrosie, van alle originele structuur- of carrosseriedelen. Voor de algemene voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar het garantieboekje. TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE Lakwerk 6) 38) Werk beschadigingen van de laklaag, zoals krassen en schuurplekken, onmiddellijk bij om roestvorming te voorkomen. Het normale onderhoud van de lak beperkt zich tot het wassen van de auto: de frequentie is afhankelijk van het gebruik van de auto en van de omgeving. Zo is het bijvoorbeeld raadzaam de auto vaker te wassen in gebieden met sterke luchtverontreiniging of bij het rijden over wegen met strooizout. Bij sommige versies kan de auto op aanvraag worden uitgerust met een exclusieve matte lak die, om intact te blijven, speciale zorg vereist: zie hetgeen beschreven in de 39) waarschuwing. Volg onderstaande aanwijzingen om de auto correct te wassen: ❒ verwijder de antenne van het dak als de auto in een wastunnel wordt gewassen; ❒ als voor het wassen van de auto hogedrukreinigers worden gebruikt, houd dan een afstand van minimaal 40 cm t.o.v. de carrosserie aan om beschadiging of aantasting te voorkomen. Onthoud dat stagnerend water op lange termijn de auto kan beschadigen. ❒ maak de carrosserie eerst nat met een waterstraal onder lage druk; ❒ was de carrosserie met een zachte spons met een lichte zeepoplossing en spoel de spons regelmatig uit; ❒ spoel goed af met schoon water en droog met een luchtstraal of een zeemleren lap. Droog de minder zichtbare delen (bijv. randen van portieren, motorkap, koplampranden) zorgvuldig, aangezien in deze zones water makkelijker kan stagneren. Was de auto nooit als hij in de zon heeft gestaan of als de motorkap nog warm is: de glans van de lak kan afnemen. De kunststof carrosseriedelen moeten op dezelfde wijze als de rest van de auto gewassen worden. 231 ONDERHOUD EN ZORG BELANGRIJK Parkeer de auto zo min mogelijk onder bomen: de hars die uit de bomen druppelt, maakt de lak mat en vergroot de kans op roestvorming. BELANGRIJK Gebruik nooit aromatische stoffen (bijv. benzine) of ketonen (bijv. aceton) om de plastic lampglazen van de koplampen te reinigen. Vogelpoep moet zo snel en zo goed mogelijk verwijderd worden, omdat hierin bijzonder agressieve zuren aanwezig zijn. BELANGRIJK Als de auto met een hogedrukreiniger wordt gewassen, moet de straal op minstens 20 cm van de koplampen worden gehouden. Ruiten Motorruimte Gebruik specifieke schoonmaakmiddelen en schone, zachte doeken om krassen en beschadigingen te voorkomen. Spuit de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig uit: hierbij mag de waterstraal niet rechtstreeks op de elektronische regeleenheden of op de motoren van de ruitenwissers worden gericht. Laat deze werkzaamheden uitvoeren door een gespecialiseerd bedrijf. BELANGRIJK Veeg het binnenoppervlak van de achterruit voorzichtig met een doek af, en volg hierbij de richting van de elektrische weerstandsdraden om de achterruitverwarming niet te beschadigen. Koplampen Gebruik een zachte, vochtige doek die in water met een specifiek autowasmiddel is gedrenkt. 232 BELANGRIJK Voor het uitspuiten van de motorruimte moet de contactsleutel in de stand STOP staan en de motor koud zijn. Controleer na het reinigen of de verschillende beschermingen (bijv. rubberen doppen en kappen) niet verwijderd of beschadigd zijn. BELANGRIJK 6) Schoonmaakmiddelen veroorzaken waterverontreiniging. Was daarom de auto op een plaats waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd. BELANGRIJK 38) Om de esthetische eigenschappen van de lak te behouden, mogen er geen schuur- en/of polijstproducten voor het reinigen van de auto worden gebruikt. 39) Niet wassen met rollen en/of borstels in autowasstraten. Gebruik voor het wassen van de auto, uitsluitend met de hand, pH-neutrale reinigingsmiddelen; droog af met een vochtige zeem. Schuur- en/of polijstmiddelen mogen niet gebruikt worden om de auto schoon te maken. Vogelpoep moet zo snel en zo goed mogelijk verwijderd worden, omdat hierin bijzonder agressieve zuren aanwezig zijn. Vermijd (indien mogelijk) om de auto onder bomen te parkeren; verwijder plantaardige harsen onmiddellijk omdat deze, als deze drogen, alleen verwijderd kunnen worden met schuur- en/of polijstmiddelen die ten zeerste afgeraden zijn omdat ze de karakteristieke matheid van de lak kunnen aantasten. Gebruik geen onverdunde ruitensproeiervloeistof om de voorruit en achterruit te reinigen; verdun dit met minstens 50% water. Gebruik alleen onverdunde ruitensproeiervloeistof wanneer de buitentemperaturen dit vereisen, INTERIEUR 155) 156) 157) Controleer regelmatig of het interieur schoon is, ook onder de matten, om roesten van het plaatwerk te voorkomen. STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger. Gebruik een vochtige borstel voor velours bekleding. Reinig de stoelen met een spons bevochtigd in een oplossing van water en neutrale zeep. LEDEREN STOELEN (voor bepaalde versies/markten) Verwijder het droge vuil met een zeemleren lap of een iets vochtige doek, zonder al te veel druk uit te oefenen. Dep vloeistoffen of vetvlekken op met een absorberende, droge doek zonder hierbij te wrijven. Reinig vervolgens met een zachte doek of een zeemleren lap bevochtigd met water en neutrale zeep. Als de vlek nog niet verwijderd is, gebruik dan een speciaal reinigingsmiddel en volgt de aanwijzingen strikt op. BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol. Controleer of de gebruikte reinigingsproducten geen alcohol of alcoholderivaten, zelfs niet in kleine hoeveelheden bevatten. KUNSTSTOF EN GECOATE INTERIEURDELEN Reinig kunststof interieurdelen met een vochtige doek (bij voorkeur een microvezeldoek) en een oplossing van water en een neutraal, niet-schurend reinigingsmiddel. Gebruik voor het reinigen van olieachtige of hardnekkige vlekken speciale producten zonder oplosmiddelen die het originele voorkomen en de kleur van de interieurdelen niet veranderen. Verwijder stof met een microvezeldoek, eventueel bevochtigd met water. Het gebruik van papieren doekjes wordt afgeraden, aangezien deze resten 40) achterlaten. 233 ONDERHOUD EN ZORG LEDEREN INTERIEURDELEN (voor bepaalde versies/markten) Gebruik uitsluitend water en neutrale zeep om deze delen schoon te maken. Gebruik nooit alcohol of producten op basis van alcohol. Controleer alvorens een specifiek product voor interieurreiniging te gebruiken, of het geen alcohol en/of stoffen op basis van alcohol bevat. BELANGRIJK 40) Gebruik nooit alcohol, benzine en afgeleide producten om het dashboard en het glas van het instrumentenpaneel te reinigen. BELANGRIJK 155) Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine voor het reinigen van het interieur van de auto. De elektrostatische lading die door het wrijven tijdens het reinigen ontstaat, kan brand veroorzaken. 156) Bewaar geen spuitbussen in de auto: ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen niet blootgesteld worden aan temperaturen boven 50°C. Wanneer de auto in de zon staat, kan de binnentemperatuur deze waarde ruim overschrijden. 234 157) Er mogen geen obstakels op de vloer onder de pedalen liggen; verzeker u ervan dat de matten altijd plat liggen en niet in aanraking komen met de pedalen. TECHNISCHE GEGEVENS Alles dat u nuttig kunt vinden om te begrijpen hoe uw auto is gemaakt en hoe hij werkt is in dit hoofdstuk vermeld en wordt toegelicht met gegevens, tabellen en grafieken. Voor de liefhebbers en de monteurs, maar ook gewoon voor degenen die elk detail van hun auto willen kennen. IDENTIFICATIEGEGEVENS..............236 MOTORCODES CARROSSERIEVERSIES.................238 MOTOR ..........................................241 BRANDSTOFTOEVOER ..................246 TRANSMISSIE ................................247 REMMEN ........................................248 WIELOPHANGING ..........................249 STUURINRICHTING ........................250 WIELEN ..........................................251 AFMETINGEN .................................256 PRESTATIES ...................................257 GEWICHTEN...................................258 VULINHOUDEN...............................261 VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN..........................264 BRANDSTOFVERBRUIK .................268 CO2-EMISSIE .................................270 RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN HET VOERTUIG AAN HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR ..........................271 235 TECHNISCHE GEGEVENS IDENTIFICATIE GEGEVENS De identificatiegegevens van de auto zijn: ❒ Typeplaatje met identificatiegegevens; ❒ Chassisnummer; ❒ Identificatieplaatje carrosserielak; ❒ Motorcode. F Max. toelaatbaar gewicht van volgeladen auto met aanhangwagen. G Max. toelaatbaar gewicht op vooras H Max. toelaatbaar gewicht op achteras. I Motortype. L Code van carrosserieversie. M Nummer voor onderdelen. N Correcte waarde van de absorptiecoëfficiënt van de rookgassen (voor dieselmotoren) TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS CHASSISNUMMER Dit plaatje is aangebracht in de motorruimte, op de voorste traverse en bevat de volgende gegevens fig. 196: Dit bevindt zich op de bodemplaat aan passagierszijde, nabij de passagiersstoel. Dit nummer bevat de volgende gegevens: ❒ identificatiecode autotype (ZAR 940000); ❒ chassisnummer. IDENTIFICATIEPLAATJE CARROSSERIELAK Dit plaatje is aangebracht onder de motorkap en bevat de volgende gegevens fig. 198: Open de klep A fig. 197 om toegang te krijgen. 198 A Lakfabrikant. B Kleurnaam. 196 236 B Nummer typegoedkeuring. C Identificatiecode autotype D Chassisnummer. E Max. toelaatbaar gewicht van volgeladen auto C Fiat kleurcode. A0K0024 D Kleurcode voor overspuiten en bijwerken. 197 A0K0750 A0K0025 MOTORCODE Deze is op het cilinderblok ingeslagen en vermeldt het model en het chassisnummer. 237 TECHNISCHE GEGEVENS MOTORCODES - CARROSSERIEVERSIES BENZINE-UITVOERINGEN Versies Motorcode Carrosserieversies 940FXT1A 18 940FXT1A 18B (*) 1.4 Turbo Benzine 120 pk 940B7000 940FXT1A 18C (**) 940FXT1A 18D (*) (**) 940FXU1A 19 940FXU1A 19B (*) 1.4 Turbo Benzine 105 pk (***) 940B8000 940FXU1A 19C (**) 940FXU1A 19D (*) (**) 940FXB1A 01L 940FXB1A 01M (*) 1.4 Turbo MultiAir 170 pk 940A2000 940FXB1A 01N (**) 940FXB1A 01P (*) (**) (*) Versies met extra grote remklauwen (behalve 16" banden) (**) Versies voor markten met beperkt trekvermogen (500 kg) (***) Voor bepaalde versies/markten 238 Versies Motorcode Carrosserieversies 940FXB11 10G (****) 940FXB11 10H (*****) 1.4 Turbo MultiAir 170 pk TCT 940A2000 940FXB11 10L (******) 940FXB11 10M (*******) 940FXB11 10N 1.4 Turbo MultiAir 170 pk TCT (***) 940A2000 940FXB11 10P (*) 940FXG1A 06E 1.4 Turbo MultiAir 163 pk (***) 955A8000 940FXG1A 06F (*) 940FXG11 13C 1.4 Turbo MultiAir 163 pk TCT (***) 955A8000 940FXG11 13D (*) 1750 Turbo Benzine 235 pk (***) 940A1000 940FXC1A 02 (*) Versies met extra grote remklauwen (behalve 16" banden) (***) Voor bepaalde versies/markten (****) Trekgewicht 1300 kg (*****) Uitrustingsniveaus met extra grote remklauwen (trekgewicht 1300 kg) (******) Trekgewicht 0 kg (voor specifieke landen) (*******) Uitrustingsniveaus met extra grote remklauwen (trekgewicht 0 kg voor specifieke landen) 239 TECHNISCHE GEGEVENS DIESELUITVOERINGEN Versies Motorcode Carrosserieversies 940FXD1A 03E 1.6 JTDM 105 pk 940A3000 2.0 JTDM 136 pk (**) 940B6000 2.0 JTDM 163 pk TCT (**) 940B9000 2.0 JTDM 150 pk 940B5000 2.0 JTDM 175 pk TCT 940B4000 940FXD1A 03F (*) 940FXS1A 17 940FXS1A 17B (*) 940FXZ11 21C 940FXZ11 21D (*) 940FXQ1A 15 940FXQ1A 15B (*) 940FXV11 20C (*) Versies met extra grote remklauwen (behalve 16" banden) (**) Voor bepaalde versies/markten 240 940FXV11 20D (*) MOTOR ALGEMENE INFORMATIE 1.4 Turbo Benzine 105 pk (*) 1.4 Turbo Benzine 120 pk 940B8000 940B7000 Otto Otto Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 72,0 x 84,0 72,0 x 84,0 1368 1368 Compressieverhouding 9.8 9.8 Maximum vermogen (EG) (kW) 77 88 Maximum vermogen (EG) (pk) 105 120 bijbehorend toerental (tpm) 5000 5000 Maximum koppel (EG) (Nm) 215 215 Maximum koppel (EG) (kgm) 22 22 2500 2500 NGK IKR9J8 NGK IKR9J8 Loodvrije benzine 95 RON (Specificatie EN228) Loodvrije benzine 95 RON (Specificatie EN228) Motorcode Cyclus Cilinderinhoud (cm³) bijbehorend toerental (tpm) Bougies Brandstof (*) Voor bepaalde versies/markten 241 TECHNISCHE GEGEVENS ALGEMENE INFORMATIE 1.4 Turbo MultiAir 163 pk (*) 1.4 Turbo MultiAir 170 pk 955A8000 940A2000 Otto Otto Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 72,0 x 84,0 72,0 x 84,0 1368 1368 Compressieverhouding 10 10 Maximum vermogen (EG) (kW) 120 125 Maximum vermogen (EG) (pk) 163 170 overeenkomstig motortoerental (tpm) 5500 5500 Motorcode Cyclus Cilinderinhoud (cm³) NATURAL DYNAMIC NATURAL DYNAMIC Maximum koppel (EG) (Nm) 230 250 230 250 Maximum koppel (EG) (kgm) 23.4 25.4 23.4 25.4 bijbehorend toerental (tpm) 2250 2500 2250 2500 Bougies Brandstof (*) Voor bepaalde versies/markten 242 NGK IKR9J8 NGK IKR9J8 Loodvrije benzine 95 RON of 98 RON (Specificatie EN228) Loodvrije benzine 95 RON of 98 RON (Specificatie EN228) ALGEMENE INFORMATIE 1750 Turbo Benzine 235 pk (*) 1.6 JTDM 105 pk 940A1000 940A3000 Otto Diesel Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 83,0 x 80,5 79.5 × 80.5 1742 1598 9.8 16.5 Maximum vermogen (EG) (kW) 172.5 77 Maximum vermogen (EG) (pk) 235 105 bijbehorend toerental (tpm) 5500 4000 Motorcode Cyclus Cilinderinhoud (cm³) Compressieverhouding NATURAL DYNAMIC NATURAL DYNAMIC Maximum koppel (EG) (Nm) 300 340 280 320 Maximum koppel (EG) (kgm) 30.5 34.6 28.5 32.6 bijbehorend toerental (tpm) 4500 1900 1500 1750 Bougies Brandstof NGK ILKAR7D6G – Loodvrije benzine 95 RON of 98 RON (Specificatie EN228) Diesel voor motorvoertuigen (EN 590-specificatie) (*) Voor bepaalde versies/markten 243 TECHNISCHE GEGEVENS ALGEMENE INFORMATIE 2.0 JTDM 150 pk 2.0 JTDM 136 pk(*) 940B5000 940B6000 Cyclus Diesel Diesel Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 83 x 90,4 83 x 90,4 Cilinderinhoud (cm³) 1956 1956 Compressieverhouding 16.5 16.5 Motorcode NATURAL DYNAMIC Maximum vermogen (EG) (kW) 103 110 100 Maximum vermogen (EG) (pk) 140 150 136 bijbehorend toerental (tpm) 3750 3750 3750 NATURAL DYNAMIC NATURAL DYNAMIC Maximum koppel (EG) (Nm) 320 380 320 380 Maximum koppel (EG) (kgm) 32.5 38.7 32.5 38.7 bijbehorend toerental (tpm) 1500 1750 1500 1750 Bougies Brandstof (*) Voor bepaalde versies/markten 244 – – Diesel voor motorvoertuigen (EN 590-specificatie) Diesel voor motorvoertuigen (EN 590specificatie) ALGEMENE INFORMATIE 2.0 JTD M 175 pk 2.0 JTDM 163 pk(*) 940B4000 940B9000 Cyclus Diesel Diesel Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn Boring en slag zuigers (mm) 83 x 90,4 83 x 90,4 Cilinderinhoud (cm³) 1956 1956 Compressieverhouding 16.5 16.5 Typecode NATURAL DYNAMIC Maximum vermogen (EG) (kW) 125 128.5 120 Maximum vermogen (EG) (pk) 170 175 163 overeenkomstig motortoerental (tpm) 3750 3750 4000 NATURAL DYNAMIC NATURAL DYNAMIC Maximum koppel (EG) (Nm) 320 350 320 350 Maximum koppel (EG) (kgm) 32.5 35.6 32.5 35.6 bijbehorend toerental (tpm) 1500 1750 1500 1750 Bougies Brandstof – – Diesel voor motorvoertuigen (EN 590-specificatie) Diesel voor motorvoertuigen (EN 590specificatie) (*) Voor bepaalde versies/markten 245 TECHNISCHE GEGEVENS BRANDSTOFTOEVOER Versies 1.4 Turbo MultiAir 1.4 Turbo Benzine - 1750 Turbo Benzine 1.6 JTDM - 2.0 JTDM Brandstoftoevoer Gefaseerde sequentiële elektronische inspuiting, met pingelcontrole en variabele bediening van de inlaatkleppen Elektronisch geregelde gefaseerde sequentiële elektronische multipoint inspuiting met turbo en intercooler Elektronisch geregelde Common Rail Multijet directe inspuiting met turbo en intercooler 158) BELANGRIJK 158) Wijzigingen of reparaties aan het brandstoftoevoersysteem die niet correct zijn uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische systeemgegevens, kunnen storingen in de werking en zelfs brand tot gevolg hebben. 246 TRANSMISSIE Versies Versnellingsbak Koppeling Aandrijving Zes gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit. Zelfinstellend met pedaal zonder vrije slag Voor 1.4 Turbo Benzine 1.4 Turbo MultiAir 1750 Turbo Benzine 1.6 JTDM 2.0 JTDM 247 TECHNISCHE GEGEVENS 248 REMMEN Versies Voorremmen Achterremmen Parkeerrem Geventileerde schijfremmen Schijfremmen Bediend met handremhefboom die op de achterremmen inwerkt 1.4 Turbo Benzine 1.4 Turbo MultiAir 1750 Turbo Benzine 1.6 JTDM 2.0 JTDM BELANGRIJK Water, ijs en strooizout op de wegen kunnen zich afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remwerking iets later wordt bereikt. WIELOPHANGING Versies Voor Achter Onafhankelijke wielophanging van McPherson type met stabilisatorstang Multilink-wielophanging 1.4 Turbo Benzine 1.4 Turbo MultiAir 1750 Turbo Benzine 1.6 JTDM 2.0 JTDM 249 TECHNISCHE GEGEVENS 250 STUURINRICHTING Versies Draaicirkel (tussen stoepranden) Type 10,925 m Tandheugelstuurinrichting met elektrische stuurbekrachtiging (Dual Pinion systeem) 1.4 Turbo Benzine 1.4 Turbo MultiAir 1750 Turbo Benzine 1.6 JTDM 2.0 JTDM WIELEN Snelheidscategorie voor winterbanden QM + S max. 160 km/h TM + S max. 190 km/h HM + S max. 210 km/h VELGEN EN BANDEN Geperste stalen of lichtmetalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Alle typegoedgekeurde banden zijn op het kentekenbewijs vermeld. BELANGRIJK Als de gegevens in het instructieboek afwijken van die van het kentekenbewijs, dient men zich altijd aan de gegevens van het kentekenbewijs te houden. Voor de rijveiligheid moeten alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en type. BELANGRIJK Monteer geen binnenbanden in tubeless banden. RUIMTEBESPAREND RESERVEWIEL Geperst stalen velg. Tubeless band. DE BANDENMAAT LEZEN Voorbeeld fig. 199: 205/55 R 16 91V 205 Nominale bandbreedte (S, afstand in mm tussen de flanken) 55 Verhouding van de bandhoogte/ bandbreedte (H/S) in % R Radiaalband Belastingsindex (laadvermogen) 199 16 Doorsnee van de velg in inches (Ø) 91 Belastingsindex (laadvermogen) V Snelheidscategorie Snelheidscategorie Q max. 160 km/h R max. 170 km/h S max. 180 km/h T max. 190 km/h U max. 200 km/h H max. 210 km/h V max. 240 km/h W max. 270 km/h Y max. 300 km/h 60 = 250 kg 76 = 400 kg 61 = 257 kg 77 = 412 kg 62 = 265 kg 78 = 425 kg 63 = 272 kg 79 = 437 kg 64 = 280 kg 80 = 450 kg 65 = 290 kg 81 = 462 kg 66 = 300 kg 82 = 475 kg 67 = 307 kg 83 = 487 kg 68 = 315 kg 84 = 500 kg 69 = 325 kg 85 = 515 kg 70 = 335 kg 86 = 530 kg 71 = 345 kg 87 = 545 kg 72 = 355 kg 88 = 560 kg 73 = 365 kg 89 = 580 kg 74 = 375 kg 90 = 600 kg 75 = 387 kg 91 = 615 kg A0K0043 251 TECHNISCHE GEGEVENS VERKLARING VAN DE VELGCODES BAND MET VELGBESCHERMING 159) Voorbeeld fig. 199: 7 J x 16 H2 ET 41 7 velgdoorsnee in inches (1). J profiel van de flens (zijaanzicht waarop de bandhiel rust) (2). 16 nominale velgdiameter in inch (komt overeen met de diameter van de te monteren band) (3 = Ø). H2 vorm en aantal "humps" (vorm van de velgrand die de hiel van de Tubeless band op zijn plaats houdt). ET 41 wielbolling (afstand tussen het montagevlak van de velg op de naaf en het hart van de velg). BELANGRIJK 159) Indien op de stalen velgen met integrale wieldeksels (met veerbevestiging) aftersalesbanden met velgbeschermers worden gemonteerd (fig. 200), dan mogen de wieldeksels NIET gemonteerd worden. Het gebruik van ongeschikte banden en wieldeksels kan leiden tot een plotseling verlies van de bandenspanning. 200 252 A0K0159 STANDAARD VELGEN EN BANDEN Versies Velgen Standaard banden Winterbanden Ruimtebesparend reservewiel Velg 1.4 Turbo Benzine 1.4Turbo MultiAir 1.6JTDM 2.0JTDM 1.4 Turbo Benzine (***) 1.4 Turbo MultiAir (***) 1.6 JTDM (***) 2.0 JTDM (***) 1750 Turbo Benzine (*) 7Jx16 H2 ET 41 (*) 195/55 R16 91V REINFORCED (*) 195/55 R16 91Q REINFORCED (*) 7Jx16 H2 ET 41 205/55 R16 91V 205/55 R16 91Q 7 1/2 Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91W 225/45 R17 91Q 7 1/2 Jx18 H2 ET 41 (*) 225/40 R18 92W REINFORCED (*) (**) 225/40 R18 92Q REINFORCED 7 1/2 Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91W 225/45 R17 91Q 7 1/2 Jx18 H2 ET 41 225/40 R18 92W VERSTERKT (**) 225/40 R18 92Q VERSTERKT 7 1/2 Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91W 225/45 R17 91Q 7 1/2 Jx18 H2 ET 41 225/40 R18 92W VERSTERKT (**) 225/40 R18 92Q VERSTERKT T135/70 R16 100M T125/80 R17 99M Band 4B x 16 ET 22 4B x 17 ET 25 T125/80 R17 99M 4B x 17 ET 25 T125/80 R17 99M 4B x 17 ET 25 (*) Voor bepaalde versies/markten (**) Geen montage van sneeuwkettingen mogelijk (***) Versies met vergrote remklauwen Bij versies met 195/55 R16", 205/55 R16" en 225/45 R17" banden, kunnen sneeuwkettingen met smalle schakels gebruikt worden, die maximaal 9 mm uitsteken buiten het bandprofiel. 253 TECHNISCHE GEGEVENS BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) STANDAARD BANDEN VERSIES GEMIDDELDE BELASTING VOLLE BELASTING Voor Achter Voor Achter MAAT 1.4 Turbo benzine 115/120 pk 1.6 JTDM 195/55 R16 91V VERSTERKT 205/55 R16 91V 225/45 R17 91W 225/40 R18 92W VERSTERKT 2,6 2,3 2,3 2,6 2,2 2,1 2,1 2,2 3,0 2,7 2,7 3,0 2,6 2,3 2,3 2,6 1.4 Turbo Benzine 105 pk (*) 195/55 R16 91V VERSTERKT 205/55 R16 91V 225/45 R17 91W 225/40 R18 92W VERSTERKT 2,6 2,3 2,3 2,5 2,2 2,1 2,1 2,3 2,9 2,5 2,6 2,9 2,5 2,1 2,2 2,5 (*) Voor bepaalde versies/markten Bij warme banden moet de bandenspanning +0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de bandenspanning bij koude banden. Bij winterbanden moet de bandenspanning +0,2 bar worden verhoogd t.o.v. de voorgeschreven spanningswaarde voor de normale banden. Wanneer met een snelheid van meer dan 160 km/h wordt gereden, moeten de banden op de bandenspanning voor volgeladen auto zijn gepompt. 254 STANDAARD BANDEN GEMIDDELDE BELASTING VERSIES VOLLE BELASTING MAAT Voor Achter Voor Achter 1.4 Turbo MultiAir 2.0 JTDM 195/55 R16 91V VERSTERKT 205/55 R16 91V 225/45 R17 91W 225/40 R18 92W VERSTERKT 2,6 2,3 2,3 2,6 2,2 2,1 2,1 2,2 3,0 2,7 2,7 3,0 2,6 2,3 2,3 2,6 1750 Turbo Benzine (*) 225/45 R17 91W 225/40 R18 92W VERSTERKT 2,3 2,6 2,1 2,2 2,7 3,0 2,3 2,6 Ruimtebesparend reservewiel T135/70 R16 100M T125/80 R17 99M 4.2 (*) Voor bepaalde versies/markten Bij warme banden moet de bandenspanning +0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de bandenspanning bij koude banden. Bij winterbanden moet de bandenspanning +0,2 bar worden verhoogd t.o.v. de voorgeschreven spanningswaarde voor de normale banden. Wanneer met een snelheid van meer dan 160 km/h wordt gereden, moeten de banden op de bandenspanning voor volgeladen auto zijn gepompt. 255 TECHNISCHE GEGEVENS AFMETINGEN De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een auto die met originele banden is uitgerust. De hoogte heeft betrekking op een onbeladen auto. INHOUD BAGAGERUIMTE Inhoud (V.D.A.-norm): = 350 dm3 201 A0K0822 A B C D E F G H 4351 955 2634 762 1465 1554 1798 1554 Afhankelijk van de velgmaat kunnen er kleine variaties in de afmetingen voorkomen. 256 PRESTATIES Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (sec.) 1.4 Turbo Benzine 120 pk 195 9,4 1.4 Turbo Benzine 105 pk (*) 185 10,6 1.4 Turbo MultiAir 163/170 pk (*) 218 7,8 1.4 Turbo MultiAir 163 pk TCT (*) 218 7.7 1.4 Turbo MultiAir 170 pk TCT 218 7.7 1750 Turbo Benzine 235 pk (*) 242 6.8 1.6 JTDM 105 pk 185 11,3 2.0 JTDM 136pk (*) 205 – 2.0 JTDM 150 pk 210 8,8 2.0 JTDM 163 pk TCT (*) 215 8.2 2.0 JTDM 175 pk TCT 219 7.8 Versies (*) Voor bepaalde versies/markten 257 TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN Gewichten 1.4 Turbo Benzine 1.4 Turbo MultiAir(*) 1.4 Turbo MultiAir(**) Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 1280 1290 1305 Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (***) 505 505 505 – vooras 1100 1100 1100 – achteras 850 850 850 – totaal: 1785 1795 1810 - geremde aanhanger 1300 1300 1300 / 0 (****) – ongeremde aanhanger 500 500 500 Max. dakbelasting 50 50 60 Max. toelaatbare kogeldruk(geremde aanhanger): 60 60 60 Maximum toelaatbare belastingen (****) Trekgewichten (kg) (*) Versies met handgeschakelde versnellingsbak (**) Versies met Alfa TCT (***) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht, waardoor het laadvermogen daalt, omdat de max. toelaatbare belastingen niet mogen worden overschreden. (****) Landen met heet-vochtig klimaat 258 Gewichten 1750 Turbo Benzine 235 pk (*) 1.6 JTDM Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 1320 1310 Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (**) 505 505 – vooras 1100 1100 – achteras 850 850 – totaal: 1825 1815 Maximum toelaatbare belastingen (***) Trekgewichten (kg) 1300 - geremde aanhanger 1300 – ongeremde aanhanger 500 500 Max. dakbelasting 50 50 Max. toelaatbare kogeldruk(geremde aanhanger): 60 60 (*) Voor bepaalde versies/markten (**) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht, waardoor het laadvermogen daalt, omdat de max. toelaatbare belastingen niet mogen worden overschreden. (***) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of laadvloer worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden. 259 TECHNISCHE GEGEVENS Gewichten 2.0 JTDM (*) 2.0 JTDM (**) Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) 1320 1335 Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (***) 505 505 – vooras 1100 1100 – achteras 850 850 – totaal: 1825 1840 Maximum toelaatbare belastingen (****) Trekgewichten (kg) 1300 - geremde aanhanger 1300 / 600 (*****) – ongeremde aanhanger 500 500 Max. dakbelasting 50 50 Max. toelaatbare kogeldruk(geremde aanhanger): 60 60 (*) Versies met handgeschakelde versnellingsbak (**) Versies met Alfa TCT (***) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht, waardoor het laadvermogen daalt, omdat de max. toelaatbare belastingen niet mogen worden overschreden. (****) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of laadvloer worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden. (*****) 2.0 JTDM 163 pk TCT versies 260 VULINHOUDEN 1.4 Turbo Benzine 1.4 Turbo MultiAir liter kg liter kg 60 – 60 – inclusief een reserve van 8 - 10 – 8 - 10 – Motorkoelsysteem– met klimaatregeling: 5,7 5,0 5,7 5,0 50-50 Mengsel van water en PARAFLU UP (*) Carterpan 2,75 2,3 3,1 2,6 SELENIA StAR P.E. (versies 1.4 Turbo Benzine) Carterpan en filter 3,1 2,6 3,5 2,9 SELENIA DIGITEK P.E. (versies 1.4 Turbo MultiAir) Differentieelhuis/ versnellingsbak 2.0 1.7 2.0 1,7 TUTELA TRANSMISSION GEARFORCE Hydraulisch remsysteem met ABS 0,83 0,78 0,83 0,78 TUTELA TOP 4 2,8 (4,6) 2,5 (4,1) 2,8 (4,6) 2,5 (4,1) Brandstoftank Ruitensproeier/ achterruitsproeier/ koplampsproeier vloeistofreservoir (**) Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen Loodvrije benzine met octaangetal van ten minste 95 RON (specificatie EN228) Mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC 35 (*) Onder zeer strenge klimaatcondities is een mengsel van 60% UP en 40% gedemineraliseerd water aanbevolen. (**) Het getal tussen haakjes heeft betrekking op versies met koplampsproeiers 261 TECHNISCHE GEGEVENS 1750 Turbo Benzine 235 pk (*) liter kg 60 – 8 - 10 – Motorkoelsysteem (met klimaatregeling) 6,4 5,7 Carterpan 5,0 4,25 Carterpan en filter 5,1 4,35 Behuizing automatische versnellingsbak 2,0 1,7 TUTELA TRANSMISSION GEARFORCE Hydraulisch remcircuit met ABS (antiblokkeersysteem van de wielen) 0,83 0,78 TUTELA TOP 4 2,8 (4,6) 2,5 (4,1) Brandstoftank inclusief een reserve van Loodvrije benzine met octaangetal van ten minste 95 RON (specificatie EN228) Mengsel van 50% gedestilleerd water en 50% PARAFLUUP (***) SELENIA SPORT POWER Ruitensproeier/achterruitsproeier/ koplampsproeier vloeistofreservoir (**) (*) Voor bepaalde versies/markten (**) Het getal tussen haakjes heeft betrekking op versies met koplampsproeiers (***) Onder zeer strenge klimaatcondities is een mengsel van 60% UP en 40% gedemineraliseerd water aanbevolen. 262 Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen Mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC 35 1.6 JTDM 2.0 JTDM Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen liter kg liter kg 60 – 60 – inclusief een reserve van 8 - 10 – 8 - 10 – Motorkoelsysteem– met klimaatregeling: 6,8 6,0 6,7 5,9 Carterpan 4,0 3,4 4,0 3,4 – – 4.4 3.6 4,2 3,5 4,2 3,5 – – 4.8 4.0 Differentieelhuis/ versnellingsbak 2.0 1.7 2.0 1.7 TUTELA TRANSMISSION GEARFORCE Hydraulisch remsysteem met ABS 0,83 0,78 0,83 0,78 TUTELA TOP 4 2,8 (4,6) 2,5 (4,1) 2,8 (4,6) 2,5 (4,1) Brandstoftank Carterpan (versies met Alfa TCT) Diesel voor motorvoertuigen (EN 590specificatie) 50-50 Mengsel van water en PARAFLU UP (**) SELENIA WR FORWARD Carterpan en filter Carterpan en filter (versies met Alfa TCT) Ruitensproeier/ achterruitsproeier/ koplampsproeier vloeistofreservoir (*) Mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC 35 (*) Het getal tussen haakjes heeft betrekking op versies met koplampsproeiers (**) Onder zeer strenge klimaatcondities is een mengsel van 60% UP en 40% gedemineraliseerd water aanbevolen. 263 TECHNISCHE GEGEVENS VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN Uw auto is voorzien van een motorolie die grondig ontwikkeld en getest is om aan de vereisten van het Geprogrammeerd Onderhoudsschema te voldoen. Constant gebruik van de voorgeschreven smeermiddelen garandeert de specificaties van brandstofverbruik en emissies. De kwaliteit van het smeermiddel is van essentieel belang voor de werking en de levensduur van de motor. PRODUCTSPECIFICATIES Gebruik Smeermiddel voor benzinemotoren (1.4 Turbo Petrol) 41) Eigenschappen van vloeistoffen en smeermiddelen voor een correcte werking van de auto SAE 5W-40 ACEA C3 klasse, volledig synthetisch smeermiddel 9.55535-S2 specificatie Smeermiddel voor SAE 0W-30 ACEA C2 klasse, volledig synthetisch benzinemotoren (1.4 Turbo MultiAir) smeermiddel 9.55535-GS1 specificatie 41) 264 Originele vloeistoffen en smeermiddelen Verversingsinterval SELENIA StAR P.E. Contractual Technical Reference N° F603.D08 Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema SELENIA DIGITEK P.E. Contractual Technical Reference N° F020.B12 Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema Gebruik Smeermiddel voor benzinemotoren (alleen 1750 Turbo benzineversies) Eigenschappen van vloeistoffen en smeermiddelen voor een correcte werking van de auto Originele vloeistoffen en smeermiddelen Verversingsinterval SAE 5W-40 ACEA C3 klasse, volledig synthetisch smeermiddel FIAT 9.55535-GH2 specificatie SELENIA SPORT POWER Contractual Technical Reference No. F052.H12 Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema SAE 0W-30 ACEA C2 volledig synthetisch smeermiddel FIAT 9.55535-DS1 specificatie SELENIA WR FORWARD Contractual Technical Reference No. F842.F13 Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema 41) Smeermiddel voor dieselmotoren 41) In noodgevallen kunnen voor het bijvullen, als er geen smeermiddelen met de voorgeschreven specificaties beschikbaar zijn, producten gebruikt worden die minimaal voldoen aan de ACEA-specificaties; in dit geval zijn de optimale prestaties van de motor niet gegarandeerd. Voor motoren met MultiAir systemen uitsluitend smeermiddelen met aangegeven SAE-waarde en specificaties gebruiken. BELANGRIJK 41) Het gebruik van producten met andere dan de hierboven aangegeven specificaties kan leiden tot beschadigingen aan de motor die niet door de garantie worden gedekt. 265 TECHNISCHE GEGEVENS Gebruik Originele vloeistoffen en smeermiddelen Toepassingen SAE 75W synthetisch smeermiddel. FIAT 9.55550-MZ6 kwalificatie TUTELA TRANSMISSION GEARFORCE Contractual Technical Reference No. F002.F10 Versnellingsbakken en differentiëlen (handgeschakeld) Vet met molybdeendisulfide, voor gebruik op hoge temperaturen. NL.G.I. 1-2 consistentie FIAT 9.55580 kwalificatie TUTELA ALL STAR Contractual Technical Reference No. F702.G07 Homokinetische koppelingen aan wielzijde Vet met een lage wrijvingscoëfficiënt voor homokinetische koppelingen NL.G.I. 0-1 consistentie FIAT 9.55580 kwalificatie TUTELA STAR 700 Contractual Technical Reference No. F701.C07 Homokinetische koppelingen aan differentieelzijde Smeermiddel voor elektrohydraulische Volledig synthetische olie met speciaal additief. actuator (versies FIAT 9.55550-SA1 kwalificatie met Alfa TCT) TUTELA CS SPEED Contractual Technical Reference No. F005.F98 Smeermiddel voor elektrohydraulische actuator Synthetische vloeistof voor rem- en koppelingssystemen. Overtreft de specificaties: FMVSS nr. 116 DOT 4, ISO 4925, SAE J1704. FIAT 9.55597 kwalificatie TUTELA TOP 4 Contractual Technical Reference No. F001.A93 Hydraulisch remsysteem en hydraulische koppelingsbediening Smeermiddelen en vetten voor krachtover brengingen Remvloeistof 266 Eigenschappen van vloeistoffen en smeermiddelen voor een correcte werking van de auto Eigenschappen van vloeistoffen en smeermiddelen voor een correcte werking van de auto Originele vloeistoffen en smeermiddelen Toepassingen Roodgekleurd beschermingsmiddel met antivrieswerking, op basis van geïnhibeerd Beschermingsmiddelmonoethyleenglycol met organische formule. voor radiateurs Overtreft CUNA NC 956-16, ASTM D 3306 specificaties. FIAT 9.55523 kwalificatie PARAFLUUP (*) Contractual Technical Reference No. F101.M01 Gebruikspercentage: 50% gedemineraliseerd water 50% PARAFLUUP (**) Additief voor dieselolie Additief voor dieselolie met antivries en beschermende werking voor dieselmotoren. TUTELA DIESEL ART Contractual Technical Reference No. F601.L06 Te mengen met diesel (25 cc per 10 liter) Vloeistof ruitensproeier/ achterruitsproeier/ koplampsproeier Mengsel van alcohol, water en tensioactieve stoffen CUNA NC 956-11. FIAT 9.55522 kwalificatie TUTELA PROFESSIONAL SC 35 Contractual Technical Reference No. F201.D02 Verdund of onverdund gebruiken voor ruitenwissers/ ruitensproeiers Gebruik (*)BELANGRIJK Niet bijvullen of mengen met andere vloeistoffen die andere specificaties hebben dan de beschreven vloeistoffen. (**)Wanneer de auto onder bijzonder extreme klimaatomstandigheden wordt gebruikt, adviseren wij een mengsel van 60% PARAFLUUP en 40% gedemineraliseerd water. 267 TECHNISCHE GEGEVENS 268 BRANDSTOFVERBRUIK De gegevens over het brandstofverbruik die vermeld zijn in onderstaande tabellen zijn bepaald op basis van de typegoedkeuringstests in overeenstemming met specifieke Europese Richtlijnen. Het brandstofverbruik is volgens onderstaande procedures gemeten: ❒ stadscyclus: koude start gevolgd door een gesimuleerde testrit in stadsverkeer; ❒ cyclus op buitenwegen: frequent accelereren in alle versnellingen, waarbij een testrit op buitenwegen wordt gesimuleerd: de snelheid varieert tussen 0 en 120 km/h; ❒ gecombineerd brandstofverbruik: hierbij telt de waarde van de stadscyclus voor 37% en de cyclus op buitenwegen voor 63% mee. BELANGRIJK Het type route, verkeerssituatie, weersomstandigheden, rijstijl, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau/ accessoires, gebruik van de airconditioning, lading van de auto, imperiaal op het dak en andere situaties die de aerodynamica kunnen beïnvloeden, leiden tot andere verbruikscijfers dan de hier vermelde cijfers. BRANDSTOFVERBRUIK VOLGENS GELDENDE EUROPESE RICHTLIJNEN (liter/100 km) Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd 1.4 Turbo Benzine 8,3 5,3 6,4 1.4 Turbo MultiAir 7,6 4,6 5,7 1.4 Turbo MultiAir 163/170 pk TCT 6.6 4.3 5.1 1.4 Turbo MultiAir 170 pk TCT (*) 6.4 4.2 5.0 1750 Turbo Benzine 235 pk (*) 10.8 5.8 7.6 1.6 JTDM 105 pk 5,0 3,4 4,0 2.0 JTDM 136/150 pk 5.0 3.7 4.2 2.0 JTDM 163 pk TCT (*) 5.2 3.9 4.4 2.0 JTDM 175 pk TCT 5.2 3.9 4.4 (*) Voor bepaalde versies/markten 269 TECHNISCHE GEGEVENS CO2-EMISSIE De CO2-emissieniveaus in de volgende tabellen hebben betrekking op het gecombineerde verbruik. Versies 1.4 Turbo Benzine 148 1.4 Turbo MultiAir 163/170 pk 131 1.4 Turbo MultiAir 170 pk TCT 119 1.4 Turbo MultiAir 163 pk TCT (*) 119 1.4 Turbo MultiAir 170 pk TCT (*) 117 1750 Turbo Benzine 235 pk (*) 177 1.6 JTDM 105 pk 104 2.0 JTDM 136/150 pk 110 2.0 JTDM 175 pk TCT 116 2.0 JTDM 163 pk TCT (*) 116 (*) Voor bepaalde versies/markten 270 CO2-emissie volgens huidige Europese richtlijn (g/km). RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN HET VOERTUIG AAN HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR Al jaren zet FCA zich volledig in voor de bescherming van het milieu via de continue verbetering van de productieprocessen en de realisatie van producten die steeds "eco-compatibeler" zijn. Om de klanten de best mogelijke service te garanderen in overeenstemming met de milieuwetgeving en conform de Europese richtlijn 2000/53/EG inzake de behandeling van voertuigen aan het einde van hun levensduur, biedt FCA haar klanten de mogelijkheid hun voertuig aan het einde van zijn levensduur zonder extra kosten in te leveren. De Europese richtlijn bepaalt namelijk dat het voertuig kan worden ingeleverd zonder kosten voor de laatste houder of eigenaar als het voertuig geen of een negatieve marktwaarde heeft. Voor de kosteloze inlevering van het voertuig aan het einde van zijn levensduur kunt u zich tot een van onze dealers of tot een bevoegd FCA inzamelings- en verwerkingsbedrijf wenden. Deze bedrijven zijn zorgvuldig geselecteerd en bieden kwaliteitservice voor de inzameling, verwerking en recycling van afgedankte auto’s met respect voor het milieu. Meer informatie over deze centra voor inzameling en verwerking kunt u vinden bij het FCA Servicenetwerk of door het nummer te bellen in het Garantieboekje of door de websites van de verschillende FCA-merken te raadplegen. 271 WAT TE DOEN ALS Storing Mogelijke oplossing ... EEN BAND LEK IS. Gebruik de Fix&Go automatische bandenreparatiekit. Zie pag. 184. ... EEN BAND LEEG IS. Herstel de bandenspanning. Zie pag. 251. ... DE ACCU LEEG IS. – Zie pag. 225 of neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ... DE PLAFONDVERLICHTING NIET INSCHAKELT. Vervang het lampje. Zie pag. 194 of neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Controleer de betreffende veiligheidszekering. Zie pag. 196 of neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Vervang het lampje. Zie pag. 191 of neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ... DE AFSTANDSBEDIENING NIET WERKT. Vervang de batterijen in de afstandsbediening. Zie pag. 12. ... DE SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING KWIJT IS. Vraag om een extra afstandsbediening. Zie pag. 12 Controleer de betreffende veiligheidszekering. Zie pag. 196 of neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Laat de betreffende motor voor het openen/ sluiten van de ruit controleren Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ... EEN EXTERNE LAMP (grootlicht, dimlicht...) NIET INSCHAKELT. ... EEN ELEKTRISCHE RUIT NIET WERKT Storing Mogelijke oplossing ... EEN WAARSCHUWINGSLAMPJE OP HET INSTRUMENTENPANEEL GAAT BRANDEN. – Zie pag. 107. ... DE MOTOR NIET START, DE STARTMOTOR NIET DRAAIT De accu is leeg en moet vervangen worden. Zie pag. 225. ... DE MOTOR NIET START OF AFSLAAT TIJDENS HET RIJDEN. Controleer of er genoeg brandstof in de tank is. Zie pag. 261. ... DE MOTOR NIET START NA EEN BOTSING. Controleer of de afsluiter van de brandstoftoevoer in werking is getreden. Zie pag. 47. ... EEN TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR WORDT AANGEGEVEN. Controleer het koelvloeistofniveau. Zie pag. 223, neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ... EEN OVERMATIGE REMBLOKSLIJTAGE WORDT AANGEGEVEN. Vervang de versleten remblokken. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ... DE VERSNELLINGEN NIET INGESCHAKELD KUNNEN WORDEN. Laat de versnellingsbak/transmissie controleren. Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ... PRESTATIEVERLIES VAN DE MOTOR, SLECHTE RIJEIGENSCHAPPEN, HOGE UITLAATGASEMISSIES EN VERBRUIK OPTREDEN. Laat het EOBD-/inspuitsysteem controleren. Zie pag. 78, neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ... HET ABS NIET WERKT. Laat het ABS controleren. Zie pag. 66, neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk. ALFABETISCH REGISTER Aanhangers trekken...................... – Montage van de trekhaak.......... Aansteker....................................... ABS ............................................... Accu .............................................. – advies voor verlengen levensduur ................................ – vervangen ................................. Accu (opladen) ............................... Achterruitsproeier – vloeistofniveau achterruitsproeier ...................... Achterruitsproeier/-wisser .............. Achterruitwisser – wisserblad vervangen................ Achteruitkijkspiegels....................... – Binnenspiegel............................ – Buitenspiegels........................... Afmetingen..................................... AFS adaptieve lichten (Adaptive Frontlight System) ........................ Afsluiter van de brandstoftoevoer ... Alarmknipperlichten........................ "Alfa DNA"-systeem ...................... 173 174 51 66 225 ALFA TCT ...................................... 163 Armsteun achter ............................ 50 Armsteun voor ............................... 49 Asbak ............................................ 51 ASR-systeem (Anti-Slip Regulation)................................... 66 Automatische dual-zone klimaatregeling ............................. 29 Bagageruimte ............................... 225 225 205 223 42 229 21 21 22 256 40 48 47 – “Natural” Modus........................ – Rijmodussen ............................. 70 70 70 Alfa Romeo code systeem ............ 10 – Achterklep openen in geval van nood................................... – Bagagehaken............................ – Bagagenet ................................ – Bagageruimte openen ............... – Bagageruimte sluiten................. – Bagageruimte uitbreiden ........... – Initialisatie bagageruimte ........... – Lading vastzetten ...................... Bagageruimteverlichting – lamp vervangen......................... Banden – bandenspanning ....................... – de bandenmaat lezen................ – Fix&Go Automatic (kit) ............... Bedieningselementen..................... Bedieningsknoppen ....................... Brandblusser.................................. Brandstofbesparing........................ Brandstofmeter .............................. Brandstoftoevoer ........................... 59 60 62 62 59 60 60 60 62 195 254 251 184 47 92 52 172 103 246 Brandstofverbruik........................... 268 Buitenverlichting............................. 37 Carrosserie – bescherming tegen atmosferische invloeden ............ – garantie..................................... – onderhoud ................................ CBC-systeem (Cornering Brake Control) ........................................ Centrale portiervergrendeling ......... CO2-emissie .................................. CODE-card .................................... Contactslot .................................... – Stuurslot ................................... Cruise-control ................................ Dagverlichting (DRL) ..................... Dashboardkastverlichting – lamp vervangen......................... De auto langdurig stallen................ De motor starten............................ De motor starten............................ – Rollend starten .......................... – Starten met hulpaccu ................ Derde remlicht – lamp vervangen......................... De sleutels ..................................... – CODE-card ............................... – Sleutel met afstandsbediening ..................... 231 231 231 66 47 270 11 16 16 43 38 195 176 160 178 178 178 193 11 11 11 ALFABETISCH REGISTER – Sleutel zonder afstandsbediening ..................... 11 Diefstalalarm .................................. 14 Dieselfilter ...................................... 225 Dimlicht – lamp vervangen......................... 191 Display ........................................... 90 DPF (roetfilter) ................................ 87 DST-systeem (Dynamic Steering Torque)......................................... 68 Dual pinion stuurbekrachtiging ....... 79 Gebruik van de versnellingsbak ...... 162 Geprogrammeerd onderhoud......... 210 EBD-systeem................................ 66 Een lamp vervangen....................... 188 – Algemene instructies ................. 188 Een wiel vervangen ........................ 179 Handbediende airconditioning....... “Electronic Q2”-systeem (“E-Q2”) ....................................... 68 Elektrische ruitbediening ............... 57 57 78 – Bedieningselementen ................ EOBD-systeem .............................. ESC-systeem (Electronic Stability Control) ........................... Extra verwarming ........................... 65 36 Fix&Go Automatic kit .................... "Follow me home" systeem........... Frontairbag bestuurderszijde ......... 184 Gear Shift Indicator ....................... 91 39 152 Frontairbag passagierszijde............ 152 Frontairbags................................... 152 Geprogrammeerd onderhoudsschema ..................... Gewichten...................................... Gordelspanners ............................. – Krachtbegrenzers...................... Grootlicht ....................................... – lamp vervangen......................... Grootlichtsignaal ............................ 211 258 141 141 39 191 39 25 Handrem........................................ 162 HBA-systeem................................. 67 Herconfigureerbaar multifunctioneel display ................ 90 Hill Holder-systeem ........................ 67 Hoofdairbags (window bags).......... 156 Hoofdsteunen ................................ 19 – “Anti-Whiplash” voorziening....... 20 – Hoofdsteunen achter................. 20 – Hoofdsteunen voor.................... 19 Identificatiegegevens – Chassisnummer ........................ – identificatieplaatje carrosserielak ............................ – motorcode ................................ – typeplaatje met identificatiegegevens ................. Imperiaal/skidrager......................... 236 236 237 236 63 Inbouwvoorbereiding voor autoradio ..................................... Inbouwvoorbereiding voor "Isofix" kinderzitje ......................... Installatie van elektrische/elektronische systemen ..................................... Instapverlichting ............................. – lamp vervangen......................... Instrumentenpaneel........................ – Herconfigureerbaar multifunctioneel display ............. – Multifunctioneel display ............. Interieur (reiniging) .......................... Interieuruitrusting............................ iTPMS-systeem.............................. 80 148 80 40 195 101 102 101 233 49 76 Kentekenverlichting – lamp vervangen......................... 193 Klimaatcomfort............................... 24 – Uitstroomopeningen/roosters .... 24 Klimaatregeling............................... 23 – Luchtrooster achter ................... 23 – Luchtroosters aan zijkant........... 23 – Luchtroosters boven ................. 23 – Luchtroosters in het midden...... 23 Koelvloeistoftemperatuurmeter....... 103 Koplampen .................................... 64 – Hoogteregeling koplampen ....... 64 – Koplampafstelling in het buitenland ................................. 65 – lamp vervangen......................... 191 – Lichtbundel afstellen.................. 64 Koplampsproeiers .......................... 230 Koppeling ...................................... 247 Krik ................................................ 179 Lampen – typen lampen ............................ 189 Lampjes en berichten..................... 107 lamp vervangen...................... 192-193 Lamp vervangen – buitenverlichting ........................ 191 – interieurverlichting...................... 194 Lichtunits – achterlichtunits (lamp vervangen) ................................ 192 – koplampunits (lamp vervangen) ................................ 191 Luchtfilter ....................................... 225 Menuopties .................................. Milieubescherming ......................... Mistachterlichten/achteruitrijlichten. Mistachterlichten............................ Mistlampen .................................... Mistlampen voor ............................ Montage universeel isofix kinderzitje..................................... Motorcodes - carrosserieversies .... Motorkap ....................................... – Openen ..................................... – Sluiten....................................... Motor............................................. 93 87 193 47 192 47 148 238 62 62 63 241 – code ......................................... – vloeistofniveau van het motorkoelsysteem..................... Motorolie – niveau controleren ..................... – verbruik ..................................... Motorruimte – reinigen ..................................... MSR-systeem ................................ Multifunctioneel display .................. Muntenbakje .................................. Niveaus controleren ...................... Onderhoud en zorg 237 223 222 222 232 68 90 51 219 – intensief gebruik van de auto..... 218 – periodieke controles .................. 218 Opbergvakken ............................... 49 Opheffen van het voertuig .............. 205 Parkeerlichten ............................... 38 Parkeersensoren ............................ 82 Parkeren ........................................ 161 – Handrem ................................... 162 Plafondverlichting achter – lamp vervangen......................... 194 Plafondverlichting........................... 45 – Bagageruimteverlichting ............ 46 – Dashboardkastverlichting .......... 46 – Instapverlichting ........................ 46 – Plafondverlichting achter ........... 45 – Plafondverlichting voor .............. 45 Plafondverlichting voor – lamp vervangen......................... 194 Pollenfilter ...................................... 225 Portieren ........................................ 54 – Centrale portiervergrendeling..... 54 – Kinderslot.................................. 55 Pre-Fill-systeem (RAB - Ready Alert Brake) .................................. 68 Prestaties....................................... 257 Radiozenders en mobiele telefoons...................................... 81 Regensensor.................................. 41 Reiniging en onderhoud – auto-interieur............................. 233 – carrosserie ................................ 231 – koplampen ................................ 232 – kunststof en gecoate interieurdelen............................. 233 – lederen interieurdelen ................ 234 – lederen stoelen.......................... 233 – stoelen en stoffen bekleding ...... 233 Remmen ........................................ 248 – remvloeistofniveau..................... 223 Richtingaanwijzers.................... 39-192 – lamp vervangen......................... 192 – "Lane change"-functie ............... 39 Ruiten reinigen ............................... 40 Ruiten (reinigen) ............................. 232 Ruitensproeier – vloeistofniveau ruitensproeier..... 223 ALFABETISCH REGISTER Ruitensproeiers van achterruit ........ Ruitensproeiers voorruit ................. Ruitensproeier/-wisser voorruit....... – Automatische wis-/wasfunctie ......................... Ruitenwissers/achterruitwisser – wisserbladen ............................. Ruitenwissers – wisserbladen vervangen ............ 230 230 40 41 228 228 Safe Lock (systeem)...................... 13 SBR-systeem (Seat Belt Reminder) .................................... 139 Schemersensor.............................. 38 Schuifdak....................................... 52 Setup-menu................................... 92 Skiluik ............................................ 50 Slepen van de auto ........................ 206 – Montage van het sleepoog ........ 206 “Smart Bag” systeem (Meertraps frontairbags) ............... 152 Sneeuwkettingen .......................... Snelheidsmeter .............................. Stadslichten/dagverlichting (DRL) – lamp vervangen......................... Stadslicht en dimlicht ..................... Stadslichten/remlichten .................. Standaard wielen en banden.......... Start&Stop systeem ....................... Stoelen .......................................... 175 103 191 38 192 253 73 17 – Voorstoelen ............................... 17 Stopcontacten ............................... 50 Stuurinrichting................................ 250 Stuurslot ........................................ 16 Stuurwiel........................................ 20 Symbolen....................................... 10 Tankdop ....................................... 86 Tanken ....................................... 85-86 Technische gegevens..................... 236 Toerenteller .................................... 103 Transmissie .................................... 247 Trip Computer ................................ 103 TRIP knop...................................... 105 "Universeel" kinderzitje monteren ..................................... 145 Veiligheidsgordels ......................... – Gebruik ..................................... Veilig kinderen vervoeren ................ Velgbescherming (banden) ............. Velgen – verklaring van de velgcodes ...... Vloeistoffen en smeermiddelen....... Vulinhouden ................................... 138 138 143 252 252 264 261 Welcome movement .................... Wielen en banden .......................... – bandenspanning ....................... – een wiel vervangen.................... – reservewiel ................................ Wielen............................................ – velgen en banden...................... Wielophanging ............................... Winterbanden ................................ 91 227 254 179 251 251 251 249 174 Zekeringen vervangen................... 196 Zijairbags (zijairbag hoofdairbag)................................. 156 Zijairbags (zijairbags voorin)............ 156 Zonnekleppen ................................ 51 MOPAR TECHNICAL SERVICES - SERVICE ENGINEERING FCA Italy S.p.A. - Largo Senatore G. Agnelli, 3 - 10040 Volvera - Torino (Italia) Druknummer 60438739- 4 Editie - 09 /2015 Alle rechten voorbehouden. Nadruk, zowel geheel als gedeeltelijk, verboden zonder schriftelijke toestemming toestemming van FCA Italy S.p.A. SERVICE Cop Alfa Giulietta NL QUAD 12/03/14 08.58 Pagina 2 WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Wij hebben uw auto ontworpen en gebouwd en kennen er dan ook werkelijk elk detail en onderdeel van. In de erkende Alfa Romeo Service garages bieden rechtstreeks door ons opgeleide technici u kwaliteit en professionaliteit voor alle onderhoudswerken. De Alfa Romeo garages staan altijd tot uw beschikking voor het periodieke onderhoud, de seizoenscontroles en voor praktische adviezen door onze deskundigen. Met de Originele Alfa Romeo-onderdelen behoudt u steeds de betrouwbaarheid, het comfort en de prestaties van uw nieuwe wagen: daarvoor heeft u ook voor deze wagen gekozen. Vraag altijd om Originele Onderdelen voor de componenten in onze auto's; wij bevelen u deze aan omdat ze het resultaat zijn van ons engagement bij de research en de ontwikkeling van uiterst innovatieve technologieën. Vertrouw daarom op Originele Onderdelen omdat zij alleen specifiek door Alfa Romeo voor uw auto ontworpen zijn. VEILIGHEID: REMSYSTEEM ECOLOGIE: ROETFILTERS, ONDERHOUD AIRCONDITIONING COMFORT: WIELOPHANGING EN RUITENWISSERS PERFORMANCE: BOUGIES, INSPUITVENTIELEN EN ACCU'S LINEACCESSORI: STANGEN IMPERIAAL, VELGEN Cop Alfa Giulietta NL QUAD 12/03/14 08.58 Pagina 1 NEDERLANDS Alfa Services INSTRUCTIEBOEKJE